11-07-2018
Nieuw bij Van Harberden: Hendrik Hakkert

Nieuw bij Van Harberden: Hendrik Hakkert

Per 1 september hoopt Hendrik Hakkert onze nieuwe collega te worden bij Van Harberden. Hendrik gaat aan de slag als Beginnend Assistent Accountant. Welkom Hendrik, veel succes! ... lees meer

11-07-2018
Nieuw bij Van Harberden: Petra van de Haar

Nieuw bij Van Harberden: Petra van de Haar

1 juli jl. mochten we Petra van de Haar - Donkersteeg verwelkomen als collega bij Van Harberden. Petra gaat aan de slag als Assistent Accountant en is bereikbaar op pvdhaar@vanharberden.nl Welkom Petra, veel succes! ... lees meer

19-07-2018
Nationaal sportakkoord

Nationaal sportakkoord

De minister van Sport heeft een akkoord gesloten met de sport, gemeenten en maatschappelijke organisaties en bedrijven. Dit nationale sportakkoord houdt onder meer in dat er ruim 700 extra buurtsportcoaches komen en dat de onbelaste vrijwilligersvergoeding omhooggaat van € 1.500 naar € 1.700 per jaar. Verder komt er een bedrag van € 87 miljoen beschikbaar aan subsidie voor sportverenigingen die investeren in accommodaties en voor beweegprogramma’s voor kinderen onder de zes jaar. Alle bij het sportakkoord betrokken partijen betalen mee om de ambities te realiseren. Het nationaal sportakkoord bestaat uit vijf deelakkoorden, die gesloten zijn door veel verschillende partijen. Het gaat om de volgende akkoorden: inclusief sport en bewegen; van jongs af aan vaardig in bewegen; duurzame sportinfrastructuur; vitale aanbieders; positieve sportcultuur. ... lees meer

19-07-2018
Problemen met loonkostenvoordeel na stage

Problemen met loonkostenvoordeel na stage

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft Kamervragen over problemen met het niet toekennen van het loonkostenvoordeel na een stage beantwoord. De minister maakt duidelijk dat de regeling is bedoeld om mensen met afstand tot de arbeidsmarkt aan het werk te krijgen. Middelen als proefplaatsing en stage kunnen daaraan bijdragen. Geeft een werkgever de stagiair een reële beloning, dan is sprake van een dienstbetrekking. Geeft de werkgever een stagevergoeding, dan is sprake van een fictieve dienstbetrekking. Zowel bij een fictieve als bij een reguliere dienstbetrekking komt de werkgever in aanmerking voor het loonkostenvoordeel als de werknemer voldoet aan de voorwaarden. Een van de voorwaarden is dat de werknemer over een doelgroepverklaring beschikt. De aanvraag hiervoor moet binnen drie maanden na aanvang van de dienstbetrekking worden gedaan. Gebeurt dat niet dan wordt geen doelgroepverklaring afgegeven en heeft de werkgever geen recht op het loonkostenvoordeel. Probleem bij het aanbieden van een dienstverband na een stage is dat de periode van betaalde stage meetelt. Werkgevers doen er goed aan om de doelgroepverklaring aan te vragen op het moment dat stagiaires in de loonadministratie worden opgenomen. De minister laat onderzoeken of bij wijze van uitzondering mogelijk is dat werknemers uit de doelgroep die direct aansluitend aan een betaalde stage in 2018 een arbeidscontract zijn aangegaan met dezelfde werkgever alsnog een doelgroepverklaring kunnen aanvragen voor de stageperiode en voor de periode van het arbeidscontract. Bij een onbetaalde stage doet dit probleem zich niet voor, omdat dan geen sprake is van een fictieve dienstbetrekking. ... lees meer

19-07-2018
Tweede Kamer neemt compensatieregeling transitievergoeding aan

Tweede Kamer neemt compensatieregeling transitievergoeding aan

De Tweede Kamer heeft het wetsvoorstel dat werkgevers vanaf 2020 compenseert voor de transitievergoeding bij ontslag van langdurig zieke werknemers aangenomen. Werknemers hebben bij ontslag op initiatief van de werkgever recht op een transitievergoeding wanneer de dienstbetrekking twee jaar of langer heeft geduurd. Dat geldt ook voor ontslag van een langdurig zieke werknemer na afloop van de periode waarin de werkgever tot loondoorbetaling verplicht is. Werkgevers ervaren dat als onredelijk en kiezen er daarom vaak voor om niet tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst over te gaan. Het door de Tweede Kamer aangenomen wetsvoorstel moet het ongenoegen van werkgevers wegnemen. De compensatie voor de transitievergoeding komt uit het Algemeen werkloosheidsfonds en wordt gefinancierd door een verhoging van de uniforme Awf-premie. ... lees meer

19-07-2018
Geen aftrek voorbelasting als niet is geleverd

Geen aftrek voorbelasting als niet is geleverd

Ondernemers moeten omzetbelasting berekenen over de vergoeding die zij aan hun afnemers in rekening brengen voor de levering van goederen of het verrichten van diensten. De btw-richtlijn omschrijft de levering van een goed als de overdracht of overgang van de macht om als een eigenaar over een lichamelijke zaak te beschikken. De belasting is verschuldigd op het tijdstip waarop de levering plaatsvindt. Op dat moment ontstaat bij de afnemer het recht op aftrek van de door hem betaalde omzetbelasting. Het recht op aftrek van voorbelasting is beperkt tot de mate waarin de afgenomen goederen en diensten worden gebruikt voor belaste handelingen door de afnemer. Het Hof van Justitie EU heeft onlangs de vraag beantwoord of het recht op aftrek van voorbelasting mag worden geweigerd omdat de gefactureerde goederen niet zijn geleverd aan de ondernemer aan wie de factuur is gericht. De verwijzende rechter wilde met name weten of voor het weigeren van aftrek nodig is om aan te tonen dat de ondernemer wist of had moeten weten dat het ging om btw-fraude. Volgens het Hof van Justitie EU is in het btw-stelsel het recht op aftrek gekoppeld aan de daadwerkelijke levering van een goed of de daadwerkelijke verrichting van een dienst. Het is uitgesloten dat er enig recht op aftrek ontstaat wanneer er geen daadwerkelijke levering of dienstverrichting plaatsvindt. Eerder heeft het Hof van Justitie EU al uitgelegd dat er geen recht op aftrek is voor belasting die uitsluitend is verschuldigd omdat zij wordt vermeld op een factuur. Het Hof van Justitie EU merkt nog op, dat degene die voorbelasting wenst af te trekken moet aantonen dat aan de voorwaarden voor aftrek is voldaan. ... lees meer

19-07-2018
Na inbreng onderneming in bv is er geen keuzevermogen

Na inbreng onderneming in bv is er geen keuzevermogen

Om te voorkomen dat door een onjuiste vaststelling van het eindvermogen van een onderneming over het voorafgaande jaar een deel van de bedrijfswinst onbelast blijft of dubbel wordt belast, is in de rechtspraak de foutenleer ontwikkeld. Met behulp van de foutenleer kan een balansfout worden hersteld in het oudste jaar waarvan de belastingaanslag nog niet definitief vaststaat. De rechtbank Gelderland is van oordeel dat de foutenleer niet kan worden toegepast om een onjuiste vermogensetikettering binnen een IB-onderneming ongedaan te maken nadat de onderneming is ingebracht in een bv. Volgens de Wet Vpb wordt een bv geacht haar onderneming te drijven met behulp van haar gehele vermogen. Dat betekent dat al het vermogen van een bv ondernemingsvermogen vormt. Anders dan bij een IB-onderneming is bij een bv geen sprake van keuzevermogen, waarbij de ondernemer binnen de grenzen der redelijkheid kan bepalen of een vermogensbestanddeel tot zijn ondernemingsvermogen behoort of tot zijn privévermogen. Het leerstuk van de vermogensetikettering is kenmerkend voor de inkomstenbelasting en eindigt op het moment dat de onderneming wordt ingebracht in een bv. Omdat er geen sprake is van keuzevermogen in de bv kan de balans van de bv geen fout door een onjuiste keuze bevatten. Dat betekent dat de foutenleer niet kan worden toegepast. ... lees meer

19-07-2018
Alternatieven btw-identificatienummer

Alternatieven btw-identificatienummer

De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) heeft onderzoek gedaan naar het gebruik van het burgerservicenummer (BSN) in het btw-identificatienummer. Volgens de AP heeft het gebruik van het BSN in het btw-identificatienummer geen wettelijke grondslag. Het BSN is een vertrouwelijk persoonsnummer voor communicatie tussen overheid en burger. Het gebruik van het BSN als btw-identificatienummer is niet noodzakelijk voor de uitvoering van de taak van de Belastingdienst. Voor de registratie van een btw-ondernemer kan een nummer worden gebruikt dat niet op het BSN is gebaseerd. Naar aanleiding van het onderzoek van de AP deelt de staatssecretaris van Financiën mee dat hij op zoek gaat naar een haalbaar alternatief. Een mogelijkheid kan zijn dat bestaande en nieuwe ondernemers/natuurlijke personen een nieuw btw-identificatienummer krijgen voor extern gebruik. Dat nummer wordt dan gebruikt in alle uitingen aan derden waarin vermelding van een btw-nummer verplicht is en in contacten met de Belastingdienst. De Belastingdienst gebruikt het nieuwe nummer in deze optiek in berichten aan de ondernemer waarin vermelding van het btw-identificatienummer vereist is en die de ondernemer moet delen met derden. Binnen de systemen van de Belastingdienst blijft het op het BSN-gebaseerde nummer van de ondernemer in gebruik. Om dit te realiseren moet er een conversieservice worden gebouwd, die het nieuwe nummer bij inkomend verkeer omzet naar het oude nummer en bij uitgaand verkeer andersom. Of dit haalbaar en werkbaar is, wordt momenteel onderzocht. De nieuwe nummersystematiek zal niet voor de door de AP genoemde datum van 1 januari 2019 gerealiseerd kunnen worden. ... lees meer

12-07-2018
Jeugd-LIV

Jeugd-LIV

Werkgevers hebben over 2018 recht op het jeugd-LIV voor elke werknemer, die voldoet aan de volgende drie voorwaarden: de werknemer is verzekerd voor 1 of meer van de werknemersverzekeringen; de werknemer was op 31 december 2017 18, 19, 20 of 21 jaar; de werknemer heeft een gemiddeld uurloon dat hoort bij het wettelijke minimumjeugdloon voor zijn leeftijd. De bedragen voor het gemiddeld uurloon zijn voor 2018 als volgt vastgesteld: Leeftijd Ondergrens gemiddeld uurloon Bovengrens gemiddeld uurloon 21 jaar € 8,40 € 9,82 20 jaar € 6,91 € 9,34 19 jaar € 5,43 € 7,69 18 jaar € 4,69 € 6,04 Het Jeugd-LIV wordt in de loop van 2019 automatisch uitbetaald aan de werkgever op basis van de aangeleverde loonadministratiegegevens. ... lees meer

12-07-2018
Vliegbelasting

Vliegbelasting

De belastingheffing zal in de toekomst verschuiven van inkomensgerelateerd naar verbruiksgerelateerd. Met name milieuonvriendelijke producten zullen zwaarder worden belast. Onderdeel van deze verschuiving is het heffen van belasting op vliegverkeer. Met ingang van 2021 wil Nederland belasting gaan heffen op vliegverkeer. Het liefst zou Nederland zien dat er een eenduidige Europese vliegbelasting wordt geïntroduceerd. Mocht dit niet lukken dan wordt er een belasting per vliegtuig en/of een belasting per passagier ingevoerd. Uit onderzoek blijkt dat een beperkte vliegbelasting van € 3,80 per passagier binnen europa en € 22 voor intercontinentale vluchten een positieve invloed heeft op welvaart, BBP en klimaat. ... lees meer

12-07-2018
Opbrengst verhuur tuinhuis niet belast

Opbrengst verhuur tuinhuis niet belast

Voor de heffing van de inkomstenbelasting worden de voordelen uit eigen woning gesteld op een forfaitair bedrag. Wordt de eigen woning tijdelijk aan derden ter beschikking gesteld, dan moet 70% van de daarmee behaalde opbrengst bij de voordelen worden geteld. De vraag in een procedure voor de rechtbank was of dat ook geldt voor de opbrengst van de verhuur van een tuinhuis. Een tuinhuis is een zogenaamde aanhorigheid van de eigen woning en maakt daarmee deel uit van de eigen woning. De vraag is dus of ook bij de verhuur van een deel van de eigen woning 70% van de opbrengst bij het inkomen moet worden geteld. Volgens de rechtbank gaat de tekst van de wet uit van tijdelijke verhuur van de gehele woning. Dat volgt ook uit de parlementaire toelichting bij het betreffende wetsartikel. Tijdelijke verhuur van een gedeelte van de eigen woning is bij de parlementaire behandeling niet aan de orde geweest. ... lees meer

12-07-2018
Nieuwe of gebruikte auto voor de bpm?

Nieuwe of gebruikte auto voor de bpm?

Over de vraag wanneer sprake is van een nieuwe of gebruikte auto voor de bpm heeft de Hoge Raad al meerdere arresten gewezen. Zo staat de omstandigheid dat een auto in het buitenland is geregistreerd voordat deze in Nederland werd geregistreerd er niet aan in de weg om de auto als nieuw aan te merken wanneer de Nederlandse koper de auto voor het eerst in gebruik heeft genomen. Een auto is nieuw voor de bpm als hij niet of nauwelijks is gebruikt. De staatssecretaris van Financiën heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van Hof Den Bosch in een procedure over de bpm. Volgens het hof ging het om een auto, die ten tijde van de registratie als een gebruikte auto moest worden aangemerkt. De staatssecretaris meent dat het om een destijds nieuwe auto gaat. De auto is op 11 januari 2012 aan de Nederlandse koper, een bv, afgeleverd met slechts 10 kilometer op de teller. Op 12 januari is de auto op naam van de bestuurder van de bv in Duitsland geregistreerd op een zogenaamd exportkenteken. Op 1 februari 2012 is in Nederland aangifte voor de bpm gedaan. De auto had op dat moment een kilometerstand van 3.092. De registratie vond plaats op 8 februari 2012 op naam van de bv. Het hof hield geen rekening met het feit dat de auto direct aan de Nederlandse koper is afgeleverd. Volgens de staatssecretaris gaat het in dit geval om een U-bocht constructie met belastingbesparing als doorslaggevende reden. Na de aanschaf heeft de bv bewust kilometers in het buitenland laten maken om bij de registratie in Nederland voor de bpm uit te gaan van een gebruikte auto. Het hof vond dat niet aannemelijk gemaakt en oordeelde dat het enkele feit dat tussen aankoop en registratie in Nederland weinig tijd was verstreken onvoldoende bewijs is voor het oogmerk tot belastingbesparing. De Advocaat-generaal (A-G) bij de Hoge Raad concludeert dat het beroep in cassatie van de staatssecretaris ongegrond is. De A-G meent dat, gezien het aantal gereden kilometers, het gebruik in het buitenland reële betekenis heeft. Het gaat niet om de vraag wie de auto in het buitenland in gebruik heeft genomen, maar om de vraag of de auto ten tijde van de registratie in Nederland feitelijk nieuw of gebruikt was. De A-G merkt nog op dat dat de huidige regelgeving er wellicht toe uitnodigt om met dure auto’s eerst enige tijd op Duits kenteken in het buitenland te gaan rondrijden. ... lees meer

05-07-2018
Evaluatie EIA

Evaluatie EIA

Subsidieregelingen met een wettelijke grondslag worden iedere vijf jaar geëvalueerd. Dat geldt ook voor de energie-investeringsaftrek (EIA). De evaluatie van deze regeling over de periode van 2012 tot en met 2017 is onlangs afgerond. Naar aanleiding van de resultaten van deze evaluatie wil het kabinet de regeling continueren tot 1 januari 2024. Het kabinet zal het aftrekpercentage in het Belastingplan 2019 verlagen van 54,5% naar 45%. Het netto belastingvoordeel wordt daardoor lager, maar zou voldoende moeten zijn om ondernemers energie-investeringen te laten doen. Samenvoeging van het loket voor EIA en MIA\Vamil-aanvragen zou moeten leiden tot een vermindering van de administratieve lasten voor ondernemers. De belangrijkste aanbevelingen in het evaluatierapport zijn: Verlaag het effectieve aftrekpercentage. Voeg nieuwe technieken toe aan de Energielijst en verwijder bestaande technieken. De prestatienormen moeten tussentijds worden aangescherpt. Integreer de dienstverlening voor EIA- en MIA\Vamil om het onderscheid tussen beide voor ondernemers zichtbaarder te maken. Maak de minister van Economische Zaken eindverantwoordelijk voor de Uitvoeringsregeling EIA en de Energielijst. Onderzoek de effecten van het verruimen van de besparingsnormen voor industriële processen. Onderzoek of meer maatwerk binnen de EIA mogelijk is. ... lees meer

05-07-2018
Uitbreiding geboorteverlof partner

Uitbreiding geboorteverlof partner

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft het wetsvoorstel Wet Invoering Extra Geboorteverlof (WIEG) naar de Tweede Kamer gestuurd. Op grond van dit wetsvoorstel krijgen partners na de geboorte van een kind vijf in plaats van twee dagen doorbetaald verlof. Het geboorteverlof wordt per januari 2019 ingevoerd. Het verlof kan meteen worden opgenomen, maar kan ook later worden opgenomen, mits het in de eerste vier weken na de bevalling gebeurt. Vanaf juli 2020 maakt dit wetsvoorstel het mogelijk om in het eerste half jaar na de geboorte nog eens vijf weken extra verlof op te nemen. In die periode hebben partners recht op een uitkering ter hoogte van 70% van het loon. Overigens wordt ook het adoptie- en pleegzorgverlof voor ouders per 1 januari 2019 verlengd van vier naar zes weken. ... lees meer

05-07-2018
Nieuwe wetgeving positie zelfstandigen zonder personeel

Nieuwe wetgeving positie zelfstandigen zonder personeel

De fiscale en arbeidsrechtelijke postie van een zelfstandige zonder personeel (zzp'er) blijft de overheid bezighouden. De doelstelling van de wetgever is om ondernemers de vrijheid te geven om ondernemer te zijn doch ongewenste constructies die de beschermingsgrenzen van het arbeidsrecht overschrijden tegen te gaan. Dit is geen eenvoudige opgaaf, zo blijkt uit het verleden. De Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (DBA) is grotendeels buiten werking gesteld tot 1 januari 2020. Wel wordt de handhaving op misbruik met ingang van 1 juli 2018 intensiever. Zoals in februari aangekondigd gaat de Belastingdienst vanaf 1 juli 2018 niet alleen bij de ernstigste kwaadwillenden, maar bij alle kwaadwillenden handhaven. De plannen zoals deze thans worden uitgewerkt gaan uit van bescherming door middel van een minimaal uurtarief voor de zzp'er en een veronderstelde arbeidsrelatie bij lage uurtarieven. In de tweede helft van het jaar zal er een uitgebreide consultatieronde plaatsvinden. Doel is voor 1 januari 2019 met nadere voorstellen te komen. ... lees meer

05-07-2018
Grensoverschrijdende constructies

Grensoverschrijdende constructies

In een poging om een betere afstemming te krijgen in de internationale belastingheffing en belastingontwijking tegen te gaan wordt een eerste maatregel genomen. Met ingang van 1 juli 2020 worden adviseurs, zoals belastingadviseurs en accountants, verplicht om grensoverschrijdende constructies te melden welke zijn bedoeld om belasting te ontwijken. Onderdeel van de regelgeving is dat de meldingsplicht geldt voor constructies die na 25 juni 2018 zijn opgezet. De informatie over de periode van 25 juni 2018 tot 1 juli 2020 hoeft pas uiterlijk 31 augustus 2020 aan de Belastingdienst te worden verstrekt. In oktober 2020 zal er een eerste informatieuitwisseling tussen lidstaten plaatsvinden. Een betere afstemming is een eerste stap in het voorkomen van misbruik. Ook wordt verwacht dat de maatregel preventief zal werken. De wetgeving wordt thans voorbereid en dient te voldoen aan de richtlijnen van de Europese Unie. In het najaar zal er een consultatieronde plaatsvinden. We houden u op de hoogte van de ontwikkelingen. ... lees meer

28-06-2018
Compensatieregeling omzetting lening in gift

Compensatieregeling omzetting lening in gift

De staatssecretaris van Financiën heeft aangekondigd dat er een compensatieregeling komt voor een bepaalde groep ondernemers. Het gaat om ondernemers met een lening op grond van het besluit bijstandsverlening zelfstandigen, die is omgezet in een gift. In de periode van 2014 tot en met 2016 had de omzetting van een lening in een gift gevolgen voor het toetsingsinkomen voor de toeslagen. Gevolg was dat eerder betaalde toeslagen werden teruggevorderd. Met ingang van 2017 kan dit probleem zich niet meer voordoen omdat sindsdien belastingheffing plaatsvindt over de omzetting door middel van eindheffing van de gemeente. Daardoor telt de gift niet mee voor het toetsingsinkomen voor de toeslagen van de ondernemer. Bij de aangekondigde compensatieregeling wordt eveneens uitgegaan van de eindheffingsvariant. De aangekondigde regeling zal worden opgenomen in het Belastingplan 2019. ... lees meer

28-06-2018
Twee appartementen samen één eigen woning?

Twee appartementen samen één eigen woning?

Een eigen woning is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de belastingplichtige, of personen die tot zijn huishouden behoren, anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat op grond van eigendom. Een belastingplichtige kan slechts één eigen woning in de zin van de Wet IB 2001 hebben. Er kan tijdelijk sprake zijn van twee eigen woningen, wanneer de “oude” eigen woning leeg staat in afwachting van verkoop of wanneer een woning is aangekocht en leeg staat of in aanbouw is in afwachting van bewoning op een later moment. De vraag in een procedure was of twee naast elkaar gelegen appartementen tezamen één eigen woning konden vormen. Beide appartementen waren eigendom van dezelfde belastingplichtige en door de belastingplichtige en diens gezin gebruikt. De rechtbank oordeelde dat geen sprake was van een eigen woning omdat de appartementen bouwtechnisch zelfstandige woningen waren, die elk over een eigen voordeur en eigen voorzieningen zoals een keuken, een badkamer en een toilet beschikten. Een doorgang tussen de appartementen was er niet. De hal waar de voordeuren van de appartementen op uitkwamen was via de lift en het trappenhuis toegankelijk voor derden. Dat betekende dat de hal onderdeel was van de gemeenschappelijke ruimten van het appartementencomplex. De rechtbank was verder van oordeel dat dat de bestaande en bewoonde appartementen door het voornemen om een doorgang tussen beide appartementen te maken niet als een woning in aanbouw konden worden aangemerkt. In hoger beroep onderschreef het gerechtshof de uitspraak van de rechtbank. ... lees meer

28-06-2018
Diverse uitkeringsbedragen per 1 juli 2018

Diverse uitkeringsbedragen per 1 juli 2018

De uitkeringsbedragen van diverse sociale verzekeringen zijn gekoppeld aan het minimumloon. In verband met de verhoging van het minimumloon per 1 juli 2018 gaan ook de uitkeringsbedragen omhoog. Het gaat onder meer om de bijstandsuitkeringen, de inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en gewezen zelfstandigen (IOAW en IOAZ), de AOW-uitkeringen en de Anw-uitkeringen. AOW Gehuwden/samenwonenden per maand € 789,81 vakantie-uitkering € 50,29 totaal € 840,10 Gehuwden/samenwonenden met maximale toeslag (partner jonger dan 65 jaar) per maand € 1.579,62 vakantie-uitkering € 100,58 totaal € 1.680,20 Alleenstaanden per maand € 1.156,43 vakantie-uitkering € 70,40 totaal € 1.226,83De hierboven genoemde bedragen zijn exclusief de inkomensondersteuning AOW van € 24,93 bruto per maand. Maximumdagloon (WW, WIA, WAO en ZW) Uitkeringen uit de WW, de WIA, de WAO en de ZW worden per 1 juli 2018 verhoogd met 1,03%. Het maximumdagloon voor deze verzekeringen gaat per 1 juli 2018 omhoog van € 209,26 naar € 211,42 (bruto). KinderbijslagDe kinderbijslag bedraagt per 1 juli 2018 per kwartaal: per kind van 0 t/m 5 jaar (70%) € 202,23 per kind van 6 t/m 11 jaar (85%) € 245,57 per kind van 12 t/m 17 jaar (100%) € 288,90 ... lees meer

28-06-2018
Verhuur ligplaatsen

Verhuur ligplaatsen

Het recht om gebruik te maken van sportaccommodaties valt onder het lage btw-tarief. Het gebruik van de sportaccommodatie moet verband houden met de beoefening van sport. Diensten die bestaan uit stalling of opslag van attributen waarmee een sport wordt bedreven vallen niet onder het gebruik van sportaccommodaties en vallen dus niet onder het lage tarief. Volgens Hof Arnhem-Leeuwarden is de verhuur van de ligplaatsen voor zeilboten en snelle motorboten door een watersportvereniging belast met het hoge tarief omzetbelasting. Het hof merkt deze dienst van de vereniging aan als de verhuur van parkeerruimte voor boten. De verhuur van ligplaatsen kan niet worden gerangschikt onder het geven van gelegenheid tot sportbeoefening, omdat het sporten niet plaatsvindt in de jachthaven maar in open water. Het oordeel van het hof komt erop neer dat de ligplaatsen zelf niet zijn bestemd voor sportbeoefening, maar dat de dienst van de vereniging bestaat uit het passieve verblijf van boten in de jachthaven en het in goede staat bewaren ervan. Volgens de Hoge Raad geeft het oordeel van het hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het beroep in cassatie van de vereniging is ongegrond. ... lees meer

28-06-2018
Recht op doorbetaalde vakantie na einde loondoorbetalingsverplichting

Recht op doorbetaalde vakantie na einde loondoorbetalingsverplichting

In het Burgerlijk Wetboek is bepaald dat een werknemer gedurende zijn vakantie recht houdt op loon. Dat geldt ook voor werknemers, die langdurig en geheel arbeidsongeschikt zijn voor de bedongen arbeid. Vakantie heeft tot doel het herstellen en uitrusten van verplichtingen voortvloeiend uit de arbeidsovereenkomst. Bij langdurig arbeidsongeschikte werknemers gaat het dan niet om de verplichting tot het verrichten van de bedongen arbeid, maar om de verplichting om andere, passende werkzaamheden te verrichten of om mee te werken aan re-integratie. Als een arbeidsongeschikte werknemer tijdelijk vrijgesteld wil worden van zijn re-integratieverplichtingen dient hij hiervoor vakantie op te nemen. Uit Europese regelgeving en uit rechtspraak van het Hof van Justitie EU volgt dat aan werknemers met ziekteverlof recht op vakantie toekomt. Deze werknemers moeten daadwerkelijk de mogelijkheid hebben om van dit recht gebruik te maken. Het recht op vakantie mag niet afhankelijk zijn van de voorwaarde dat tijdens een bepaalde referentieperiode daadwerkelijk is gewerkt. De kantonrechter heeft in een procedure geoordeeld dat een arbeidsongeschikte werknemer recht heeft op doorbetaling van loon over door hem opgenomen vakantiedagen nadat de periode van verplichte loondoorbetaling tijdens ziekte was geëindigd. Het eindigen van de loonbetalingsverplichting tijdens ziekte doet volgens de kantonrechter niet af aan het recht van een arbeidsongeschikte werknemer om vakantiedagen tijdens ziekte te kunnen opnemen, in verband met een vrijstelling van re-integratieverplichtingen. De re-integratieverplichtingen van werknemer en werkgever blijven ook na afloop van de loondoorbetalingsverplichting bestaan. Daarom neemt de kantonrechter aan dat de wetgever ook voor die situatie heeft bedoeld om een werknemer aanspraak te geven op vakantie met behoud van loon. Noot: het is van belang dat de werkgever een langdurig arbeidsongeschikte werknemer enerzijds de ruimte biedt om verlof op te nemen en er anderzijds op aandringt dat de werknemer dit ook doet. Op die manier kan discussie over niet-genoten vakantiedagen bij einde dienstbetrekking zoveel mogelijk worden voorkomen. ... lees meer

21-06-2018
Minimum(jeugd)lonen per 1 juli 2018

Minimum(jeugd)lonen per 1 juli 2018

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft de bedragen van het wettelijk minimumloon per 1 juli 2018 vastgesteld. Het bedrag per maand bedraagt voor een werknemer van 22 jaar of ouder € 1.594,20. Het minimumloon per week bedraagt voor deze categorie € 367,90. Per dag komt dat neer op een bedrag van € 73,58. Voor werknemers van 21 jaar of jonger gelden hiervan afgeleide bedragen. Leeftijd Percentage Per maand Per week Per dag 22 jaar en ouder 100% € 1.594,20 € 367,90 € 73,58 21 jaar 85% € 1.355,05 € 312,70 € 62,54 20 jaar 70% € 1.115,95 € 257,55 € 51,51 19 jaar 55% € 876,80 € 202,35 € 40,47 18 jaar 47,5% € 757,25 € 174,75 € 34,95 17 jaar 39,5% € 629,70 € 145,30 € 29,06 16 jaar 34,5% € 550,00 € 126,95 € 25,39 15 jaar 30% € 478,25 € 110,35 € 22,07 ... lees meer

21-06-2018
Geen versoepeling aflossingsverplichting

Geen versoepeling aflossingsverplichting

De rente die wordt betaald voor de financiering van een eigen woning is aftrekbaar op voorwaarde dat de schuld in maximaal 30 jaar wordt afgelost. De aflossingsverplichting is op 1 januari 2013 ingevoerd voor nieuwe leningen. De Tweede Kamer heeft het kabinet in een motie gevraagd om de mogelijkheden en gevolgen te onderzoeken van het versoepelen van de aflossingsverplichting. De achtergrond voor de invoering van de aflossingsverplichting is het verbeteren van de woningmarkt, het verlagen van de financiële risico’s voor huishoudens en van de nationale hypotheekschuld. De staatssecretaris van Financiën is niet van plan om op dit moment met een versoepeling van de bestaande aflossingsverplichting te komen. De fiscale eigenwoningregeling zal in 2019 worden geëvalueerd. De aflossingsverplichting is onderdeel van die regeling en wordt dan in de evaluatie betrokken. Onder de bestaande wet- en regelgeving is het mogelijk om niet volledig af te lossen. Dat heeft wel tot gevolg dat slechts een deel van de betaalde hypotheekrente aftrekbaar is. Desondanks is het mogelijk om een hypotheekvorm te kiezen waarmee huishoudens op korte termijn lagere maandlasten kunnen realiseren. Gevolgen versoepeling aflossingsverplichtingIn de motie is gevraagd om onderzoek naar verlaging van de aflossingsverplichting tot 70% van de schuld. Dat zou kunnen door 70% van de eigenwoningschuld annuïtair in 30 jaar af te lossen en 30% aflossingsvrij met behoud van renteaftrek. In deze vorm zijn de netto maandlasten over de gehele looptijd van de hypotheek lager. Daarna zijn de maandlasten hoger omdat er nog een hypotheekschuld overblijft. Voor de staat zou deze vorm van versoepeling leiden tot verminderde belastinginkomsten.Een alternatief is verplicht aflossen van de gehele eigenwoningschuld tot het moment waarop de resterende schuld 30% van de oorspronkelijke schuld bedraagt. Na het vervallen van de aflossingsverplichting blijft de renteaftrek bestaan. Deze vorm leidt niet tot lagere maandlasten in het begin van de aflossingsperiode. Het verlies aan belastinginkomsten voor de staat is kleiner dan bij de eerste vorm. Om een versoepeling van de aflossingseis te kunnen financieren zou de renteaftrek met 12% beperkt moeten worden. Een versoepeling van de aflossingseis vergroot de subsidiëring van de koopmarkt en leidt tot hogere huizenprijzen. Ook leidt een versoepeling van de aflossingseis tot hogere hypotheekschulden bij huishoudens. Afhankelijk van de gekozen vorm leidt een versoepeling van de aflossingseis naar verwachting tot een ingewikkeldere regeling. De eigenwoningregeling wordt nu al als zeer complex ervaren. ... lees meer

21-06-2018
WBSO in 2017

WBSO in 2017

De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) heeft vorig jaar aan ruim 21.000 Nederlandse bedrijven, waarvan 97% uit het mkb, € 1.455 miljoen aan afdrachtvermindering WBSO toegekend. De verdeling van de afdrachtvermindering over mkb en grootbedrijf wijkt af van de verdeling van de aanvragers. Slechts 64% van de afdrachtvermindering gaat naar het mkb. Het aantal bedrijven dat gebruik maakt van de WBSO is in 2017 met 4,8% gedaald ten opzichte van 2016. In 2017 heeft RVO.nl 35.515 WBSO-aanvragen toegekend. Dat is 4,7% minder dan in 2016. 87% van de ondernemers heeft gekozen voor de forfaitaire berekening van de afdrachtvermindering, slechts 13% voor berekening op basis van de werkelijke kosten en uitgaven voor onderzoek en ontwikkkeling (R&D). De toegekende afdrachtvermindering is niet per definitie gelijk aan het uiteindelijke voordeel. Dat is afhankelijk van de daadwerkelijk uitgevoerde R&D-werkzaamheden. Niet alle provincies geven evenveel uit aan R&D. Noord-Brabant is met € 1.875 miljoen koploper, gevolgd door Zuid- en Noord-Holland. De meeste bedrijven die in 2017 gebruik maakten van de WBSO zijn gevestigd in de regio Amsterdam. Deze regio heeft ook het grootste aandeel startende bedrijven onder de aanvragers (26%). De regio’s Zuidoost-Brabant en Utrecht zijn de nummers twee en drie qua aantallen bedrijven. Het aandeel starters in deze regio’s ligt met 14% en 16% lager dan in de regio Amsterdam, maar wel op het gemiddelde van heel Nederland (15%). ... lees meer

21-06-2018
Fiscale aspecten cryptovaluta

Fiscale aspecten cryptovaluta

De staatssecretaris van Financiën heeft in een brief aan de Eerste Kamer een uiteenzetting gegeven over de fiscale aspecten van cryptovaluta, zoals de bitcoin. Omdat de ontwikkelingen rond cryptovaluta snel gaan is niet uit te sluiten dat de fiscale kwalificatie en behandeling van cryptovaluta veranderen. Particulieren en cryptovalutaVolgens vaste jurisprudentie vormen speculatieve transacties en transacties waarvan het eindresultaat niet beïnvloedbaar is door de verrichte arbeid geen bron van inkomen. Dat geldt ook voor de handel in cryptovaluta. Als er structureel positieve resultaten worden behaald die kunnen worden verklaard door arbeid van de betrokkene, die verder gaat dan de arbeid die met speculatie samenhangt, is wel sprake van een bron van inkomen. Bij het minen en handelen in cryptovaluta door een natuurlijk persoon zal niet snel sprake zijn van een bron van inkomen. Vermogensbestanddelen van een natuurlijk persoon behoren tot de rendementsgrondslag van box 3, tenzij sprake is van vermogensbestanddelen die in box 1 of box 2 vallen. Cryptovaluta van een natuurlijk persoon vallen in box 3 en moeten naar de waarde in het economisch verkeer op 1 januari van een kalenderjaar worden opgenomen in de aangifte inkomstenbelasting. De staatssecretaris gaat daarbij uit van de koers op de peildatum van het gebruikte omwisselplatform. Ondernemers en cryptovalutaAls de tegenprestatie voor de verkoop van goederen of de levering van diensten door een ondernemer uit cryptovaluta bestaat, moet deze worden omgerekend naar een equivalent in euro’s. Het bedrag in euro’s wordt tot de omzet gerekend voor de winstbepaling en voor de omzetbelasting. Omwisselen van cryptovaluta kan een verlies of een winst opleveren. Cryptovaluta die op de balansdatum aanwezig zijn moeten worden gewaardeerd volgens goed koopmansgebruik. De hoofdregel is waardering op kostprijs of lagere marktwaarde. Loonbetaling in cryptovaluta Als loon wordt uitbetaald in cryptovaluta moet het loon voor de aangiften loonbelasting worden omgerekend in euro’s op het moment dat het loon wordt genoten. Cryptovaluta en ib-ondernemer Bij de aankoop van cryptovaluta door een ib-ondernemer speelt het leerstuk van de vermogensetikettering. Als cryptovaluta worden aangeschaft met duurzaam overtollige liquide middelen vormen zij geen ondernemings- maar privévermogen en vallen zij in box 3. Dat geldt ook als de aankoop van cryptovaluta niet plaatsvindt binnen de normale ondernemingsuitoefening en er geen sprake is van het beleggen van tijdelijke overtollige middelen. Cryptovaluta en bv Een bv drijft een onderneming met het gehele vermogen. De resultaten van het minen en de aan- en verkoop van cryptovaluta moeten volgens goed koopmansgebruik in de winst van de bv worden verwerkt. ... lees meer

21-06-2018
Bedragen kinderopvangtoeslag 2019

Bedragen kinderopvangtoeslag 2019

De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft een ontwerpbesluit gepubliceerd met geïndexeerde bedragen voor de kinderopvangtoeslag per 2019. De maximum uurprijs voor dagopvang bedraagt na verhoging en jaarlijkse indexatie € 8,02. De maximum uurprijs voor buitenschoolse opvang bedraagt in 2019 na verhoging en indexatie € 6,89. De maximum uurprijs voor gastouderopvang wordt alleen geïndexeerd en bedraagt in 2019 € 6,15. De kinderopvangtoeslag voor het eerste kind gaat voor ouders met de laagste inkomens omhoog van 94 naar 96%. Voor ouders met een modaal inkomen stijgt de kinderopvangtoeslag van 86 naar 88,3%. Voor ouders met een toetsingsinkomen van circa € 50.000 stijgt de kinderopvangtoeslag voor het eerste kind van 77,2 naar 80,9%. Het bijdragepercentage voor het eerste kind daalt met het stijgen van het inkomen tot 33,33%. In 2018 gebeurt dat bij een toetsingsinkomen van € 101.971. Deze inkomensgrens wordt in 2019 verhoogd naar € 123.920. Ouders met een inkomen tot dat bedrag krijgen dus een hoger toeslagpercentage in 2019. Ook de daling van het percentage dat ouders vergoed krijgen voor het tweede kind wordt aangepast waardoor de kinderopvangtoeslag minder daalt naarmate het inkomen van de ouders stijgt. ... lees meer

21-06-2018
Geen giftenaftrek zonder schriftelijk bewijs

Geen giftenaftrek zonder schriftelijk bewijs

Giften aan het algemeen nut beogende instellingen zijn aftrekbaar voor de inkomstenbelasting als zij een inkomensafhankelijke drempel overschrijden. Giften moeten met schriftelijke bescheiden kunnen worden gestaafd. Hof Amsterdam oordeelde in een procedure dat de belanghebbende ondanks het overleggen van kwitanties, donatieverklaring en bankafschriften niet het bewijs had geleverd dat hij voor een bedrag van € 4.000 giften aan een instelling had gedaan. Bij een strafrechtelijk onderzoek dat was ingesteld bij de instelling was vastgesteld dat op grote schaal valse of onjuiste kwitanties en donatieverklaringen waren afgegeven door de financieel coördinator en bestuurders van de instelling. In die gevallen werd het werkelijk ontvangen bedrag in de administratie van de instelling verwerkt. De naam van de belanghebbende kwam niet voor op lijsten met schenkingen uit de administratie van de instelling. Onder deze omstandigheden vond het hof de kwitanties onvoldoende bewijs voor aftrek van giften. Ander bewijs dan de kwitanties en de donatieverklaring verstrekte de belanghebbende niet. Rekeningafschriften van de bank waarop contante opnamen vermeld waren, vormden geen bewijs omdat daaruit niet is af te leiden waaraan het opgenomen geld is besteed. ... lees meer

14-06-2018
Maatregelen tegen stapeling van zorgkosten

Maatregelen tegen stapeling van zorgkosten

Het kabinet neemt maatregelen om stapeling van zorgkosten tegen te gaan. Veel mensen die een eigen bijdrage betalen voor maatschappelijke ondersteuning of voor langdurige zorg maken ook het eigen risico voor de zorgverzekering op of moeten bijbetalen voor geneesmiddelen. Deze stapeling van zorgkosten kan ertoe leiden dat mensen niet de zorg en ondersteuning krijgen die zij nodig hebben. De maatregelen om de zorg bereikbaar en betaalbaar te maken bestaan uit het invoeren van een abonnementstarief voor de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en een verlaging van de vermogensinkomensbijtelling voor de Wet langdurige zorg (Wlz). Het is de bedoeling dat de maatregelen per 1 januari 2019 van kracht worden. ZorgverzekeringHet kabinet heeft besloten om het eigen risico voor de zorgverzekering tot en met 2021 te bevriezen. Verder is het kabinet van plan om de bijbetalingen voor bepaalde geneesmiddelen te maximeren op een bedrag van € 250 per jaar. Abonnementstarief WmoHuishoudens die gebruik maken van een Wmo-voorziening gaan een vast tarief van € 17,50 per vier weken betalen, ongeacht hun inkomen, vermogen of het gebruik van de voorziening. Gemeenten hebben de ruimte om een lagere eigen bijdrage vast te stellen. Het abonnementstarief moet bureaucratie en administratieve rompslomp voorkomen of verminderen. Vermogensinkomensbijtelling langdurige zorgBij de berekening van de eigen bijdrage voor langdurige zorg wordt rekening gehouden met inkomsten uit vermogen. De huidige bijtelling bedraagt 8% van het vermogen. Met ingang van 2019 wordt deze bijtelling gehalveerd naar 4% van het vermogen. Door deze maatregel hoeven mensen die langdurige zorg nodig hebben minder in te teren op hun vermogen. ... lees meer

14-06-2018
Bezwaarschriften belastingheffing in box 3

Bezwaarschriften belastingheffing in box 3

De staatssecretaris van Financiën laat weten dat er wordt gewerkt aan een aanwijzing massaal bezwaar voor bezwaarschriften tegen de aanslag inkomstenbelasting 2017 voor zover het de belastingheffing in box 3 betreft. Iedere belastingplichtige die bezwaren heeft tegen zijn aanslag inkomstenbelasting moet individueel en tijdig een bezwaarschrift indienen, ook als er een aanwijzing massaal bezwaar is gegeven. De Bond voor Belastingbetalers heeft belastingplichtigen opgeroepen om bezwaar te maken tegen de belastingheffing in box 3 in de inkomstenbelasting over 2017. Voor bezwaren tegen aanslagen betreffende de vermogensrendementsheffing over de belastingjaren tot en met 2016 geldt al een aanwijzing massaal bezwaar. Vanaf 2017 is de berekening van het forfaitaire rendement gewijzigd. Dat betekent dat de uitkomst van de lopende procedures over de jaren tot en met 2016 niet beslissend is voor de bezwaren tegen de aanslagen inkomstenbelasting voor het jaar 2017 (en later). De staatssecretaris merkt op dat bezwaarschriften tegen de aanslagen IB 2017 die zijn of worden ingediend voor 15 juli 2018 en die zijn gericht tegen de berekening van het forfaitair vastgestelde rendement zullen worden behandeld als tijdig ingediende bezwaarschriften. ... lees meer

14-06-2018
Strafverzwaring door latere wetswijziging niet toegestaan

Strafverzwaring door latere wetswijziging niet toegestaan

Op grond van de oude inkeerregeling werd geen vergrijpboete opgelegd aan een belastingplichtige die alsnog een juiste en volledige aangifte deed voordat hij wist of moest vermoeden dat de inspecteur op de hoogte was van de onjuistheid of onvolledigheid van de eerdere aangifte. De inkeerregeling is met ingang van 2 juli 2009 gewijzigd. Vanaf die datum is de periode waarbinnen inkeer zonder vergrijpboete mogelijk is beperkt tot uiterlijk twee jaar na het tijdstip waarop de eerdere onjuiste of onvolledige aangifte is gedaan of waarop aangifte had moeten worden gedaan. Wanneer na het verstrijken van twee jaar wordt ingekeerd is dat een reden om de op te leggen vergrijpboete te matigen. Met het Belastingplan 2018 is de inkeerregeling afgeschaft. Het EVRM en het IBPVR bepalen dat niemand mag worden veroordeeld voor een feit dat niet strafbaar was ten tijde van het handelen of nalaten. Ook mag geen zwaardere straf worden opgelegd dan de straf die ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was. De vraag in een procedure over de toepassing van de inkeerregeling was of door de wijziging van de wet per 2 juli 2009 een zwaardere straf werd opgelegd aan de inkeerder dan de straf die ten tijde van het begaan van het stafbare feit van toepassing was. Volgens de rechtbank ligt de inkeerregeling als algemene vervolgingsuitsluitingsgrond in de sfeer van het materiële boeterecht. De rechtbank merkte de regeling aan als een strafbepaling en niet als een bepaling met betrekking tot de uitvoering of handhaving van de straf. Voor zover door de gewijzigde bepalingen sprake was van strafverzwaring oordeelde de rechtbank dat deze bepalingen in strijd waren met het EVRM en het IVBPR. De rechtbank vernietigde de vergrijpboetes die over de jaren 2004 tot en met 2007 waren opgelegd. ... lees meer

14-06-2018
Tweede Kamer wil minder verschil in belastingdruk een- en tweeverdieners

Tweede Kamer wil minder verschil in belastingdruk een- en tweeverdieners

De Tweede Kamer heeft een motie aangenomen waarin het kabinet wordt opgeroepen om met mogelijkheden te komen om de verschillen in belastingdruk tussen een- en tweeverdieners weg te nemen. Door de individualisering van de belastingheffing betalen bij een gelijk gezinsinkomen eenverdieners meer belasting dan tweeverdieners. De Kamer wil binnen een jaar een rapport van het kabinet ontvangen waarin de gevraagde mogelijkheden worden beschreven. ... lees meer

14-06-2018
Wetsvoorstel spoedreparatie fiscale eenheid ingediend

Wetsvoorstel spoedreparatie fiscale eenheid ingediend

Een in Nederland gevestigde vennootschap, die ten minste 95% van de aandelen houdt in een andere in Nederland gevestigde vennootschap, kan op verzoek met die dochtervennootschap een fiscale eenheid vormen. Na de vorming van een fiscale eenheid is alleen de moedervennootschap belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting, voor de geconsolideerde winst. Door de consolidatie zijn interne transacties fiscaal onzichtbaar. In bepaalde gevallen leidt de regeling van de fiscale eenheid tot een gunstigere fiscale behandeling dan wanneer er geen fiscale eenheid zou zijn. Het Hof van Justitie EU heeft de situatie van een grensoverschrijdend concern vergeleken met de situatie van een Nederlands concern. Het grensoverschrijdende concern kon geen gebruik maken van de regeling voor de fiscale eenheid en kreeg daardoor te maken met de renteaftrekbeperking die winstdrainage tegengaat. Binnen een fiscale eenheid is deze aftrekbeperking niet van toepassing. Volgens het Hof van Justitie EU is dit verschil in behandeling niet verenigbaar met de Europeesrechtelijke vrijheid van vestiging. Als gevolg van het arrest van het Hof van Justitie EU heeft het kabinet reparatiemaatregelen aangekondigd. Het wetsvoorstel met de aangekondigde maatregelen is nu ingediend bij de Tweede Kamer. Het wetsvoorstel komt erop neer dat niet bepaalde voordelen van de fiscale eenheid worden toegekend aan het grensoverschrijdende concern, maar dat deze voordelen worden onthouden aan fiscale eenheden. Dit betekent dat een aantal wettelijke bepalingen moet worden toegepast alsof er geen fiscale eenheid is. Het wetsvoorstel kent terugwerkende kracht tot 25 oktober 2017 om 11.00 uur. Op dat tijdstip is een persbericht uitgegaan waarin de reparatie is aangekondigd. Naast de toepassing van de renteaftrekbeperking ter voorkoming van winstdrainage gaat het om onderdelen van de deelnemingsvrijstelling, de renteaftrekbeperking voor bovenmatige deelnemingsrente en de verliesverrekening bij wijziging van het belang. Door de voorgestelde wetswijziging komen bepaalde interne transacties ondanks het bestaan van een fiscale eenheid toch tot uitdrukking in de winst. De bepaling van de winst gebeurt ten dele alsof de moeder- en dochtermaatschappij(en) zelfstandig belastingplichtig zijn. Een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting wordt door de voorgestelde maatregelen op dezelfde wijze behandeld als een grensoverschrijdend concern. Renteaftrekbeperking tegen winstdrainageDe renteaftrekbeperking tegen winstdrainage moet worden toegepast alsof de maatschappijen van de fiscale eenheid zelfstandig belastingplichtig zijn. Dat geldt ook voor op 25 oktober 2017 om 11.00 uur bestaande situaties. De in beginsel niet aftrekbare rente op grond van de aftrekbeperking wordt gesplitst in een deel dat betrekking heeft op de periode voor 25 oktober 2017 en een deel dat betrekking heeft op de periode die is aangevangen op 25 oktober 2017. Alleen het laatste deel is niet aftrekbaar voor zover het gaat om fiscale eenheden. De renteaftrekbeperking is niet van toepassing op de periode vóór 25 oktober 2017.De renteaftrekbeperking ter voorkoming van winstdrainage kent twee tegenbewijsregelingen. Deze gelden uiteraard ook voor de fiscale eenheid. Door binnen concern te reorganiseren of door omzetting van de vordering in aandelenkapitaal kan de renteaftrekbeperking worden voorkomen. Renteaftrekbeperking bovenmatige deelnemingsrenteOok de renteaftrekbeperking voor bovenmatige deelnemingsrente moet worden toegepast alsof de maatschappijen van de fiscale eenheid zelfstandig belastingplichtig zijn en zonder beperking in de tijd. De rente is niet aftrekbaar voor zover deze uitkomt boven een bedrag van € 750.000. De door toepassing van deze bepaling in beginsel niet-aftrekbare rente is alleen niet aftrekbaar voor zover deze is toe te rekenen aan de periode die is aangevangen op 25 oktober 2017. Verliesverrekening bij wijziging van het belangDe regeling van de verliesverrekening bij wijziging van het belang is bedoeld om de handel in verliesvennootschappen tegen te gaan. Dat gebeurt door de verrekening van verliezen rond het tijdstip van wijziging van het belang in de vennootschap te beperken. Door deze regeling toe te passen als ware er geen fiscale eenheid kunnen verliezen van een maatschappij, die zijn geleden voor een belangrijke wijziging in de aandelenverhouding, niet worden verrekend met later behaalde winst van deze maatschappij. Niet-kwalificerende beleggingsdeelnemingDe deelnemingsvrijstelling is niet van toepassing op een zogenoemde niet-kwalificerende beleggingsdeelneming. Door de wijziging van de regeling van de fiscale eenheid gaat deze uitzondering ook gelden binnen een fiscale eenheid. Dat betekent verplichte herwaardering voor een dochtermaatschappij die aan de voorwaarden voldoet, met een hogere winst voor de fiscale eenheid als gevolg. Voor deze wijziging geldt geen terugwerkende kracht, omdat de wijziging niet was aangekondigd in het persbericht. InnovatieboxVoor immateriële activa, die vóór 1 juli 2016 zijn voortgebracht en waarvoor is gekozen voor toepassing van de innovatiebox, geldt dat de voordelen uit die immateriële activa in aanmerking worden genomen voor 5/H gedeelte. H staat voor het percentage van het hoogste tarief van de vennootschapsbelasting voor het jaar waarin het voordeel is genoten. Voor andere immateriële activa geldt vanaf 1 januari 2018 dat de voordelen in aanmerking worden genomen voor 7/H gedeelte. Het verschil in effectief tarief wordt met terugwerkende kracht tot en met 1 maart 2018 opgeheven. ... lees meer

07-06-2018
Belastingdienst niet klaar voor AVG

Belastingdienst niet klaar voor AVG

Op 25 mei 2018 is de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) van kracht geworden. De AVG geldt voor bedrijven, instellingen en ook voor de overheid. Volgens de staatssecretaris van Financiën duurt het nog een jaar voordat de Belastingdienst kan voldoen aan de eisen van de AVG. Dat zegt hij in antwoord op Kamervragen. Wel heeft de Belastingdienst inmiddels een register van verwerkingsactiviteiten aangelegd waarin alle verwerkingen zijn opgenomen. Volgens de staatssecretaris is gewaarborgd dat wijzigingen in verwerkingen en nieuwe verwerkingen worden opgenomen in het register. Op de website van de Belastingdienst is een overzicht van verwerkingen van persoonsgegevens te vinden. Voor een aantal verwerkingen is onvoldoende wettelijke grondslag. Hiervoor wordt een wettelijke grondslag voorbereid of worden alternatieven uitgewerkt. Waar vaststaat dat de grondslag ontbreekt, is de verwerking van de gegevens gestaakt. De Belastingdienst heeft een aantal applicaties waarin gegevens zijn samengebracht voor gebruik in toezichts- en bedrijfsvoeringsprocessen. Deze applicaties worden aangepast of vervangen omdat zij op het punt van gegevensbeperking en toegang tot gegevens niet aan de eisen van de AVG voldoen. Ook heeft de Belastingdienst achterstanden bij het schonen van gegevensbestanden. De Belastingdienst beoordeelt beveiligingsincidenten waarbij mogelijk persoonsgegevens verloren zijn gegaan of waarbij mogelijk onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens plaatsvindt. In 2017 zijn 1.275 meldingen geregistreerd, waarvan er na beoordeling 225 zijn doorgestuurd naar de AP. In 84 gevallen zijn ook de betrokkenen geïnformeerd omdat die incidenten mogelijk een hoog risico inhielden voor hun rechten en vrijheden. ... lees meer

07-06-2018
Bevriezing eigen risico zorgverzekering tot en met 2021

Bevriezing eigen risico zorgverzekering tot en met 2021

Bij de Tweede Kamer is een wetsvoorstel tot wijziging van de Zorgverzekeringswet in behandeling. De strekking van het wetsvoorstel is dat het verplichte eigen risico voor de zorgverzekering tot en met het jaar 2021 gelijk blijft aan het huidige bedrag van de € 385. De minister voor Medische Zorg en Sport heeft de nota naar aanleiding van het verslag inzake dit wetsvoorstel naar de Tweede Kamer gestuurd. Vanaf 2022 wordt het verplicht eigen risico weer volgens de gebruikelijke systematiek geïndexeerd. Dit betekent dat het eigen risico zal worden geïndexeerd, afhankelijk van de ontwikkeling van de zorgkosten ten opzichte van het voorgaande jaar. Daarbij zal geen sprake zijn van een inhaalslag door een vergelijking te maken met de zorgkosten in 2017. De minister wijst op het belang van afronding van de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel uiterlijk in september, in verband met de toekenning van de vereveningsbijdrage in oktober 2018 en de bekendmaking van de nominale premie voor 12 november 2018. ... lees meer

07-06-2018
Scholingsuitgaven

Scholingsuitgaven

Scholingsuitgaven zijn onder voorwaarden aftrekbaar, voor zover het totaal van de uitgaven hoger is dan een drempel van € 500. Scholingsuitgaven zijn uitgaven die worden gedaan voor het volgen van een opleiding of een studie, met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning. Voor aftrek is vereist dat de uitgaven in direct verband staan met het leertraject. Ter behoud van de geldigheid van zijn vliegbrevet volgde een belastingplichtige in 2012 een opleidingsprogramma. Voor de opleiding betaalde hij een bedrag aan kosten, inclusief de kosten van een medische keuring. De belastingplichtige bracht alle kosten, verminderd met de drempel, in aftrek in zijn aangifte. De medische keuring was een vereiste om een lesvlucht uit te kunnen voeren, die noodzakelijk was voor het behouden van de geldigheid van het vliegbrevet. Desondanks zijn de kosten van de medische keuring niet aan te merken als uitgaven die direct verband houden met een leertraject. Dat deel van de kosten kwam niet in aanmerking voor aftrek. ... lees meer

07-06-2018
Bekendmaking uitspraak op bezwaar moet per post

Bekendmaking uitspraak op bezwaar moet per post

Op 1 november 2015 is de Wet elektronisch berichtenverkeer Belastingdienst in werking getreden. Sindsdien geldt in afwijking van de Algemene wet bestuursrecht dat berichten tussen belastingplichtigen en de inspecteur uitsluitend elektronisch worden verzonden. Wel kunnen bij ministeriële regeling berichten worden aangewezen die op andere wijze worden verzonden. Van deze mogelijkheid is in de Regeling elektronisch berichtenverkeer Belastingdienst gebruik gemaakt door alle berichten in verband met bezwaar, beslissingen op bezwaar betreffende alle aanslagen en voor bezwaar vatbare beschikkingen uit te zonderen van het verplichte elektronische berichtenverkeer. Dit heeft tot gevolg dat de verzending in elk geval per post moet plaatsvinden. Volgens de Hoge Raad moet omwille van de rechtszekerheid worden aangenomen dat een uitspraak op bezwaar op de voorgeschreven wijze wordt bekendgemaakt door verzending per post. De beroepstermijn van zes weken vangt op dat moment aan en niet op het moment waarop de uitspraak elektronisch is verzonden. ... lees meer

31-05-2018
Beperking toepassing non-concurrentiebeding

Beperking toepassing non-concurrentiebeding

Een detacheringsbureau in de financiële sector had in de arbeidscontracten met haar werknemers een non-concurrentiebeding opgenomen. Op grond van dat beding was het een werknemer verboden na uitdiensttreding gedurende zes maanden te werken voor concurrerende detacheerders. Op overtreding van het beding stond een boete. Een voormalige werknemer van de detacheerder trad op 1 april 2018 in dienst bij een directe concurrent. De vroegere werkgever spande een kort geding aan om naleving van het non-concurrentiebeding af te dwingen. De voormalige werknemer werd op dat moment nog niet gedetacheerd bij een opdrachtgever. De kantonrechter stelde vast, dat aan de formele eisen die aan een non-concurrentiebeding worden gesteld was voldaan. Het concurrentiebeding was schriftelijk overeengekomen met een meerderjarige werknemer. De werknemer werd door het non-concurrentiebeding niet onredelijk beperkt in zijn vrije arbeidskeuze, omdat het ondanks de ruime bewoordingen bedoeld was om te voorkomen dat hij bij een andere detacheerder in de financiële sector zou gaan werken. Bij de overstap naar een andere werkgever dan een dergelijke detacheerder zou de werknemer niet aan het beding worden gehouden. De kantonrechter maakte een afweging van het belang van de werkgever bij handhaving van het non-concurrentiebeding en het belang van de werknemer bij een vrije arbeidskeuze. Deze afweging viel uit in het voordeel van de werkgever. Wel vond de kantonrechter dat de werkgever onvoldoende aannemelijk had gemaakt waarom het beding gedurende zes maanden moest gelden. De kantonrechter beperkte de duur van het non-concurrentiebeding tot drie maanden, dus geldend tot en met 30 juni 2018. Omdat de kantonrechter vond dat de oude werkgever alleen in zijn belangen werd geschaad wanneer de werknemer gedetacheerd zou worden, stond hij de werknemer toe om intern werkzaam te zijn voor zijn nieuwe werkgever. ... lees meer

31-05-2018
De bedrijfsbbq en de WKR: hoe zit dat?

De bedrijfsbbq en de WKR: hoe zit dat?

De zomer nadert en daarmee staat de vakantieperiode weer voor de deur. Ter afsluiting van de voorjaarsperiode organiseren werkgevers bij wijze van personeelsuitje vaak een bedrijfsbarbecue. Zoals dat geldt voor alle vergoedingen en verstrekkingen is de werkkostenregeling (WKR) hierop van toepassing. Volgens de WKR kunnen dat werkgevers hun personeelsleden tot 1,2% van de totale loonsom onbelaste vergoedingen en verstrekkingen geven. WerkkostenregelingVergoedingen en verstrekkingen worden in beginsel fiscaal aangemerkt als loon. Voorbeelden van verstrekkingen zijn bedrijfsuitjes, een kerstpakket en een fiets van de zaak. De kosten daarvan vallen onder de WKR en zijn belastingvrij, als ze door de werkgever daartoe zijn aangewezen en zij in totaal de vrije ruimte van 1,2% van de loonsom niet overschrijden. Overschrijden de kosten de vrije ruimte, dan moet de werkgever een eindheffing van 80% betalen over het bedrag van de overschrijding. Er zijn vergoedingen en verstrekkingen waarvan de waarde op nul wordt gesteld, de zogeheten nihilwaardering. Die vergoedingen en verstrekkingen kunnen dus belastingvrij worden gedaan zonder dat zij invloed hebben op de vrije ruimte. Bedrijfsbbq op de werkplekOrganiseert u de bedrijfsbbq op de werkplek, dan zijn de kosten van hapjes en drankjes onbelast omdat daarvoor een nihilwaardering geldt. Maaltijden vallen niet onder een nihilwaardering. Voor maaltijden op de werkplek geldt een vaste waardering van € 3,35. Dat bedrag vormt loon voor uw werknemers. U kunt dit loon aanwijzen als eindheffingsloon, waardoor het ten koste gaat van de vrije ruimte. Bedrijfsbbq eldersOrganiseert u de barbecue buiten kantoor of bedrijf dan zijn de nihilwaardering en de vaste waardering voor maaltijden niet van toepassing. De kosten van de hapjes en de drankjes kunnen dan ten laste van de vrije ruimte worden gebracht, voor zover die nog niet is gebruikt. Overschrijdt het totaal van de kosten de vrije ruimte, dan krijgt u te maken met de eindheffing van 80% over het bedrag van de overschrijding. ... lees meer

30-05-2018
Compensatieregeling vrouwelijke zelfstandigen

Compensatieregeling vrouwelijke zelfstandigen

Een bepaalde groep zelfstandigen heeft alsnog recht op financiële compensatie voor hun zwangerschaps- en bevallingsverlof. Deze regeling geldt voor vrouwelijke zelfstandigen, beroepsbeoefenaren en meewerkende echtgenoten, die zijn bevallen in de periode tussen 7 mei 2005 en 4 juni 2008. De compensatie kan tussen 15 mei en 1 oktober 2018 aangevraagd worden bij het UWV. De hoogte van de compensatie bedraagt 90% van het wettelijk minimumloon 2017 per dag inclusief vakantiebijslag en wordt berekend over 80 dagen. Dat komt neer op een bedrag van € 5.600. Voor 7 mei 2005 konden vrouwelijke zelfstandigen een beroep doen op de Wet Arbeidsongeschiktheidsverzekering voor Zelfstandigen (WAZ). Met ingang van 4 juni 2008 is de Wet zwangerschaps- en bevallingsuitkering zelfstandigen (Wet ZEZ) van kracht. In de tussenliggende periode hadden zelfstandigen geen recht op een uitkering tijdens zwangerschaps- en bevallingsverlof. Dat is volgens de Centrale Raad van Beroep in strijd met het VN-Vrouwenverdrag. Daarom heeft de minister van Sociale Zaken alsnog een compensatieregeling opgesteld. Vrouwelijke zelfstandigen, die in aanmerking denken te komen voor deze regeling, zullen zelf actie moeten ondernemen. Het UWV zal de doelgroep niet benaderen. Het aanmeldingsformulier is te vinden op de website van het UWV. De uitbetaling zal in het eerste kwartaal van 2019 plaatsvinden. ... lees meer

24-05-2018
Non-concurrentiebeding

Non-concurrentiebeding

Een non-concurrentiebeding wordt in de praktijk vaak concurrentiebeding genoemd. Feitelijk is dat niet juist, want de bedoeling van het beding is de werknemer te verbieden om na het einde van zijn contract soortgelijke werkzaamheden uit te oefenen bij een ander bedrijf of als ondernemer. Een non-concurrentiebeding moet schriftelijk worden aangegaan. Het meest eenvoudig is om het beding in de arbeidsovereenkomst op te nemen, maar het kan ook afzonderlijk overeen worden gekomen. Een niet schriftelijk concurrentiebeding is ongeldig. Het is niet toegestaan om in een tijdelijk contract een concurrentiebeding op te nemen. Op deze regel geldt echter een uitzondering. Wanneer de werkgever kan aantonen dat sprake is van zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen, mag er toch een concurrentiebeding worden aangegaan. Er moet dan wel schriftelijk worden uitgelegd waarom sprake is van een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang. Ontbreekt deze uitleg, dan is het beding niet geldig. ... lees meer

24-05-2018
Berekening buitenlandbijdrage Zvw

Berekening buitenlandbijdrage Zvw

EG-verordeningen inzake de sociale zekerheid bepalen dat in beginsel slechts één wetgeving van toepassing is. Volgens deze verordeningen heeft een in België wonende gepensioneerde met een pensioen uit Nederland recht op zorg in België ten laste van Nederland. Nederland heft in verband daarmee op grond van de Zorgverzekeringswet een buitenlandbijdrage. Deze wordt ingehouden op Nederlandse pensioenen van een in het buitenland wonende pensioengerechtigde. De vraag in een procedure voor de Centrale Raad van Beroep was of de buitenlandbijdrage beperkt moet zijn tot de AOW-uitkering of ook mag worden berekend over een aanvullend pensioen. De belanghebbende in de procedure beriep zich op een arrest van het Hof van Justitie EU. Dat arrest had betrekking op een inwoner van Ierland met twee aanvullende pensioenen van een Belgische werkgever, die geen wettelijk pensioen uit een lidstaat van de EU ontving. Volgens het Hof van Justitie EU was alleen de Ierse wetgeving van toepassing en mocht België geen sociale bijdragen inhouden op de pensioenen. De Centrale Raad van Beroep is van oordeel dat dit arrest niet van toepassing is op iemand die in het buitenland woont en een wettelijk pensioen en een aanvullend pensioen uit Nederland ontvangt. Nederland is in dit geval bevoegd om een bijdrage te heffen en te innen. Op welke wijze de berekening van deze bijdrage plaatsvindt, is door de EG-verordeningen niet geregeld maar wordt overgelaten aan de nationale wetgeving. In de rechtspraak van het Hof van Justitie EU zijn geen aanknopingspunten te vinden dat Nederland de buitenlandbijdrage niet over aanvullende pensioenen zou mogen berekenen. ... lees meer

24-05-2018
Verzuimboete

Verzuimboete

Om een verzuimboete op te leggen is voldoende dat sprake is van een verzuim. Schuld of verwijtbaarheid van de zijde van de persoon aan wie de boete wordt opgelegd is niet vereist. Alleen bij afwezigheid van alle schuld of bij een pleitbaar standpunt wordt geen verzuimboete opgelegd. Een procedure voor Hof Arnhem-Leeuwarden had betrekking op een verzuimboete. Deze was aan een ondernemer opgelegd omdat hij omzetbelasting die op aangifte moest worden voldaan niet op tijd had betaald. Het niet of te laat betalen van (een deel van) de aangegeven omzetbelasting is een verzuim. De ondernemer meende dat geen sprake was van een verzuim, omdat hij de te betalen omzetbelasting had verrekend met een verwachte teruggaaf over een ander tijdvak. Het hof honoreerde deze vorm van eigenmachtig optreden van de ondernemer niet met het vernietigen van de boete. In plaats van zelf tot verrekening over te gaan had de ondernemer bij de inspecteur een verzoek om uitstel van betaling kunnen doen in, afwachting van verrekening met een belastingteruggaaf. In dit geval had de ondernemer geen verzoek om uitstel van betaling gedaan, maar had hij de inspecteur medegedeeld dat hij tot verrekening van diverse bedragen was overgegaan. Deze handelwijze leidt niet tot afwezigheid van alle schuld. Ook is geen sprake van een pleitbaar standpunt. Daarom is de verzuimboete terecht opgelegd. ... lees meer

17-05-2018
Gebruikelijk loon

Gebruikelijk loon

De gebruikelijk-loonregeling is van toepassing op werknemers, die een aanmerkelijk belang hebben in de vennootschap waarvoor zij werken. Iemand heeft een aanmerkelijk belang in een vennootschap wanneer hij, alleen of met zijn fiscale partner: 5% of meer van de aandelen heeft; het recht heeft om 5% of meer van de aandelen in een vennootschap te kopen; winstbewijzen heeft die recht geven op 5% of meer van de jaarwinst van een vennootschap; 5% of meer van het stemrecht in de algemene vergadering van een coöperatie of een vereniging op coöperatieve grondslag bezit. De gebruikelijk-loonregeling houdt in, dat de aanmerkelijkbelanghouder een loon krijgt dat gebruikelijk is voor het niveau en de omvang van zijn werkzaamheden. De regeling geldt overigens ook voor de fiscale partner van de aanmerkelijkbelanghouder indien deze werkzaamheden voor de vennootschap verricht. De gebruikelijk-loonregeling bepaalt hoe hoog het loon van de aanmerkelijkbelanghouder minimaal moet zijn. Dit loon is het hoogste van de volgende bedragen: 75% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking; het loon van de meestverdienende werknemer van de vennootschap of van een verbonden vennootschap; € 45.000. Door de vergelijking te maken met het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking hoeft niet gekeken te worden naar het loon van werknemers die precies hetzelfde werk doen. Zo kan het gebruikelijk loon van een orthodontist worden vastgesteld op basis van het loon van een tandarts in loondienst. Een verbonden vennootschap is: een vennootschap waarin de werkgever een belang van ten minste 1/3 gedeelte heeft, of die een dergelijk belang in de werkgever heeft, of een vennootschap waarin een derde partij een belang van ten minste 1/3 gedeelte heeft, terwijl deze derde partij een dergelijk belang in de werkgever heeft. Het loon mag op een lager bedrag worden vastgesteld als: Aannemelijk is dat het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking lager is dan € 45.000. Het gebruikelijk loon bedraagt dan 100% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking. Aannemelijk is dat 75% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking lager is dan het loon van de meestverdienende werknemer in dienst van de werkgever of van een verbonden lichaam. Het gebruikelijk loon bedraagt dan 75% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking, maar ten minste € 45.000. De Belastingdienst kan het tegenbewijs leveren om een hoger loon aannemelijk te maken. De gebruikelijk-loonregeling geldt voor iedere vennootschap waarin de werknemer een aanmerkelijk belang heeft en waarvoor hij werkzaamheden verricht. VoorbeeldEen concern bestaat uit een moedermaatschappij en een dochtermaatschappij. De moedermaatschappij heeft alle aandelen in de dochtermaatschappij. De aandelen van de moedermaatschappij zijn in handen van de directeur-grootaandeelhouder (dga). De dga werkt voor de moedermaatschappij en voor de dochtermaatschappij. Omdat hij in beide vennootschappen een aanmerkelijk belang heeft, geldt bij beide vennootschappen de gebruikelijk-loonregeling. Het gebruikelijk loon is het loon inclusief de bijtelling voor het privégebruik van een auto van de zaak. Ingehouden pensioenpremie behoort niet tot het loon. Ook het gebruik van gerichte vrijstellingen in de werkkostenregeling heeft gevolgen voor het gebruikelijk loon. De gebruikelijk-loonregeling geldt ook voor de werknemersverzekeringen, tenzij de werknemer een dga is. Een dga is niet (altijd) verzekerd voor de werknemersverzekeringen. Iemand geldt als dga als hij: zelf over zijn ontslag kan beslissen of niet tegen zijn wil ontslagen kan worden; zelf, of samen met zijn echtgenoot en met zijn familieleden tot en met de derde graad, aandelen heeft die ten minste 2/3 deel van de stemmen vertegenwoordigen, zodat hij (samen met zijn familieleden) over zijn ontslag kan beslissen of niet tegen zijn wil ontslagen kan worden; samen met de andere bestuurders alle aandelen in de vennootschap heeft en ieder een gelijk deel van het kapitaal in handen heeft; via een rechtspersoon waarvan hij de bestuurder is of waarin hij aandelen houdt, zoveel invloed in de vennootschap heeft dat hij over zijn ontslag kan beslissen of niet tegen zijn wil ontslagen kan worden. Voor al deze situaties geldt dat de bestuurder zelf direct of indirect aandelen in de vennootschap moet hebben. Met bestuurder wordt de statutair bestuurder bedoeld. Is dat een rechtspersoon, dan wordt degene die het bestuurswerk uitvoert als bestuurder gezien. Start-upsVoor aanmerkelijkbelanghouders die werken voor een start-up geldt een versoepeld regime. Gedurende maximaal drie jaar mag het wettelijk minimumloon of een lager loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking als gebruikelijk loon worden aangehouden. Om als start-up aangemerkt te worden moet de vennootschap voldoen aan de volgende voorwaarden: zij beschikt in het kalenderjaar over een S&O-verklaring; zij heeft recht op het verhoogde starterspercentage; zij komt niet uit boven het "de minimis-plafond" inzake staatssteun van het Europese Verdrag. Fictief loonDe vennootschap kan de aanmerkelijkbelanghouder een lager loon betalen dan gebruikelijk is voor zijn werk. Het verschil tussen het gebruikelijke en het uitbetaalde loon moet als fictief loon in de loonadministratie verwerkt worden. De loonheffingen moeten over het gehele gebruikelijke loon, dus inclusief het fictieve loon, berekend worden. Betaalt de vennootschap helemaal geen loon uit aan de aanmerkelijkbelanghouder, dan is het gebruikelijke loon in zijn geheel fictief loon. Gebruikelijk loon € 5.000 of lagerKrijgt een aanmerkelijkbelanghouder geen loon en is de omvang van zijn werkzaamheden zo gering dat een daarvoor gebruikelijk loon niet hoger dan € 5.000, dan hoeft de vennootschap geen loonheffingen over dat loon te betalen. De fictief-loonregeling geldt in deze gevallen niet. De grens van € 5.000 geldt overigens voor alle werkzaamheden die de aanmerkelijkbelanghouder verricht voor de groep van bedrijven waarin hij een aanmerkelijk belang heeft.Betaalt de vennootschap wel loon aan de aanmerkelijkbelanghouder, dan moet zij wel loonheffingen betalen, ook al is het uitbetaalde loon lager dan € 5.000. ... lees meer

17-05-2018
Aanpak van belastingontwijking en -ontduiking

Aanpak van belastingontwijking en -ontduiking

De vaste commissie voor Financiën van de Eerste Kamer heeft vragen gesteld aan de staatssecretaris over zijn brief inzake de aanpak van belastingontwijking en belastingontduiking. De eerste Europese Anti-Tax Avoidance Richtlijn (ATAD1) verplicht de lidstaten van de EU om maatregelen te nemen tegen uitholling van de belastinggrondslag in de vennootschapsbelasting. Het kabinet kiest voor een maatregel die de aftrek van rente beperkt voor bedrijven met een overschot aan vreemd vermogen. Dat moet leiden tot een meer gelijke behandeling van eigen en vreemd vermogen in de vennootschapsbelasting. De (onbegrensde) aftrekbaarheid van rente stimuleert het financieren van ondernemingsactiviteiten met vreemd vermogen. Om dit tegen te gaan wil het kabinet geen uitzondering voor financieringen in groepsverband opnemen. Het kabinet is geen voorstander van het aanbrengen van een onderscheid tussen het financieren met leningen van derden en leningen van groepsmaatschappijen. De maatregel treedt in werking als het per saldo verschuldigde bedrag aan rente meer bedraagt dan € 1 miljoen. Er komt geen eerbiedigende werking voor bestaande leningen. Het invoeren van deze generieke renteaftrekbeperking schept de ruimte voor het afschaffen van enkele bestaande specifieke renteaftrekbeperkingen. Dat betreft in ieder geval de aftrekbeperking voor bovenmatige overnamerente. Deze overnameholdingbepaling zal met ingang van 1 januari 2019 vervallen. In het Belastingplan 2019 zal worden aangegeven welke andere renteaftrekbeperkingen zullen worden afgeschaft. In het regeerakkoord is opgenomen dat de renteaftrekbeperking, die winstdrainage tegengaat, blijft bestaan. ... lees meer

17-05-2018
Aanzegverplichting

Aanzegverplichting

Bij een tijdelijk arbeidscontract voor een duur van zes maanden of langer geldt de aanzegverplichting. Deze verplichting houdt in dat de werkgever tijdig moet aangeven of hij de overeenkomst na afloop wel of niet wil voortzetten. Dit moet schriftelijk gebeuren en wel uiterlijk 1 maand voor het einde van het contract. Als de werkgever de overeenkomst wil voortzetten moet hij aangeven onder welke voorwaarden dat gebeurt. De werkgever voldoet overigens al aan de aanzegverplichting als hij bij de aanvang van de arbeidsovereenkomst schriftelijk laat weten dat er geen opvolgend contract zal komen. De aanzegtermijn geldt niet als een uitzendbeding in de arbeidsovereenkomst is opgenomen. Gevolgen niet nakomen aanzegverplichtingLaat de werkgever niet weten of de arbeidsovereenkomst wel of niet wordt voortgezet, dan is hij de werknemer een vergoeding van 1 maandsalaris verschuldigd. Voldoet de werkgever te laat aan de aanzegverplichting, dan is hij een evenredige vergoeding verschuldigd. Is de werkgever een week te laat met het voldoen aan zijn verplichting, dan bedraagt de vergoeding waar de werknemer recht op heeft een weeksalaris.De werkgever is geen vergoeding wegens het niet of te laat nakomen van de aanzegverplichting verschuldigd in de volgende situaties: faillissement; uitstel van betaling; toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen. ... lees meer

17-05-2018
Aftrek voorbelasting op kosten strategische overname

Aftrek voorbelasting op kosten strategische overname

Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie EU verricht een zuivere holdingmaatschappij geen economische activiteiten voor de omzetbelasting. Dat heeft tot gevolg dat een holding geen recht heeft op aftrek van voorbelasting. Een zuivere holding heeft geen andere activiteiten dan het verwerven en aanhouden van deelnemingen. Volgens het Hof van Justitie EU hebben ondernemers recht op aftrek van voorbelasting op mislukte investeringen. Aan het Hof van Justitie EU zijn vragen gesteld over het recht op aftrek van voorbelasting die betrekking heeft op kosten van een mislukte strategische overname van een concurrent door een ondernemer. De ondernemer was geen zuivere holdingmaatschappij. De vraag is of de beperking van aftrek van voorbelasting, zoals die uit de holdingjurisprudentie van het Hof van Justitie EU volgt, in een dergelijk geval van toepassing is. De conclusie van de Advocaat-generaal is dat er geen beperking van het recht op aftrek van voorbelasting dient te gelden. Volgens de conclusie is de verwerving van aandelen in een vennootschap een economische activiteit als de verwerving wordt gedaan ter uitbreiding van de belastbare activiteiten van de verkrijgende vennootschap. De kosten die de verkrijgende vennootschap in dat verband heeft gemaakt, staan in rechtstreeks en onmiddellijk verband met de belastbare activiteiten, zodat de daarover betaalde omzetbelasting in aanmerking komt voor aftrek als voorbelasting. ... lees meer

09-05-2018
Ketenregeling arbeidsrecht

Ketenregeling arbeidsrecht

De ketenregeling in het arbeidsrecht houdt in dat van rechtswege een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ontstaat na meer dan drie opvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd of na opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor een totale duur van meer dan 24 maanden, inclusief eventuele tussenliggende perioden waarin niet is gewerkt voor dezelfde werkgever. Een werknemer ontving na drie arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd een nieuwe arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd op naam van een andere werkgever. Feitelijk veranderde er niets: de werkzaamheden, de werktijden, aansturing, het loon en de naam op de loonstrookjes bleven hetzelfde. De werknemer was chauffeur en bleef ondanks de wijziging van werkgever in dezelfde vrachtwagen rijden. Kort voor het contractuele einde van de laatste arbeidsovereenkomst werd de werknemer ziek. De werkgever deelde daarop mee dat de arbeidsovereenkomst niet werd verlengd. De kantonrechter moest eraan te pas komen om de werkgever duidelijk te maken dat inmiddels sprake was van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. ... lees meer

09-05-2018
Kwalificatie eigen woning

Kwalificatie eigen woning

Vermogensbestanddelen van een particulier vallen in beginsel in box 3 van de inkomstenbelasting. Er geldt een uitzondering voor de eigen woning. Deze valt in box 1. De inkomsten uit de eigen woning bestaan uit een percentage van de WOZ-waarde van de woning, verminderd met aftrekbare kosten zoals de betaalde rente van de financiering van de woning. De Wet IB 2001 stelt als voorwaarde voor de kwalificatie als eigen woning dat de woning aan de belastingplichtige of personen die behoren tot zijn huishouden als hoofdverblijf ter beschikking staat. Een woning behoudt de kwalificatie eigen woning tijdens een periode van leegstand als de woning in het kalenderjaar of in een van de voorafgaande drie jaren een eigen woning was en de woning bestemd is voor verkoop. Op verzoek van een belastingplichtige kan een woning, die ten minste een jaar de eigen woning is geweest, maar die tijdelijk niet als hoofdverblijf dient, als eigen woning worden aangemerkt. Daarvoor gelden als voorwaarden dat de woning in die periode niet aan derden ter beschikking is gesteld en dat de belastingplichtige geen andere eigen woning heeft. De voorwaarde dat de woning niet aan derden ter beschikking wordt gesteld, houdt in dat de woning niet wordt verhuurd en dat niet wordt gedoogd dat derden de woning gebruiken. Wel is toegestaan dat een kraakwacht in de woning verblijft. Wanneer niet aan de voorwaarden is voldaan en dus geen sprake is van een eigen woning, gaan de woning en de daarop betrekking hebbende financieringsschuld naar box 3. Het gevolg daarvan is dat de betaalde rente niet langer aftrekbaar is van het inkomen in box 1. Het is belangrijk om u daarvan bewust te zijn. Recent zijn in de rechtspraak hiervan enkele voorbeelden aan de orde geweest. VoorbeeldenHet eerste voorbeeld betrof een echtpaar, dat in verband met de uitzending voor het werk naar het buitenland de eigen woning in Nederland verliet. De woning werd te koop gezet. In afwachting van verkoop stond het echtpaar toe dat een recent gescheiden vriendin met haar kinderen de woning bewoonde. In ruil daarvoor zou de vriendin het huis netjes houden en potentiële kopers toegang verlenen tot de woning. Tijdens de periode van uitzending werd de woning niet verkocht. Toen het echtpaar terugkeerde naar Nederland verliet de vriendin op verzoek van het echtpaar de woning. Naar het oordeel van het gerechtshof was de vriendin geen kraakwacht. Zij had voor eigen gebruik de beschikking over de gehele woning. Het echtpaar had geen voorbehoud met betrekking tot gebruik van gedeelten van de woning gemaakt en heeft in de periode van uitzending ook geen gebruik van de woning gemaakt. Naar het oordeel van het hof was de woning aan een derde ter beschikking gesteld en stond deze niet leeg in afwachting van verkoop. Er was daarom geen sprake van een eigen woning in fiscale zin. Het tweede voorbeeld betrof het gebruik van een woning door een neef van de belastingplichtige tijdens diens verblijf in het buitenland. De neef was student en studeerde in de woonplaats van de belastingplichtige. Wanneer hij in verband met zijn studie in de buurt moest zijn, logeerde de neef in de woning van de belastingplichtige. Volgens het gerechtshof behoorde de neef niet tot het huishouden van de belastingplichtige en moest de neef dus worden aangemerkt als een derde. Het hof vond van belang dat de neef toestemming had voor het gebruik van de woning en dat sprake was van meer dan incidenteel logeren. Dat de neef slechts gebruik maakte van één slaapkamer en van de algemene voorzieningen in de woning wil volgens het hof niet zeggen dat de woning niet aan derden ter beschikking werd gesteld. Ook in dit geval geen sprake van een eigen woning in fiscale zin. ... lees meer

09-05-2018
Project hinderbeperking grootschalige wegwerkzaamheden

Project hinderbeperking grootschalige wegwerkzaamheden

De Wet IB 2001 kent een vrijstelling voor vergoedingen die bij grootschalige wegwerkzaamheden worden betaald aan verkeersdeelnemers om de hinder te beperken. De vrijstelling geldt voor deelnemers aan een project hinderbeperking gedurende maximaal twaalf maanden en tot een bedrag van niet meer dan € 200 per maand en € 1.200 per deelnameperiode. De voordelen voor deelnemers kunnen bestaan uit: Geldelijke beloningen, uitgekeerd op de bankrekening. Niet-geldelijke beloningen, zoals cadeaus, tegoedbonnen en spaarsystemen. Vergoedingen voor alternatief vervoer, zoals een ov-budget of ov-kaart. Voor zover de beloning door de werkgever van de deelnemer(s) wordt betaald, is sprake van loon uit dienstbetrekking. Daarvoor geldt deze fiscale vrijstelling niet. Wel kan de vergoeding mogelijk met toepassing van de werkkostenregeling onbelast worden uitbetaald. De minister van Infrastructuur en Waterstaat (I en W) heeft het beleidskader vastgesteld waaraan projecten moeten voldoen om in aanmerking te komen voor de vrijstelling. Een aanvraag moet een omschrijving van de wegwerkzaamheden waaraan het project gekoppeld is, inclusief een planning, een onderbouwing van de verwachte verkeershinder en een inschatting van het aantal personen dat hinder ondervindt van de wegwerkzaamheden omvatten. Voor de aanwijzing van projecten gericht op hinderbeperking geldt een budgettair belang van € 500.000 per jaar aan gederfde belastinginkomsten. Dit komt overeen met € 2.000.000 aan uitgekeerde beloningen aan deelnemers. Aanvragen die aan de gestelde voorwaarden voldoen worden geselecteerd op volgorde van het moment van indienen. Het ministerie van I en W bevestigt schriftelijk of een aanvraag wordt aan- of afgewezen. Bij aanwijzing wordt het project in de Staatscourant gepubliceerd. ... lees meer

03-05-2018
Dienstverlening kinderopvangtoeslag moet verbeteren

Dienstverlening kinderopvangtoeslag moet verbeteren

De kinderopvangtoeslag wordt aanvankelijk als voorschot vastgesteld en uitbetaald. Ouders moeten zelf hun inkomen en het aantal uren opvang dat zij afnemen schatten. Deze schatting bepaalt de hoogte van het voorschot. Pas wanneer de werkelijke inkomensgegevens van ouders bekend zijn wordt de hoogte van de kinderopvangtoeslag definitief vastgesteld. Blijkt het voorschot te hoog te zijn, dan wordt het verschil teruggevorderd. Dat leidt bij een deel van ouders tot financiële problemen, met name bij ouders met lage en wisselende inkomens. Om dergelijke problemen te voorkomen was aanvankelijk bedacht om de toeslag niet meer door de Belastingdienst maar door de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) uit te laten betalen. Het daartoe aangekondigde wetsvoorstel gaat echter niet door. In plaats daarvan kiest het kabinet voor verbetering van de dienstverlening van de Belastingdienst. Door verbetering van de werkwijze van de Belastingdienst kunnen de negatieve effecten van de voorschotsystematiek worden verzacht. Dat moet ertoe leiden dat minder ouders hoge bedragen moeten terugbetalen. Het kabinet verwacht dat de ervaringen met de verbeteringen rond de kinderopvangtoeslag kunnen helpen bij het verbeteren van het systeem rond andere toeslagen. ... lees meer

Ontvang onze nieuwsbrief!

Wilt u ook up-to-date blijven? Laat uw gegevens achter en u ontvangt voortaan iedere maand onze nieuwsbrief!