20-09-2018
Prinsjesdag 2018

Prinsjesdag 2018

Op Prinsjesdag 2018 heeft het kabinet Rutte III zijn eerste eigen Belastingplan gepresenteerd. Waar we vorig jaar vanwege de demissionaire status van Rutte II werden geconfronteerd met een mager Belastingplan, is dit jaar flink uitgepakt. Het Belastingplan 2019 bestaat namelijk uit zeven wetsvoorstellen. Naast het eigenlijke Belastingplan en het wetsvoorstel Overige Fiscale Maatregelen (OFM) 2019 zijn dat: het wetsvoorstel Wet bronbelasting 2020; het wetsvoorstel Fiscale vergroeningsmaatregelen 2019; het wetsvoorstel Wet implementatie artikel 1 richtlijn elektronische handel; het wetsvoorstel Wet modernisering kleineondernemersregeling; en het wetsvoorstel Wet aanpassing kansspelbelasting voor sportweddenschappen. Het Belastingplan 2019 bevat de maatregelen die per 1 januari 2019 budgettair effect hebben. Het wetsvoorstel OFM 2019 bevat maatregelen die geen budgettaire gevolgen hebben. Veel van de daarin opgenomen maatregelen zijn een reactie op jurisprudentie, gericht op de bestrijding van misbruik of een gevolg van Europese regelgeving. Tegelijk met het Belastingplan is het wetsvoorstel implementatie eerste EU-richtlijn antibelastingontwijking ATAD 1 ingediend. Dit wetsvoorstel is geen onderdeel van het pakket Belastingplan, maar hangt wel samen met in het Belastingplan genomen maatregelen. Let op! Het gaat om voorstellen die nog door de Tweede en Eerste Kamer behandeld moeten worden voordat ze in werking treden. Het is dus goed mogelijk dat er wijzigingen worden aangebracht in de voorstellen zoals ze er nu liggen. ... lees meer

20-09-2018
Maatregelen inkomstenbelasting

Maatregelen inkomstenbelasting

Het Belastingplan bevat maatregelen in box 1 van de inkomstenbelasting die moeten bijdragen aan verbetering van de koopkracht en die het lonender moeten maken om (meer) te werken. Het gaat onder andere om: stappen naar het invoeren van een tweeschijvenstelsel; het verhogen van de maximale algemene heffingskorting; het verhogen van de maximale arbeidskorting; de versnelde afbouw van het aftrektarief waartegen aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning in aanmerking worden genomen; de afbouw van het aftrektarief voor een aantal andere grondslagverminderende posten; en het anders vormgeven van de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Tarieven box 1De tarieven in box 1 van de inkomstenbelasting wijzigen. Het tarief in de eerste schijf gaat van 36,55% naar 36,65%. Het tarief in de tweede en derde schijf gaat omlaag van 40,85% naar 38,1%. Voor mensen boven de AOW-leeftijd gaat het tarief in de tweede schijf van 22,95% naar 20,2%. Het tarief in de vierde schijf daalt naar 51,75%. De bovengrens van de derde schijf wordt niet verlengd, waardoor het tarief in de vierde schijf net als in 2018 geldt voor een inkomen boven € 68.507. HeffingskortingenDe heffingskortingen worden eveneens veranderd. Het maximum van de algemene heffingskorting gaat van € 2.265 naar € 2.477 in 2019. Zodra het inkomen de tweede schijf heeft bereikt daalt de heffingskorting sneller dan nu, namelijk met 5,147%. De arbeidskorting gaat omhoog van maximaal € 3.249 naar maximaal € 3.399. Ook hier geldt dat de afbouw sneller gaat, namelijk met 6% vanaf een inkomen van € 34.060. Het hoge bedrag van de ouderenkorting gaat van € 1.418 naar € 1.596. ZW-uitkering en arbeidskorting en IACKVoorgesteld wordt om per 2020 de ZW-uitkering niet mee te laten tellen voor de hoogte van de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK). Het voorstel geldt voor nieuwe uitkeringsgerechtigden die geen werk hebben. Tariefmaatregel aftrekpostenMet ingang van 1 januari 2020 gaat het tarief waartegen aftrekbare kosten voor een eigen woning in aanmerking worden genomen versneld omlaag. Nu is dat 0,5% per jaar, maar dat gaat naar 3% per jaar. In 2023 geldt dan als aftrektarief het tarief van de eerste schijf (dan 37,05%). Dit geldt ook voor de volgende posten: de ondernemersaftrek, bestaande uit de zelfstandigenaftrek, de aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk, de meewerkaftrek, de startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid en de stakingsaftrek; de MKB-winstvrijstelling, mits het gezamenlijke bedrag van de met de ondernemersaftrek verminderde winst positief is; de terbeschikkingstellingsvrijstelling, mits het gezamenlijke bedrag van het resultaat uit werkzaamheden positief is; de persoonsgebonden aftrek, bestaande uit onderhoudsverplichtingen, specifieke zorgkosten, weekenduitgaven voor gehandicapten, scholingsuitgaven, uitgaven voor monumentenpanden, giften, persoonsgebonden aftrek van voorgaande jaren en verliezen op beleggingen in durfkapitaal. De opbrengst wordt gebruikt voor een verlaging van het eigenwoningforfait. Voor woningen met een eigenwoningwaarde van meer dan € 75.000 gaat het forfait in de jaren 2021 tot en met 2023 steeds met 0,05% omlaag. Verlaging EIANaar aanleiding van de in 2018 uitgevoerde evaluatie van de energie-investeringsaftrek (EIA) wordt voorgesteld de aftrek te verlagen van 54,5 naar 45%. Tarief box 2In het regeerakkoord is een verhoging van het tarief van box 2 van 25 naar 28,5% aangekondigd. Omdat in verband met de afschaffing van de dividendbelasting de tarieven in de vennootschapsbelasting minder dalen dan was aangekondigd, wordt de verhoging van het tarief in box 2 beperkt tot 26,9% met ingang van 2021. Daarop vooruitlopend wordt het tarief met ingang van 2020 verhoogd naar 26,25%. Verliesverrekening box 2De voorwaartse verliesverrekening in box 2 wordt verkort van negen naar zes jaar. Aankondiging rekening-courantmaatregelHet kabinet kondigt een maatregel aan die het excessief lenen door een dga van zijn eigen bv tegengaat. Veel dga’s nemen grote bedragen op in rekening-courant met de bv. De Belastingdienst treedt hiertegen op door te stellen dat sprake is van een uitdeling van winst. Dat is voor de Belastingdienst bewerkelijk en tijdrovend. Daarom wil het kabinet de schulden boven een bedrag van € 500.000 aanmerken als inkomen uit aanmerkelijk belang. De aangekondigde maatregel moet op 1 januari 2022 in werking treden. Er komt een overgangsmaatregel voor bestaande eigenwoningschulden aan de eigen bv. Door de vroege aankondiging van de maatregel krijgen dga’s ruim drie jaar de tijd om hun schulden aan de bv te verlagen tot maximaal € 500.000. In 2019 kan dat nog door een dividenduitkering tegen het huidige box 2-tarief van 25% die wordt gebruikt voor de aflossing. ... lees meer

20-09-2018
Maatregelen loonbelasting

Maatregelen loonbelasting

Looptijd 30%-regelingUit het buitenland afkomstige werknemers kunnen onder voorwaarden een belastingvrije vergoeding voor extra kosten van tijdelijk verblijf buiten het land van herkomst van hun werkgever ontvangen. De 30%-regeling biedt werkgevers de mogelijkheid om niet de werkelijke kosten maar een forfaitair bedrag van 30% van het loon onbelast te vergoeden. De looptijd van deze regeling wordt verkort van maximaal acht naar maximaal vijf jaar. Volgens het kabinet is na vijf jaar geen sprake meer van tijdelijk verblijf. De verkorting van de maximale looptijd gaat in per 1 januari 2019 en geldt zowel voor nieuwe als voor bestaande gevallen.Voor bestaande gevallen geldt dat schoolgelden voor internationale scholen ook na de verkorting van de looptijd van de 30%-regeling onbelast kunnen worden vergoed gedurende de resterende oorspronkelijke looptijd. VrijwilligersvergoedingVrijwilligers mogen van de instelling waarvoor zij werkzaam zijn een belastingvrije vergoeding ontvangen van maximaal € 150 per maand en € 1.500 per kalenderjaar. Voorgesteld wordt om deze bedragen met ingang van 1 januari 2019 te verhogen tot € 170 per maand en € 1.700 per kalenderjaar. De in de vrijwilligersregeling gehanteerde bedragen worden geacht ten hoogste de kosten te dekken die een vrijwilliger maakt om zijn vrijwilligerswerk te verrichten. Fiets van de zaakDe waarde van het privévoordeel van een fiets van de zaak behoort tot het loon van de werknemer. Het werkelijke privévoordeel van een fiets van de zaak is lastig vast te stellen. Daarom wordt voorgesteld om per 1 januari 2020 een vaste bijtelling in te voeren van 7% van de nieuwprijs van de fiets. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen verschillende soorten fietsen. Er komt een vergelijkbare regeling voor de fiets van de zaak van een ondernemer of een resultaatgenieter. De in te voeren bijtellingsregeling heeft geen invloed op de btw-regels voor een fiets van de zaak. ... lees meer

20-09-2018
Maatregelen vennootschapsbelasting

Maatregelen vennootschapsbelasting

TarievenHet tarief in de vennootschapsbelasting gaat stapsgewijs omlaag naar 16% voor winsten tot en met € 200.000 en naar 22,25% voor winsten vanaf € 200.000 in 2021. In 2019 gaan de tarieven naar 19% en 24,3%, in 2020 naar 17,5% en 23,9% en in 2021 naar 16% en 22,25%. In het regeerakkoord was nog aangekondigd dat het tarief in de tweede schijf zou dalen naar 21% in 2021. Vanwege de tariefsaanpassing in de vennootschapsbelasting en in de inkomstenbelasting worden de percentages in de regeling voor geruisloze terugkeer aangepast. De tariefsverlaging heeft ook gevolgen voor een immaterieel activum dat achteraf bezien niet kwalificeert voor de innovatiebox. VerliesverrekeningVerliezen in de vennootschapsbelasting kunnen worden verrekend met de winst van het voorgaande jaar en met de winsten van negen volgende jaren. De voorwaartse verliesverrekening wordt beperkt tot zes jaar. Dit geldt voor verliezen die zijn geleden in 2019 en in de jaren daarna. Voor verliezen van de jaren tot en met 2018 blijft de negenjaarstermijn gelden. Beperking afschrijving gebouwenDe afschrijving op gebouwen in eigen gebruik in de vennootschapsbelasting is nu nog mogelijk tot 50% van de WOZ-waarde. Vanaf 2019 is afschrijving alleen nog mogelijk als de boekwaarde van het gebouw hoger is dan 100% van de WOZ-waarde. Het onderscheid tussen gebouwen in eigen gebruik en verhuurde gebouwen vervalt daardoor. Fiscale beleggingsinstellingenIn verband met de afschaffing van de dividendbelasting in 2020 mogen fiscale beleggingsinstellingen (fbi’s) vanaf 2020 niet meer direct in Nederlands vastgoed beleggen. In de praktijk beleggen fbi’s ofwel in effecten ofwel in vastgoed. Het verbod op directe beleggingen in Nederlands vastgoed voor fbi’s hangt samen met het beginsel dat het heffingsrecht over vastgoed toekomt aan het land waarin het vastgoed is gelegen. Zonder dat verbod zou een buitenlandse belegger belastingvrij kunnen beleggen in Nederlands vastgoed. Een fbi mag wel direct beleggen in buitenlands vastgoed en indirect, via tussenkomst van een normaal belaste dochtervennootschap, in Nederlands vastgoed. RenteaftrekbeperkingIn het tegelijk met het Belastingplan ingediende wetsvoorstel implementatie eerste EU-richtlijn antibelastingontwijking ATAD1 wordt een generieke aftrekbeperking van rente ingevoerd. In verband daarmee vervallen enkele specifieke renteaftrekbeperkingen. Het gaat om de aftrekbeperkingen voor bovenmatige deelnemingsrente, voor bovenmatige overnamerente en de beperking van de verrekening van houdsterverliezen. De specifieke renteaftrekbeperking tegen winstdrainage blijft bestaan. De nieuwe maatregel beperkt de aftrekbaarheid van het saldo aan rente tot 30% van de het bruto bedrijfsresultaat. De maatregel moet de kans dat bedrijven zich om fiscale redenen bovenmatig financieren met vreemd vermogen verkleinen. AntimisbruikbepalingRente die door de generieke aftrekbeperking niet in aftrek komt, kan onbeperkt worden doorgeschoven om in een later jaar alsnog in aftrek te worden gebracht. Om oneigenlijk gebruik te voorkomen komt er een antimisbruikbepaling. Na een wijziging in het belang van meer dan 30% kan de in het verleden niet in aftrek gebrachte rente in beginsel niet meer in aanmerking worden genomen. ... lees meer

20-09-2018
Maatregelen omzetbelasting

Maatregelen omzetbelasting

Laag tariefIn het regeerakkoord was al aangekondigd dat het kabinet het lage btw-tarief wil verhogen van 6 naar 9%. Deze maatregel is opgenomen in het Belastingplan 2019 en past in het streven van het kabinet om de belasting op arbeid te verlagen en de belasting op consumptie te verhogen. Er komt geen aanvullende wetgeving voor de overgangssituaties rondom de tariefswijziging. SportvrijstellingDe sportvrijstelling in de omzetbelasting wordt gewijzigd als gevolg van uitspraken van het Hof van Justitie van de EU. Deze verruiming heeft tot gevolg dat het in veel gevallen niet meer mogelijk is om sportaccommodaties btw-belast te exploiteren. Het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport komt met een subsidieregeling voor de ontwikkeling, het onderhoud en de instandhouding van sportaccommodaties voor sportverenigingen en gemeenten. Deze subsidieregeling wordt gefinancierd uit de opbrengsten van de voorgestelde wijziging van de sportvrijstelling. Bij toepassing van de vrijstelling vervalt het recht op aftrek van voorbelasting. KleineondernemersregelingDe omzetbelasting kent een bijzondere regeling voor kleine ondernemers, de KOR. De huidige regeling geldt alleen voor natuurlijke personen, die na aftrek van voorbelasting niet meer dan € 1.883 aan btw verschuldigd zijn. Zij hebben recht op een vermindering van de te betalen btw ter grootte van de verschuldigde btw tot een maximum van € 1.345. De ondernemer, die op basis van deze regeling geen btw verschuldigd is, kan de inspecteur verzoeken om ontheffing van administratieve en factureringsverplichtingen. De ondernemer vermeldt dan geen btw op zijn facturen en heeft geen recht op aftrek van voorbelasting. Het kabinet stelt voor om de KOR om te zetten in een omzetgerelateerde vrijstellingsregeling van omzetbelasting. De nieuwe KOR kent een omzetgrens van € 20.000 en geldt voor alle kleine ondernemers, ongeacht de rechtsvorm. Het gaat om de omzet van in Nederland belastbare leveringen en diensten, ongeacht het tarief en ongeacht verlegging van de heffing naar de afnemer. De nieuwe regeling treedt op 1 januari 2020 in werking. Ondernemers die voor toepassing van de nieuwe KOR kiezen, hoeven geen btw-aangifte te doen en zijn vrijgesteld van administratieve verplichtingen met betrekking tot verrichte leveringen en diensten in Nederland. Wel gelden administratieve verplichtingen en kan de KOR-ondernemer btw-aangifte moeten doen als de heffing van btw naar hem is verlegd. Net als de huidige KOR geldt de nieuwe KOR alleen voor in Nederland gevestigde ondernemers of vaste inrichtingen. De nieuwe KOR geldt niet voor de levering van onroerende zaken die door de ondernemer in zijn bedrijf zijn gebruikt. Wanneer een ondernemer, die gebruik maakt van de nieuwe KOR in een kalenderjaar boven de omzetgrens uitkomt, voldoet hij niet meer aan de voorwaarden en is vanaf dat moment de vrijstelling niet meer van toepassing. Dat betekent dat de normale btw-regels gelden en dat de ondernemer verplicht is om btw-aangifte te doen. De keuze om de nieuwe KOR toe te passen geldt in beginsel voor onbepaalde tijd. De ondernemer kan de vrijstelling opzeggen nadat hij deze ten minste drie jaar heeft toegepast. Na opzegging duurt het drie jaar voordat de ondernemer in aanmerking komt voor hernieuwde toepassing van de vrijstelling. Een ondernemer die verwacht in 2020 de omzetgrens van € 20.000 niet te overschrijden en die de vrijstellingsregeling wil toepassen moet deze keuze meedelen op de door de inspecteur voorgeschreven wijze. Dat kan vanaf 1 juni 2019. Voor toepassing van de vrijstelling vanaf 1 januari 2020 moet de ondernemer zijn keuze uiterlijk op 20 november 2019 hebben gemeld. Er komt een overgangsregeling voor ondernemers die onder de huidige KOR zijn ontheven van administratieve verplichtingen en voor de afwikkeling van de periode tot 1 januari 2020. ... lees meer

20-09-2018
Maatregelen dividendbelasting

Maatregelen dividendbelasting

Dat de dividendbelasting wordt afgeschaft mag geen verrassing meer heten. Tegelijk met de afschaffing van de dividendbelasting wordt er een bronbelasting op dividenden naar belastingparadijzen en in misbruiksituaties ingevoerd. De ingangsdatum van beide maatregelen is 1 januari 2020. In 2019 komt er een wetsvoorstel voor de invoering van conditionele bronbelastingen op interest en royalty’s. Deze bronbelastingen moeten in 2021 in werking treden. Afschaffing dividendbelastingHet belang van de afschaffing van de dividendbelasting ligt bij buitenlandse aandeelhouders die de dividendbelasting niet kunnen verrekenen. Het gaat dan met name om bepaalde beleggingsfondsen, die in het land van vestiging geen vennootschapsbelasting betalen. Als het beleggingsfonds fiscaal niet transparant is, kunnen de beleggers in het fonds de dividendbelasting niet verrekenen, omdat deze van het fonds is ingehouden. Voor zover buitenlandse aandeelhouders de dividendbelasting wel kunnen verrekenen ligt het belang bij de buitenlandse overheden, die door de afschaffing minder belasting hoeven terug te betalen. BronbelastingDe bronbelasting op dividenden moet voorkomen dat Nederland door de afschaffing van de dividendbelasting nog meer gaat fungeren als doorstroomland naar belastingparadijzen. De bronbelasting is alleen van toepassing tussen gelieerde lichamen. Daarvan is sprake als de ontvanger van het dividend direct of indirect de besluitvorming en daarmee de activiteiten van de uitkerende vennootschap bepaalt, zoals bij meer dan 50% van de statutaire stemrechten. Er is ook sprake van gelieerdheid als een derde een dergelijk belang heeft in het ontvangende en het uitkerende lichaam. Een belastingparadijs is een land waar de belasting naar de winst minder dan 7% bedraagt of dat op de EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden staat. Het tarief van de bronbelasting is gelijk aan het hoogste tarief in de vennootschapsbelasting en komt uit op 23,9% in 2020 en 22,25% met ingang van 2021. Bestaande verdragen ter voorkoming van dubbele belasting kunnen tot gevolg hebben dat Nederland de bronbelasting niet kan heffen in situaties die daar aanleiding toe geven. Nederland zal de verdragspartners die op de EU-lijst staan benaderen om het verdrag aan te passen. ... lees meer

20-09-2018
Maatregelen autobelastingen

Maatregelen autobelastingen

FijnstoftoeslagPer 1 januari 2019 zou er een fijnstoftoeslag in de motorrijtuigenbelasting worden ingevoerd voor dieselauto’s met een fijnstofuitstoot van meer dan 5 mg per km. De invoering wordt uitgesteld tot nader order omdat de noodzakelijke automatisering niet gereed is. Afschaffen teruggaafregeling bpm voor taxi’s en openbaar vervoerHet kabinet wil de bestaande teruggaafregeling in de bpm voor taxi’s en openbaar vervoer met ingang van 1 januari 2020 afschaffen. Voor aanspraken op teruggaaf die uiterlijk op 31 december 2019 zijn ontstaan blijft de teruggaafmogelijkheid nog drie jaar gelden. ... lees meer

20-09-2018
Maatregelen energiebelasting

Maatregelen energiebelasting

Met ingang van 1 januari 2019 wordt het tarief in de eerste schijf in de energiebelasting voor aardgas verhoogd met 3 cent per m3. Voor de glastuinbouw wordt het tarief in de eerste schijf voor aardgas verhoogd met 0,482 cent per m3. Het tarief van de eerste schijf voor elektriciteit wordt verlaagd met 0,72 cent per kWh. De belastingvermindering in de energiebelasting gaat met € 51 omlaag van € 308,54 naar € 257,54 per aansluiting. ... lees meer

13-09-2018
Planning Financiën voor restant 2018

Planning Financiën voor restant 2018

De minister van Financiën heeft in een brief aan de Tweede Kamer de planning voor de laatste maanden van 2018 gegeven. Het gaat om wetsvoorstellen, brieven en rapportages die de staatssecretaris en de minister van plan zijn naar de Kamer te sturen. Naast verwachte zaken als de wetsvoorstellen die gezamenlijk het Belastingplan 2019 vormen gaat het onder meer om de kabinetsreactie over belastingheffing in box 3 op basis van werkelijk rendement in september, een evaluatie van de middelingsregeling in de inkomstenbelasting in oktober, een brief over de deregulering beoordeling arbeidsrelaties (DBA) en een rapportage over de herziening van de rulingpraktijk in november. Voor december vermeldt de planning een evaluatie van regelingen in de overdrachtsbelasting en een brief over de uitkomsten van het onderzoek van de commissie van deskundigen naar het gebruik van het BSN in het btw-identificatienummer. ... lees meer

13-09-2018
Hoe lang mag inspecteur wachten met opvragen bewijsstukken?

Hoe lang mag inspecteur wachten met opvragen bewijsstukken?

De betaalde rente over de eigenwoningschuld is aftrekbaar in box 1 van de inkomstenbelasting. De eigenwoningschuld omvat alle schulden die zijn aangegaan voor de aankoop van de eigen woning verminderd met het bedrag van de eigenwoningreserve. De eigenwoningschuld wordt verhoogd met de schulden die zijn aangegaan voor verbetering of onderhoud van de woning. De eigenaar van de woning moet de kosten van verbetering en onderhoud kunnen bewijzen met schriftelijke stukken. Zonder bewijzen mag de inspecteur de aftrek van rente weigeren. De vraag in een procedure was tot wanneer de inspecteur mag vragen om bewijzen van een verbouwing. De inspecteur had in 2013 gevraagd om schriftelijke bescheiden die betrekking hadden op kosten van een verbouwing die in 2007 had plaatsgevonden. Dat gebeurde bij de behandeling van de aangifte inkomstenbelasting over 2010. De aangiften van de jaren 2007 tot en met 2009 waren steeds zonder correctie in verband met de verhoging van de hypothecaire schuld gevolgd. Ook de aanslagen over 2013, 2014 en 2015 werden opgelegd conform de aangiften op basis van de hypotheekschuld inclusief de verhoging van 2007. Volgens Hof Den Bosch komt er een moment waarop de inspecteur niet meer om bewijs mag vragen omdat hij daar te lang mee heeft gewacht. Het hof baseert dat op een conclusie van de A-G voor een arrest van de Hoge Raad uit 2007. Hoewel van een belastingplichtige zorgvuldigheid mag worden gevraagd bij het bewaren van bewijsstukken voor door hem geclaimde aftrekposten, bestaat er in de privésfeer geen bewaarplicht, zoals deze voor ondernemers geldt. De A-G meent dat na het verstrijken van de navorderingstermijn over het jaar waarin de verbetering of het onderhoud van de eigen woning heeft plaatsgevonden, het recht om bewijs te vragen vervalt. Het hof heeft zich bij dit standpunt aangesloten. Omdat navordering over 2007 niet meer mogelijk was in 2013, mocht de inspecteur niet vragen naar bewijsstukken die betrekking hadden op zaken die in dat jaar hebben plaatsgevonden. ... lees meer

13-09-2018
Inspecteur stelt dubieuze rit met bestelauto te laat ter discussie

Inspecteur stelt dubieuze rit met bestelauto te laat ter discussie

Bij het loon van een werknemer moet in beginsel een bijtelling plaatvinden voor het voordeel dat hij heeft van het privégebruik van een auto van de zaak. Dat geldt niet alleen voor een personenauto van de zaak, maar ook voor een bestelauto. Er hoeft geen bijtelling plaats te vinden voor een bestelauto die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt is voor het vervoer van goederen. Met ingang van 1 januari 2012 is de verklaring uitsluitend zakelijk gebruik van een bestelauto ingevoerd. Na afgifte van een dergelijke verklaring houdt de werkgever geen rekening met een bijtelling voor privégebruik van de bestelauto door de werknemer. De inspecteur kan, als hij vermoedt dat een rit voor privédoeleinden is gemaakt, de werkgever en de werknemer vragen om bewijs dat de betreffende rit zakelijk was. Is dat bewijs er niet, dan wordt de bestelauto geacht op kalenderjaarbasis voor meer dan 500 kilometer privé te worden gebruikt en wordt de verschuldigde loonbelasting nageheven van de werknemer. De werknemer kan de verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto intrekken. Doet hij dat voordat hij de bestelauto ook privé heeft gebruikt, dan wordt de bestelauto tot het moment van de intrekking geacht wel voor privédoeleinden ter beschikking te zijn gesteld maar niet voor privédoeleinden te zijn gebruikt. Bij de behandeling van de aangifte inkomstenbelasting 2013 vroeg de inspecteur in december 2015 naar een tweetal ritten van de werknemer naar het gerechtshof in 2013 en 2014. Naar de mening van de inspecteur ging het om privéritten. Om die reden wilde hij de aangegeven inkomens over de jaren 2013 en 2014 corrigeren met het bedrag aan bijtelling van de bestelauto. De werknemer had in eerdere jaren geprocedeerd over de bijtelling voor privégebruik van de bestelauto. Hij meende dat wegens zijn oproepbaarheid alle ritten, ook die met een privékarakter, zakelijk waren. Daarnaast stelde hij zich op het standpunt dat de bestelauto door aard en inrichting uitsluitend geschikt was voor het vervoer van goederen. Dat is een reden om geen bijtelling te hoeven toepassen. De ritten in 2013 en 2014 naar het gerechtshof waren gemaakt in verband met de procedures over de bijtelling over oudere jaren. De werknemer wilde zo nodig de auto aan het hof kunnen tonen. In de procedure over het jaar 2013 merkte Hof Amsterdam op dat een correctie wegens (gesteld) privégebruik van een bestelauto bij een niet ingetrokken verklaring uitsluitend zakelijk gebruik moet plaatsvinden door middel van naheffing van loonbelasting van de werknemer. Die correctie moet plaatsvinden naar aanleiding van een constatering van privégebruik “in de actualiteit”. Dat houdt in dat de inspecteur de werknemer en de werkgever binnen een redelijke termijn bevraagt over een geconstateerde “dubieuze rit”. Die redelijke termijn was in dit geval al lang verstreken, aangezien de inspecteur de rit met de bestelauto naar het gerechtshof van 27 februari 2013 pas bij brief van 15 december 2015 ter discussie heeft gesteld. Andere dubieuze ritten heeft de inspecteur niet geconstateerd. Volgens het hof past het niet binnen de wettelijke systematiek om de bijtelling van het privégebruik in de inkomstenbelasting plaats te laten vinden zonder dat dit privégebruik in het betreffende kalenderjaar in de heffing van loonbelasting is betrokken. ... lees meer

06-09-2018
Kamervragen lage-inkomensvoordeel

Kamervragen lage-inkomensvoordeel

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft Kamervragen over het lage-inkomensvoordeel beantwoord. De vragensteller bestempelt de regeling als “Primarkpremie”. De vragen zijn gesteld naar aanleiding van een bericht van de FNV dat bedrijven de lonen met opzet laag houden om van het lage-inkomensvoordeel te profiteren. De minister heeft geen signalen ontvangen die de stelling van de FNV onderschrijven. In het eerste halfjaar van 2018 zijn de cao-lonen 1,8% gestegen. De uurloongrenzen van het lage-inkomensvoordeel worden ieder jaar aangepast aan de gemiddelde contractloonstijging van het minimumloon. Een onderzoek door bijvoorbeeld het Centraal Planbureau naar de mate waarin de regeling de loonontwikkeling aan de onderkant van de arbeidsmarkt afremt acht de minister prematuur, gezien de korte tijd waarin de regeling van kracht is. Uit een aan de Tweede Kamer verstrekt overzicht blijkt dat de sectoren horeca en detailhandel de grootste ontvangers van het lage-inkomensvoordeel zijn. De minister is niet bereid om informatie op werkgeversniveau te verstrekken. De minister benadrukt dat de omvang en de winstgevendheid van een bedrijf geen criteria zijn voor de toekenning van het lage-inkomensvoordeel. De regeling is bedoeld als een gerichte lastenverlichting aan de onderkant van de arbeidsmarkt om het voor werkgevers aantrekkelijk te maken om mensen die tussen 100% en 125% van het minimumloon verdienen aan te nemen en in dienst te houden. De lasten op arbeid zijn lager en de kansen op werk aan de onderkant van de arbeidsmarkt nemen daardoor toe zonder dat dit ten koste gaat van de inkomenszekerheid van werknemers. ... lees meer

06-09-2018
Internetconsultatie rulingpraktijk

Internetconsultatie rulingpraktijk

De zogenaamde rulingpraktijk van de Belastingdienst staat al geruime tijd ter discussie. Een ruling is een afspraak tussen de Belastingdienst en een belastingplichtige waarin, voordat de aangifte is ingediend, zekerheid vooraf wordt gegeven over de fiscale gevolgen van bepaalde rechtshandelingen. De staatssecretaris van Financiën heeft in februari 2018 aangekondigd dat hij de internationale rulingpraktijk wil herzien. In dat licht heeft hij nu een internetconsultatie geopend waarin betrokkenen worden uitgenodigd om mee te denken over de toekomst van de rulingpraktijk. Dat kan tot en met 20 september aanstaande. Een van de vragen die spelen bij de herziening is of wel zekerheid vooraf moet worden gegeven aan bedrijven die een beperkte bijdrage leveren aan de reële economie. Er is als bijlage bij de consultatie een werkdocument gepubliceerd waarin de kaders en uitgangspunten van de herziening en de huidige rulingpraktijk zijn beschreven. De staatssecretaris heeft de volgende vragen geformuleerd: Aan welke eisen moeten een belastingplichtige voldoen om zekerheid vooraf te krijgen? Over welke structuren moet de Belastingdienst zekerheid vooraf geven (en in welke situaties niet)? Hoe kan het proces van afgifte van rulings het best worden ingericht? Hoe kan de transparantie van de rulingpraktijk worden vormgegeven? De staatssecretaris zal de Tweede Kamer tegen het einde van het jaar informeren over de plannen voor de vormgeving van de rulingpraktijk. ... lees meer

06-09-2018
Vaste kracht ten onrechte ontslagen

Vaste kracht ten onrechte ontslagen

Het Burgerlijk Wetboek geeft de werknemer de mogelijkheid om de kantonrechter te vragen om herstel van de arbeidsovereenkomst na de opzegging met toestemming van het UWV. De kantonrechter moet aan de hand van de Ontslagregeling toetsen of de beslissing van de werkgever noodzakelijk is in het belang van een doelmatige bedrijfsvoering en of mogelijkheden tot herplaatsing in een passende functie ontbreken. Een ontslagen werknemer voerde als grondslag voor zijn verzoek om herstel van de arbeidsovereenkomst aan dat het UWV de ontslagvergunning had moeten weigeren omdat er geen noodzaak voor het laten vervallen van arbeidsplaatsen was. De werkgever heeft volgens de werknemer de alternatieven voor zijn ontslag onvoldoende onderzocht. Het UWV had de ontslagvergunning niet mogen verlenen omdat de werkgever eerst de relatie met uitzendkrachten met een uitwisselbare functie had moeten beëindigen. Dat staat met zoveel woorden in de wet. Wel dienen volgens de toelichting bij de Ontslagregeling functies met een “duidelijk tijdelijk karakter” buiten beschouwing te worden gelaten bij de beoordeling van de uitwisselbaarheid van functies. Het gaat dan om kortdurende werkzaamheden voor het opvangen van pieken in de productie of bij vervanging wegens ziekte of vakantie. In deze casus betrof het uitzendkrachten die voor langere tijd werden ingehuurd. De kantonrechter merkte dat aan als een structurele bezetting van formatieplaatsen. De kantonrechter was van oordeel dat het UWV de ontslagvergunning had moeten weigeren wegens het voortzetten van de inleenovereenkomsten met de uitzendkrachten door de werkgever. De kantonrechter heeft het verzoek tot herstel van de arbeidsovereenkomst toegewezen. ... lees meer

06-09-2018
Niet alle bezwaarschriften vermogensrendementheffing vallen onder massaal bezwaar

Niet alle bezwaarschriften vermogensrendementheffing vallen onder massaal bezwaar

De staatssecretaris van Financiën heeft bezwaarschriften tegen de vermogensrendementheffing in de aanslag inkomstenbelasting 2017 aangemerkt als massaal bezwaar. Dat geldt slechts voor zover het gaat om de vraag of de belastingheffing in box 3 op regelniveau een inbreuk vormt op het recht op het ongestoorde bezit van eigendom. Veel bezwaarmakers hebben daarnaast in hun bezwaarschrift aangegeven dat de heffing in box 3 voor hen een individuele buitensporige last vormt. Dat heeft gevolgen voor de behandeling van het bezwaar, aangezien dat laatste punt niet onder de aanwijzing massaal bezwaar valt en daar ook niet onder kan vallen omdat het om een individuele klacht gaat. Op dit punt zullen de bezwaarschriften dus individueel worden afgedaan en zal de betrokkene desgewenst zelf een procedure bij de rechtbank moeten voeren. De staatssecretaris heeft nu gezegd dat aan iedere belastingplichtige, die zich in het bezwaarschrift heeft beroepen op een individuele buitensporige last, een brief zal worden gestuurd waarin wordt meegedeeld dat de behandeling van het bezwaar wordt gesplitst en deels individueel wordt behandeld. Ook op de website van de Belastingdienst wordt een toelichting op de behandeling van de bezwaarschriften geplaatst. ... lees meer

06-09-2018
Concept subsidieregeling woonhuis-rijksmonumenten

Concept subsidieregeling woonhuis-rijksmonumenten

Per 1 januari 2019 wordt de aftrekbaarheid van onderhoudskosten voor monumentenpanden vervangen door een subsidieregeling. De subsidieregeling komt ten laste van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW). De minister van OCW heeft een concept beleidskader voor de subsidieregeling voor de instandhouding van woonhuizen die als rijksmonument zijn aangewezen gepubliceerd. De subsidie bedraagt 35% van de subsidiabele kosten. Om voor subsidie in aanmerking te komen moeten de subsidiabele kosten € 1.000 of meer bedragen. Bij overschrijding van het subsidieplafond van € 40 miljoen wordt het subsidiepercentage verlaagd. Wanneer het beschikbare bedrag in een jaar niet wordt opgemaakt, wordt het restant toegevoegd aan de subsidiepot voor het volgende jaar. Voor subsidie komen de kosten in aanmerking die zijn gemaakt voor werkzaamheden, maatregelen en voorzieningen voor de instandhouding van het rijksmonument. Voor de omschrijving van de subsidiabele werkzaamheden wordt aangesloten bij de bijlage van de Subsidieregeling instandhouding monumenten, de Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten. De kosten van arbeidsuren van de eigenaar of een vrijwilliger zijn niet subsidiabel. De subsidie kan worden aangevraagd door particuliere eigenaren die bewoner zijn van een rijksmonument. Het gaat dan om een natuurlijke persoon die zijn hoofdverblijf heeft in een (gedeelte van een) rijksmonument dat zijn eigendom is of waarop hij een zakelijk recht heeft. De regeling wordt uitgevoerd door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. De Stichting Nationaal Restauratiefonds verzorgt de uitbetaling van de subsidie. Een aanvraag moet worden ingediend in de periode van 1 maart tot en met 30 april van het kalenderjaar na het jaar waarin de kosten zijn gemaakt. Uit de factuur moet blijken in welk jaar de werkzaamheden zijn uitgevoerd. Per jaar kan per eigenaar-bewoner ten hoogste één aanvraag worden ingediend. Bij aanvragen die betrekking hebben op meer dan € 70.000 aan kosten moet een inspectierapport worden gevoegd. Het inspectierapport moet een adequate beschrijving bevatten van de staat van het rijksmonument voorafgaand aan de werkzaamheden waarvoor subsidie wordt aangevraagd en mag op het moment van de aanvraag niet ouder zijn dan vier jaar. ... lees meer

30-08-2018
Bepaling hoofdverblijf

Bepaling hoofdverblijf

De rentelasten van een eigen woning zijn fiscaal aftrekbaar. Om als eigen woning voor de inkomstenbelasting te kwalificeren moet een woning aan de eigenaar en zijn gezin duurzaam als hoofdverblijf ter beschikking staan. Iemand kan in fiscale zin slechts één hoofdverblijf hebben. De plaats waar iemand woont, wordt aan de hand van de omstandigheden van het geval bepaald. Een echtpaar had de beschikking over een huurwoning in de omgeving van hun werk en een koopwoning. Het echtpaar stond ingeschreven op het adres van de huurwoning. Permanente bewoning van de koopwoning was niet toegestaan. Het echtpaar wilde de koopwoning als eigen woning aanmerken. De belastingdienst accepteerde dat niet. Het echtpaar moest vervolgens aannemelijk maken dat de koopwoning hun als hoofdverblijf ter beschikking stond. Dat kwam erop neer dat aannemelijk moest worden gemaakt dat de koopwoning de centrale levensplaats van het echtpaar was. De centrale levensplaats wordt aan de hand van de omstandigheden bepaald. Het hof vond doorslaggevend dat het echtpaar in de weekenden, doorgaans van vrijdagmiddag tot zondagavond, maar regelmatig tot maandag- of dinsdagochtend, tijdens feestdagen, schoolvakanties en overige vrije dagen in de koopwoning verbleef en zij daar hun verjaardagen vierden en visite ontvingen. De omstandigheid dat het echtpaar vanwege hun werkzaamheden in de omgeving van de huurwoning een deel van hun consumptieve uitgaven deed, vond het hof van minder belang. De koopwoning gold als eigen woning in de zin van de Wet IB 2001. ... lees meer

30-08-2018
Buitenlandse btw terugvragen

Buitenlandse btw terugvragen

Ondernemers, die in 2017 in een ander EU-land btw hebben betaald, kunnen deze btw terugvragen wanneer zij in dat land geen aangifte doen. Een verzoek om teruggaaf over 2017 moet vóór 1 oktober 2018 zijn ingediend. Dat kan via de website van de Belastingdienst: https://eubtw.belastingdienst.nl/netp/. Verzoeken die later binnenkomen worden mogelijk niet meer in behandeling genomen. Houd er rekening mee dat u voor een verzoek om teruggaaf inloggegevens nodig heeft. Wanneer het een eerste verzoek om teruggaaf van btw uit een ander EU-land betreft, moeten inloggegevens worden aangevraagd. Volgens de Belastingdienst kan het tot vier weken duren voordat de inloggegevens worden verstuurd. Voorwaarden verzoek teruggaafU kunt btw terugvragen uit een EU-land als u aan een aantal voorwaarden voldoet:• Uw onderneming is in Nederland gevestigd.• Uw onderneming doet in het EU-land, waar de btw wordt teruggevraagd, geen aangifte voor de btw. Doet de onderneming in het buitenland wel aangifte, dan kan de btw daar als voorbelasting in aftrek worden gebracht.• De btw heeft betrekking op goederen en diensten die voor met btw belaste bedrijfsactiviteiten worden gebruikt. Verzoek om teruggaaf niet mogelijkEen verzoek om teruggaaf van btw uit een ander EU-land is niet mogelijk in de volgende gevallen:• U bent geen ondernemer voor de btw.• Uw onderneming verricht uitsluitend vrijgestelde prestaties.• U heeft een ontheffing van administratieve verplichtingen.• U valt onder de landbouwregeling en voldoet niet aan de voorwaarden voor de teruggaafregeling van agrarische goederen. Behandeling verzoekDe Belastingdienst van het EU-land waar de btw wordt teruggevraagd reageert binnen vier maanden bij beschikking op het verzoek om teruggaaf. Een verzoek wordt afgekeurd of geheel of gedeeltelijk goedgekeurd. Als het verzoek wordt goedgekeurd, volgt de betaling uiterlijk binnen tien werkdagen na afloop van de termijn van vier maanden. Bijlagen bij verzoekAfhankelijk van het EU-land waar btw wordt teruggevraagd moeten mogelijk facturen of invoerdocumenten worden meegestuurd. Op de website van de Belastingdienst is te vinden welke vereisten gelden per EU-land. Omvat een verzoek om teruggaaf een creditfactuur, dan moeten er mintekens voor het factuurbedrag en het btw-bedrag worden geplaatst zonder spatie tussen het minteken en het bedrag. Een creditfactuur die betrekking heeft op een factuur die in een eerder verzoek om teruggaaf is meegenomen moet aan het eerstvolgende verzoek om teruggaaf worden toegevoegd. ... lees meer

30-08-2018
Opzegging voor aanvang dienstbetrekking

Opzegging voor aanvang dienstbetrekking

De vrijheid van arbeidskeuze is een belangrijk recht van de werknemer. In verband met deze fundamentele vrijheid geldt voor een werknemer geen andere opzegbelemmering dan het in acht nemen van een relatief korte opzegtermijn. De vraag in een procedure bij de kantonrechter was op welk moment de opzegtermijn gaat lopen. De procedure bij de kantonrechter had betrekking op een opzegging van de arbeidsovereenkomst voordat deze was aangevangen. De werkgever meende dat de opzegtermijn pas gaat lopen op het moment van indiensttreding. De kantonrechter oordeelde anders, aangezien de wet niet uitdrukkelijk voorschrijft dat de opzegtermijn pas bij indiensttreding begint. De werknemer had ruim een maand voor de overeengekomen datum van indiensttreding schriftelijk laten weten van indiensttreding af te zien. De voor hem geldende opzegtermijn was een maand. Volgens de kantonrechter was van onregelmatige opzegging van de arbeidsovereenkomst geen sprake. Ten overvloede merkte de kantonrechter op dat, indien ervan uitgegaan zou worden dat de opzegtermijn pas begint te lopen vanaf de dag van indiensttreding, het in dit geval niet redelijk zou zijn om de werknemer te houden aan een verplichting tot opzegging op de eerste dag van het nieuwe dienstverband en om hem te veroordelen tot betaling van een vergoeding. Door ruim voor de datum van indiensttreding op te zeggen heeft de werknemer de werkgever de kans geboden om tijdig een andere kandidaat te vinden. Dat is volgens de kantonrechter de ratio van de opzegtermijn voor de werknemer. ... lees meer

30-08-2018
Geen boete op overtreding geheimhoudingsbeding vaststellingsovereenkomst

Geen boete op overtreding geheimhoudingsbeding vaststellingsovereenkomst

Zowel in arbeidsovereenkomsten als in andere overeenkomsten kan een geheimhoudingsbeding worden opgenomen. Een in de arbeidsovereenkomst opgenomen geheimhoudingsbeding heeft vaak betrekking op een verbod op mededeling omtrent handelwijze of productiemethoden van de werkgever. In andere overeenkomsten, bijvoorbeeld in vaststellingsovereenkomsten bij de beëindiging van een dienstbetrekking, gaat het er meestal om dat geen mededeling wordt gedaan over de in dat kader gemaakte afspraken. Het geheimhoudingsbeding is een niet in de wet geregeld beding. Dat betekent ook dat het niet schriftelijk behoeft te worden overeengekomen. In een procedure bij de kantonrechter was in geschil of de werkgever terecht bij de eindafrekening een boete had verrekend wegens een vermeende schending van het in de vaststellingsovereenkomst opgenomen geheimhoudingsbeding. De kantonrechter was van oordeel dat een werknemer die tegen een collega zegt dat hij in het kader van een afspraak met de werkgever tot het einde van zijn dienstverband zal blijven werken en geen vakantiedagen zal opnemen, een geheimhoudingsbeding in de vaststellingsovereenkomst niet heeft overtreden. Volgens de kantonrechter is dat pas het geval wanneer de werknemer een bedrijfsgeheim prijsgeeft of voor de onderneming essentiële gevoelige informatie met derden deelt. Dat is naar het oordeel van de kantonrechter niet snel het geval als het gaat om de doorbetaling van loon tot het einde van het dienstverband en de uitbetaling van vakantiedagen bij het einde van de dienstbetrekking. ... lees meer

24-08-2018
Fiscale gevolgen echtscheidingsconvenant

Fiscale gevolgen echtscheidingsconvenant

De Belastingdienst heeft een brochure gepubliceerd over fiscale gevolgen van een echtscheidingsconvenant. In de brochure wordt uitgebreid aandacht besteed aan de gevolgen met betrekking tot de voormalige gezamenlijke eigen woning. WoongenotZodra een ex-partner de gezamenlijke eigen woning verlaat, terwijl de andere partner daar blijft wonen, geniet de blijver een periodieke uitkering in de vorm van het woongenot van het deel van de woning dat eigendom is van de ander. Het woongenot is ontvangen partneralimentatie, waarover belasting moet worden betaald. Voor de vertrokken ex-partner is het verstrekte woongenot aftrekbaar als betaalde partneralimentatie. De partneralimentatie is gelijk aan het eigenwoningforfait over de periode van verstrekking. Er is geen sprake van alimentatie wanneer de achterblijvende ex-partner een reële huur betaalt aan de vertrokken ex‑partner. Dat betekent geen belastingbetaling over het woongenot voor de achterblijver en geen aftrekpost voor de vertrekker. EigenwoningrenteNa een echtscheiding kan de eigenwoningrente alleen als partneralimentatie in aftrek worden gebracht als er een alimentatieplicht is. De alimentatieplicht kan blijken uit een rechterlijke uitspraak of een echtscheidingsconvenant. Om onduidelijkheden te voorkomen verdient het aanbeveling om in het convenant vast te leggen dat de eigenwoningrente, die een van de ex-partners voor de ander betaalt, partneralimentatie is. Het deel van de eigenwoningrente, dat de ene ex-partner betaalt als partneralimentatie voor de andere ex-partner, moet deze laatste aangeven als ontvangen partneralimentatie. Het is van belang om wat in het convenant is vastgelegd op die manier uit te voeren om recht te hebben op aftrek. NihilbedingEen nihilbeding houdt in dat ex-partners hebben afgesproken om geen partneralimentatie aan elkaar te betalen. Een dergelijke afspraak verhindert de mogelijkheid om een deel van de betaalde eigenwoningrente aan te merken als partneralimentatie. Het nihilbeding heeft geen gevolgen voor het woongenot van het deel van de woning dat aan de vertrokken ex-partner toebehoort. ... lees meer

24-08-2018
Beëindiging arbeidsovereenkomst bij AOW-gerechtigde leeftijd

Beëindiging arbeidsovereenkomst bij AOW-gerechtigde leeftijd

In de cao voor het verzekeringsbedrijf is bepaald dat een arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt op de ingangsdatum van het ouderdomspensioen maar uiterlijk op de dag waarop de werknemer de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt. Met die bepaling kan een arbeidsovereenkomst worden beëindigd voor de ingangsdatum van het ouderdomspensioen, wanneer die datum later valt dan de datum waarop de AOW-gerechtigde leeftijd wordt bereikt. Wanneer de arbeidsovereenkomst niet wordt voortgezet vanwege het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd hoeft de werkgever geen transitievergoeding te betalen. Dat is bepaald in het Burgerlijk Wetboek. Volgens de Hoge Raad is deze bepaling niet in strijd is met Richtlijn 2000/78/EG. Deze Richtlijn geeft een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep. Er is geen sprake van verboden leeftijdsdiscriminatie wanneer de arbeidsovereenkomst eindigt bij het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd. ... lees meer

24-08-2018
Recht op KIA voor maat in maatschap

Recht op KIA voor maat in maatschap

De kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) kent een schijventarief. Sinds 1 januari 2010 geldt in de derde schijf een vast bedrag aan KIA zolang het investeringsbedrag tussen de onder- en de bovengrens ligt. In 2018 gaat het om een bedrag aan KIA van € 15.863 bij investeringen van meer dan € 56.642, maar niet meer dan € 104.891. Bij investeringen door samenwerkingsverbanden als maatschappen is het totaalbedrag van de investeringen bepalend voor de hoogte van de KIA. Het daarbij behorende bedrag van de KIA wordt verdeeld over de maten. In een procedure bij de Hoge Raad is in geschil hoe de KIA moet worden berekend voor een ondernemer, die participeert in een maatschap, in het geval door de maatschap investeringen zijn gedaan en door de ondernemer een investering in het buitenvennootschappelijk vermogen is gedaan. De maatschap heeft in 2013 een bedrag van € 40.517 geïnvesteerd in bedrijfsmiddelen. De ondernemer heeft daarnaast € 56.515 geïnvesteerd in buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen. Alle investeringen kwalificeren voor KIA. In 2013 bedroeg de KIA € 15.470 bij investeringsbedragen van meer dan € 55.248, maar niet meer dan € 102.311. Volgens de staatssecretaris van Financiën is het recht op KIA voor het totaal van de investeringen voor alle maten beperkt tot het vaste bedrag van € 15.470. Het hof verdeelde de investeringen van de maatschap over de maten en telde daar de investering in buitenvennootschappelijk vermogen bij. Daardoor had deze maat recht op het vaste bedrag aan KIA van € 15.470. Het hof merkte op dat de wetgever bij de wijziging van de systematiek van de KIA geen aangepaste rekenregel heeft gegeven, waardoor het systeem niet meer in alle gevallen sluitend is. Volgens de A-G moet eerst het bedrag van de investeringen worden bepaald. Omdat de onderneming deel uitmaakt van een maatschap moeten de investeringen voor het samenwerkingsverband worden samengeteld. Bij het totaalbedrag aan investeringen van € 97.032 geldt een bedrag aan KIA van € 15.470. De vraag is vervolgens of de ondernemer recht heeft op de (volledige) KIA van € 15.470 of slechts op een deel, naar rato van zijn investering. De A-G meent dat, gezien de tekst van de Wet IB 2001 en gelet op het investeringsbedrag van de ondernemer zelf van € 63.268, de belanghebbende recht heeft op een KIA van € 15.470. ... lees meer

24-08-2018
Geen eigenwoningschuld

Geen eigenwoningschuld

Door een privépersoon, die geen ondernemer is, betaalde rente van schulden is alleen aftrekbaar als de schulden zijn aan te merken als eigenwoningschuld. Dat houdt in dat de schulden zijn aangegaan voor de aankoop, het onderhoud of de verbetering van de eigen woning. De bewijslast dat schulden met dit doel zijn aangegaan ligt bij de niet-ondernemer. In het kader van de staking van zijn onderneming loste een voormalige ondernemer zijn schulden aan de bank gedeeltelijk af met een lening van een derde. De bank schold de resterende schuld kwijt. Destijds had de ondernemer als zekerheid aan de bank een recht van hypotheek gegeven op al zijn onroerende zaken, waaronder zijn woonhuis. De vraag was of de betaalde rente van de lening van de derde als eigenwoningrente aftrekbaar was van het inkomen uit werk en woning of dat de lening als schuld in box 3 viel. Hoewel de woning al in het jaar 2000 naar het privévermogen was overgebracht, waren de schulden aan de bank tijdens het bestaan van de onderneming in hun geheel aan de onderneming toegerekend. De voormalige ondernemer slaagde er niet in om aannemelijk te maken dat de schulden aan de bank destijds (deels) waren aangegaan voor de aankoop, het onderhoud of de verbetering van de eigen woning. Volgens de inspecteur waren de schulden uitsluitend aangegaan ter financiering van de ondernemingsactiviteiten. De in het kader van de schuldsanering aangegane lening heeft dezelfde kwalificatie en is dus ook niet aangegaan ter verwerving van de woning. De schuld viel in box 3, zodat de rente niet aftrekbaar was. ... lees meer

23-08-2018
Geen aanleiding voor verlaging AOW-leeftijd

Geen aanleiding voor verlaging AOW-leeftijd

Naar aanleiding van een artikel in het Financieel Dagblad zijn Kamervragen gesteld aan de minister van Sociale Zaken over de verhoging van de AOW-leeftijd. In het artikel wordt beschreven dat de AOW-leeftijd tot 2021 sneller stijgt dan de toename van de levensverwachting van 65-jarigen. Daarom zou volgens actuarissen de AOW-leeftijd pas vijf jaar later, dus in 2026 hoeven te stijgen naar 67 jaar. Volgens de minister is de geleidelijke verhoging naar 67 jaar bedoeld als inhaalslag voor de sinds de invoering van de AOW gestegen levensverwachting. Na 2021 is de AOW-leeftijd gekoppeld aan de ontwikkeling van de levensverwachting. Om te voorkomen dat de AOW-leeftijd bij elke wijziging van de resterende levensverwachting moet worden aangepast, is in de wet opgenomen dat de AOW-leeftijd pas stijgt bij een stijging van de levensverwachting van meer dan drie maanden. Volgens recente prognoses van het CBS stijgt de toekomstige levensverwachting minder snel dan eerder was geraamd. Het is echter nog te vroeg om te spreken van een trendbreuk in de stijgende lijn voor de levensverwachting, hoewel in het buitenland de levensverwachting ook minder snel stijgt. Het CBS gaat vooralsnog uit van een verdere stijging van de levensverwachting. De minder snelle stijging van de levensverwachting is geen aanleiding voor aanpassing van de AOW-leeftijd. Om onzekerheid te voorkomen wordt een eenmaal vastgestelde verhoogde AOW-leeftijd niet later gewijzigd. De aanpassing wordt vijf jaar van tevoren vastgelegd om meer zekerheid te bieden. ... lees meer

16-08-2018
WOZ-waarde bedrijfsterrein met opslagtanks

WOZ-waarde bedrijfsterrein met opslagtanks

Een procedure voor Hof Arnhem-Leeuwarden had betrekking op de WOZ-waarde van een bedrijfsterrein met opstallen en installaties. In geschil was of de op het terrein aanwezige opslagtanks roerende of onroerende zaken waren. Wanneer de tanks roerend zouden zijn, maakte de waarde van de tanks geen deel uit van de WOZ-waarde van het bedrijfsterrein. Onroerende zaken zijn grond en gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd. Dat kan rechtstreeks maar ook door vereniging met andere gebouwen en werken. Volgens vaste jurisprudentie is een bouwwerk, dat naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven, onroerend. Voor het antwoord op de vraag, of dat het geval is, is niet doorslaggevend dat het technisch mogelijk is om het bouwwerk te verplaatsen. Het hof was van oordeel dat, gelet op de aard van het bedrijf en de inrichting van het terrein, de tanks voor meerdere jaren op dezelfde plaats zouden blijven staan. Bepalend daarvoor waren het aanwezige en gedeeltelijk vaste leidingnetwerk en de funderingen waarop en de betonnen putten waarin de tanks waren geplaatst. Het hof onderzocht vervolgens of de werktuigenvrijstelling van toepassing was op de tanks. Dat gold alleen voor de tot in de tanks aanwezige roerwerken. Die konden verwijderd worden uit de tank zonder schade aan de tank aan te brengen. ... lees meer

16-08-2018
Geen ruime uitleg van concurrentiebeding

Geen ruime uitleg van concurrentiebeding

Bij de uitleg van een concurrentiebeding moet niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen, maar kan ook de betekenis die partijen aan het beding toekennen en wat zij ten aanzien daarvan van elkaar mogen verwachten, van belang zijn. Een concurrentiebeding beperkt het grondwettelijk recht op vrije arbeidskeuze. Dergelijke beperkingen moeten niet ruim worden uitgelegd. Eventuele onduidelijkheden in een concurrentiebeding mogen niet in het nadeel van de werknemer worden uitgelegd, maar zijn voor risico van de werkgever. Een procedure in kort geding betrof de vraag of de indiensttreding bij een nieuwe werkgever werd verhinderd door het in de arbeidsovereenkomst met de oude werkgever opgenomen concurrentiebeding. Bij aanvang van het eerdere dienstverband is niet gesproken over het in het arbeidscontract opgenomen concurrentiebeding. De kantonrechter beperkte zich daarom tot een tekstuele uitleg van het concurrentiebeding. Uit de bewoordingen van het concurrentiebeding volgde dat het de werknemer verboden was om in dienst te treden of betrokken te zijn bij een onderneming die een zaak drijft gelijk of gelijksoortig aan die van de oude werkgever. De omschrijvingen van de bedrijfsactiviteiten van de oude en de nieuwe werkgever in het handelsregister verschilden van elkaar. De oude werkgever bouwde, onderhield en repareerde machines voor de cacao-industrie. De nieuwe werkgever verwerkte cacao. Het enkele feit dat beide ondernemingen met de cacao-industrie te maken hebben, betekende niet dat de ondernemingen gelijk of gelijksoortig waren. Het met de oude werkgever overeengekomen concurrentiebeding verhinderde indiensttreding bij de nieuwe werkgever daarom niet. ... lees meer

16-08-2018
Bewijs van beperkt privégebruik auto

Bewijs van beperkt privégebruik auto

Wanneer door de werkgever een auto aan een werknemer ter beschikking wordt gesteld, gaat de wet ervan uit dat de auto ook voor privédoeleinden ter beschikking is gesteld. Dat betekent dat er een bijtelling bij het inkomen moet plaatsvinden, tenzij blijkt dat op jaarbasis met de auto niet meer dan 500 privékilometers zijn gereden. Het bewijs kan worden geleverd met behulp van een rittenregistratie. Op verzoek geeft de Belastingdienst aan een werknemer een verklaring geen privégebruik af. Die verklaring ontslaat de werknemer niet van de bewijslast, maar ontslaat de werkgever wel van de verplichting om de bijtelling bij het loon van de werknemer te doen. In de Uitvoeringsregeling loonbelasting is aangegeven aan welke eisen een rittenregistratie moet voldoen om als bewijs te kunnen dienen. Het gaat om de volgende gegevens: merk, type en kenteken van de auto; periode van terbeschikkingstelling van de auto; per rit:a. datum;b. beginstand en eindstand van de kilometerteller;c. beginadres en eindadres;d. de gereden route, indien deze afwijkt van de meest gebruikelijke; ene. het karakter (zakelijk of privé) van de rit. Een rittenregistratie moet sluitend zijn en nauwkeurig worden bijgehouden. Garagenota's van onderhoud en reparatie kunnen dienen als aanvullend bewijs, ter onderbouwing van de rittenregistratie. De rechtbank Den Haag accepteerde een achteraf opgestelde rittenregistratie niet. Volgens de rechtbank was de rittenregistratie te onnauwkeurig om als overtuigend bewijs te kunnen dienen. De overgelegde registratie gaf geen volledig beeld van de gereden ritten, routes en afstanden. Ander bewijs dan de rittenregistratie had de werknemer niet. Zijn verklaring dat hij pertinent niet privé met de auto heeft gereden is geen bewijs, evenmin als de omstandigheid dat de werknemer ook een eigen auto had. ... lees meer

09-08-2018
Geen werk, geen loon

Geen werk, geen loon

De voor de betaling van loon geldende hoofdregel luidt: geen arbeid, geen loon. Er zijn uitzonderingen op de hoofdregel. Een van deze uitzonderingen is dat de werknemer recht op loon heeft als hij zijn werk niet heeft verricht door een oorzaak die voor rekening van de werkgever komt. Een andere uitzondering is het recht op doorbetaling bij ziekte gedurende 104 weken. Deze laatste uitzondering geldt niet als de werknemer, hoewel hij daartoe in staat is, zonder goede reden weigert om passende arbeid te verrichten. Een werknemer die op eigen initiatief als passend beoordeelde aangepaste werkzaamheden niet meer verrichtte, vorderde doorbetaling van loon. De kantonrechter moest beoordelen of de werknemer een deugdelijke grond had om de aangeboden arbeid te weigeren. De werknemer was medisch gezien in staat om bepaalde werkzaamheden te verrichten, maar werkte niet omdat sprake was van een arbeidsconflict. In een vergelijkbare situatie heeft de Hoge Raad in 2008 het arrest Mak/SGBO gewezen. Uit dat arrest volgt dat de werknemer, die zich beroept op een arbeidsconflict als reden om zijn werk niet te verrichten, met feiten en omstandigheden moet komen die tot het oordeel kunnen leiden dat van hem redelijkerwijs niet kon worden verlangd dat hij zijn werkzaamheden zou verrichten. De werknemer in deze procedure heeft niet aangevoerd dat en waarom, gelet op bepaalde arbeidsomstandigheden, van hem niet verglangd kon worden dat hij de passende werkzaamheden zou verrichten. De werknemer heeft de gestelde situatieve arbeidsongeschiktheid niet gekoppeld aan arbeidsomstandigheden, maar aan een als vervelend ervaren consult bij de bedrijfsarts. Dat is geen reden om de passende werkzaamheden niet te verrichten. De werknemer had zich moeten realiseren dat het besluit om deze werkzaamheden niet meer uit te voeren consequenties zou kunnen hebben voor de loondoorbetaling. De kantonrechter heeft de vordering tot uitbetaling van loon afgewezen. ... lees meer

09-08-2018
Aanvragen subsidie praktijkleren

Aanvragen subsidie praktijkleren

De subsidieregeling praktijkleren is bedoeld om werkgevers te stimuleren om praktijk- en werkleerplaatsen aan te bieden. De subsidie is een tegemoetkoming in de kosten die een werkgever maakt voor de begeleiding van een leerling of in de loon- en begeleidingskosten van een promovendus of technologisch ontwerper in opleiding (toio). De regeling geldt voor de volgende onderwijscategorieën: vmbo (voor leerlingen die een leer-werktraject volgen in de basisberoepsgerichte leerweg); mbo (beroepsbegeleidende leerweg (bbl)); hbo (duale of deeltijdopleiding in sectoren techniek, landbouw en natuurlijke omgeving); promovendi; toio’s (technologisch ontwerpers in opleiding). Met ingang van het schooljaar 2017/2018 is de regeling uitgebreid en geldt deze ook voor leerwerkplaatsen voor het voortgezet speciaal onderwijs (vso), het praktijkonderwijs (pro) en de entreeopleiding in het voortgezet onderwijs. De uitbreiding geldt voor leerlingen in het laatste schooljaar van het vso in het arbeidsmarktgerichte uitstroomprofiel of in een leer-werktraject in het uitstroomprofiel vervolgonderwijs, voor leerlingen in het laatste schooljaar van het pro en voor leerlingen die een entreeopleiding volgen die wordt verzorgd als beroepsbegeleidende leerweg. AanvragenVoor het schooljaar 2017/2018 kan de aanvraag worden ingediend tot uiterlijk 17 september 2018 om 17.00 uur. Het schooljaar 2017/2018 liep van 1 augustus 2017 tot en met 31 juli 2018. De aanvraag gaat digitaal via het eLoket van RVO.nl. De subsidie bedraagt maximaal € 2.700 per gerealiseerde praktijk- of werkleerplaats. Bij overschrijding van het beschikbare subsidiebudget per onderwijscategorie wordt het budget evenredig over de ingediende aanvragen in die categorie verdeeld. ... lees meer

09-08-2018
Naheffing parkeerbelasting

Naheffing parkeerbelasting

In een procedure over een naheffingsaanslag parkeerbelasting is weer eens duidelijk geworden dat geld niet altijd een rol speelt en dat principes geld kosten. De naheffingsaanslag betrof een bedrag van € 63,50, waarvan € 2,60 parkeerbelasting voor een uur parkeren en € 60,90 kosten. De belanghebbende had € 1 aan parkeerbelasting betaald. De begintijd was volgens het parkeerkaartje 13.58 uur en de eindtijd was 14.21 uur. Parkeercontroleurs constateerden om 14.24 uur dat onvoldoende parkeerbelasting was betaald. De rechtbank heeft de naheffingsaanslag met € 1 aan reeds betaalde parkeerbelasting verminderd. De betaalde belasting had betrekking op een periode die volledig viel binnen de periode waarover parkeerbelasting is nageheven. Volgens de rechtbank mag niet meer dan het niet betaalde bedrag worden nageheven. De heffingsambtenaar ging tegen de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep. Ook volgens Hof Arnhem-Leeuwarden kan alleen het niet betaalde deel van de parkeerbelasting worden nageheven. Reeds betaalde belasting kan met andere woorden niet in een naheffingsaanslag worden begrepen. Op grond van de Gemeentewet wordt een naheffingsaanslag parkeerbelasting berekend over een parkeerduur van een uur, tenzij aannemelijk is dat het voertuig langer dan een uur zonder betaling geparkeerd heeft gestaan. Indien duidelijk is dat ten tijde van de constatering de periode waarover belasting is verschuldigd minder dan een uur bedraagt moet de nageheven belasting naar evenredigheid worden verlaagd. Dat betekende in deze casus dat slechts over 26 minuten parkeerbelasting verschuldigd was. De belanghebbende had al voor 23 minuten parkeerbelasting betaald. Het na te heffen bedrag aan parkeerbelasting had beperkt moeten blijven tot € 0,13. Het hoger beroep van de heffingsambtenaar was ongegrond. Omdat de belanghebbende geen hoger beroep had ingesteld, was er geen aanleiding om de naheffingsaanslag verder te verminderen dan de rechtbank had gedaan. De heffingsambtenaar moest het griffierecht van € 501 betalen en aan de belanghebbende een proceskostenvergoeding van € 69,96 betalen. Het hoger beroep tegen een vermindering van de naheffingsaanslag met € 1 kostte de gemeente alleen aan griffierecht en proceskostenvergoeding een bedrag van € 571. ... lees meer

02-08-2018
Ongeoorloofde afwezigheid reden voor ontslag

Ongeoorloofde afwezigheid reden voor ontslag

In beginsel kan een werkgever de arbeidsovereenkomst met een werknemer niet rechtsgeldig opzeggen zonder diens schriftelijke instemming. Uitzondering op deze regel is een ontslag op staande voet. Daarvoor moet een dringende reden bestaan. De werkgever dient een ontslag op staande voet onder opgave van de dringende reden onverwijld mee te delen aan de werknemer. Naar het oordeel van de kantonrechter vormt het zonder toestemming van de werkgever op vakantie gaan tijdens re-integratie een dringende reden voor een ontslag op staande voet. Het Burgerlijk Wetboek noemt als uitgangspunt dat de werkgever de tijdstippen van begin en einde van vakantie vaststelt volgens de wensen van de werknemer, tenzij er gewichtige redenen zijn om daarvan af te wijken. De werkgever moet die gewichtige redenen binnen twee weken nadat de werknemer zijn wensen schriftelijk heeft kenbaar gemaakt, schriftelijk aan de werknemer hebben meegedeeld. Doet de werkgever dat niet, dan is de vakantie vastgesteld overeenkomstig de wensen van de werknemer. In dit geval betrof het een werknemer die na 1,5 jaar ziekte weer benutbare mogelijkheden had en op korte termijn kon starten met passend werk. De afspraken daarover waren al gemaakt en vormden de reden voor de werkgever om het verzoek om vakantie van de werknemer af te wijzen. Bij schending van de re-integratieverplichtingen door een werknemer staan de werkgever andere sanctiemiddelen dan ontslag op staande voet ten dienste, zoals het niet betalen van loon. Wanneer een werknemer passende arbeid weigert, leidt dat niet tot ontslag op staande voet. In dit geval was geen sprake van het weigeren van passende arbeid, maar van het ongeoorloofd afwezig zijn. Dat levert een dringende reden voor ontslag op, omdat de werkgever erop moet kunnen vertrouwen dat een werknemer zich houdt aan gemaakte afspraken. Dit geldt ook als de werknemer arbeidsongeschikt is. ... lees meer

02-08-2018
Subsidie duurzame energie zorginstellingen

Subsidie duurzame energie zorginstellingen

Zorginstellingen kunnen subsidie krijgen voor energiebesparende maatregelen en voor het opwekken van duurzame energie. De subsidie bedraagt maximaal 15% van de totale kosten van de subsidiabele activiteiten. De regeling is bedoeld voor zorginstellingen die geen gebruik kunnen maken van de energie-investeringsaftrek. Maatregelen waarvoor subsidie kan worden verkregen zijn onder meer: het aanbrengen van ledverlichting; ventilatie en verwarming met warmteterugwinning of warmtepomp; verwarming van water met een warmtepompboiler en het terugwinnen van warmte uit douchewater; het toepassen van wand-, vloer- en dakisolatie en het aanbrengen van isolerend glas; energieopwekking door zon en biomassa. Een zorginstelling kan in één aanvraag subsidie aanvragen voor verschillende vestigingen en voor verschillende maatregelen. Per vestiging van een zorginstelling kan slechts één keer subsidie worden verkregen. De instelling kan meerdere aanvragen indienen. Het totaal van de aangevraagde subsidie en vanaf 2016 door de zorginstelling verkregen andere overheidssteun mag niet hoger zijn dan € 200.000. Aan toekenning van de subsidie zijn de volgende voorwaarden verbonden: De offerte voor de subsidiabele maatregelen is niet eerder dan 1 maart 2018 afgegeven. De facturen moeten in 2018 worden betaald. Wel mogen de werkzaamheden later worden uitgevoerd. De ondergrens voor een subsidieaanvraag is € 10.000. Per zorginstelling kan maximaal € 100.000 subsidie worden aangevraagd. De aanvragen moeten voor 1 september 2018 zijn ingediend. Daarnaast kan een zorginstelling eenmalig € 5.000 subsidie aanvragen voor activiteiten die betrekking hebben op een keurmerk voor verduurzaming. ... lees meer

02-08-2018
Afschrijvingsbeperking bedrijfsgebouw

Afschrijvingsbeperking bedrijfsgebouw

Bij de bepaling van de winst uit onderneming moet rekening gehouden worden met een beperking van de mogelijkheid om af te schrijven op de waarde van een bedrijfsgebouw. Afschrijving in een kalenderjaar is slechts mogelijk als de boekwaarde van het gebouw hoger is dan de bodemwaarde daarvan. De afschrijving kan niet hoger zijn dan het verschil tussen boek- en bodemwaarde van het gebouw. De bodemwaarde voor een gebouw in eigen gebruik bij de ondernemer is 50% van de WOZ-waarde. De ondergrond en aanhorigheden worden tot het gebouw gerekend. Kenmerk van aanhorigheden is dat ze bij het gebouw behoren en dienstbaar aan het gebouw zijn. Fysieke verbondenheid tussen gebouw en aanhorigheid is niet vereist. Een procedure van de rechtbank spitste zich toe op de vraag welk criterium geldt voor het bepalen of een bouwwerk een aanhorigheid is. De inspecteur hanteerde als criterium: behoort bij een gebouw, is in gebruik bij het gebouw en is daaraan dienstbaar. De belanghebbende meende dat als criterium gold dat een bouwwerk onmiddellijk en uitsluitend dienstbaar is aan een gebouw. Volgens de rechtbank heeft de wetgever met de afschrijvingsbeperking voor bedrijfsgebouwen voor het begrip aanhorigheid willen aansluiten bij de invulling van dat begrip voor de eigenwoningregeling. Uit de jurisprudentie voor de eigenwoningregeling volgt dat de inspecteur het juiste criterium heeft gehanteerd. Wel moet bij de toepassing van het criterium rekening worden gehouden met de verschillen tussen een eigen woning en een bedrijfsgebouw. De procedure had betrekking op een agrarisch bedrijf. De uitkomst was dat de mestsilo, het strooiselhok en de plaat/sleufsilo’s gelet op hun ligging en functie aanhorigheden van de bedrijfsgebouwen waren. Dat gold ook voor de erfverharding. ... lees meer

27-07-2018
Geen aftrek voorbelasting business seats

Geen aftrek voorbelasting business seats

Ondernemers hebben in beginsel recht op aftrek van de omzetbelasting die andere ondernemers voor leveringen en diensten in rekening hebben gebracht. Niet alle in rekening gebrachte omzetbelasting is aftrekbaar. Het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968 (BUA) beperkt de aftrek van voorbelasting in een aantal specifieke gevallen. De aftrek is uitgesloten voor relatiegeschenken aan personen of ondernemingen die zelf geen of een beperkt recht op aftrek van voorbelasting hebben, zoals overheden en btw-vrijgestelde ondernemers. Ook is de aftrek uitgesloten voor allerlei diensten aan het personeel, zoals het uitkeren van loon in natura en het geven van gelegenheid tot sport, ontspanning of privévervoer van personeelsleden. De bewijslast dat het BUA van toepassing is en in rekening gebrachte omzetbelasting dus niet aftrekbaar is, ligt bij de Belastingdienst. Dat ontslaat de ondernemer niet van de plicht om in voorkomende gevallen het ongelijk van de inspecteur te kunnen bewijzen. Het is de ondernemer die aanspraak maakt op aftrek van voorbelasting. Wanneer de inspecteur deze aanspraak betwist, zal de ondernemer met de benodigde gegevens moeten komen om zijn standpunt te onderbouwen. Een voorbeeld waarin het bewijsrechtelijk misging is de volgende casus. Een ondernemer huurde business seats bij een voetbalclub en nodigde zakenrelaties uit om met hem of een van zijn personeelsleden wedstrijden te bekijken. De voor de huur van de zitplaatsen in rekening gebrachte omzetbelasting bracht de ondernemer volledig in aftrek. De Belastingdienst corrigeerde de aftrek van voorbelasting met een naheffingsaanslag omzetbelasting, gebaseerd op twee gronden van het BUA. Ten eerste betrof het de uitsluiting van aftrek voor relatiegeschenken en ten tweede de verlening van diensten aan het personeel. Bezien vanuit de modale consument overheerst bij de terbeschikkingstelling van business seats aan personeelsleden hun persoonlijke belang. De ondernemer had geen gegevens bijgehouden van welke zakenrelaties hij wanneer had meegenomen om wedstrijden te bezoeken. Het niet bijhouden van deze gegevens kwam de ondernemer duur te staan. De inspecteur stelde zich op het standpunt dat de meegenomen zakenrelaties zelf geen recht op aftrek van voorbelasting zouden hebben gehad indien rechtstreeks aan hen zou zijn gefactureerd. Door geen gegevens te kunnen verstrekken, had de ondernemer de stelling van de inspecteur onvoldoende gemotiveerd betwist en had de inspecteur aan zijn bewijslast, dat het BUA van toepassing is, voldaan. Ten aanzien van het gebruik van de business seats door personeelsleden heeft de Hoge Raad duidelijk gemaakt dat het bezoeken van een recreatief evenement als een sportwedstrijd in het algemeen een persoonlijke keuze is. Dat geldt ook voor werknemers die op kosten van de werkgever wedstrijden in een voetbalstadion kunnen bijwonen. Wanneer een ondernemer zijn personeel daartoe in de gelegenheid stelt, is het vermoeden gerechtvaardigd dat dit hun privédoeleinden dient. In die gevallen is het BUA van toepassing. De ondernemer kan dit vermoeden ontzenuwen, door aannemelijk te maken dat het bijwonen van het evenement plaatsvond met (potentiële) zakenrelaties. Het BUA is dan niet van toepassing omdat het zakelijke belang overheersend is. Het eventuele persoonlijke voordeel voor de werknemers is dan van bijkomstige aard. Beslissend is met welk doel de ondernemer zijn personeel een evenement laat bijwonen en niet de persoonlijke beleving van het personeel. ... lees meer

26-07-2018
Compensatieregeling transitievergoeding langdurige arbeidsongeschiktheid

Compensatieregeling transitievergoeding langdurige arbeidsongeschiktheid

De wet, die regelt dat het UWV bij beëindiging van een dienstbetrekking met een langdurig arbeidsongeschikte werknemer aan de werkgever een compensatie voor de transitievergoeding betaalt, is in het Staatsblad geplaatst. Werknemers hebben bij ontslag op initiatief van de werkgever recht op een transitievergoeding wanneer de dienstbetrekking twee jaar of langer heeft geduurd. Dat geldt ook voor ontslag van een langdurig zieke werknemer na afloop van de periode waarin de werkgever tot loondoorbetaling verplicht is. Werkgevers ervaren dat als onredelijk en kiezen er daarom vaak voor om niet tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst over te gaan. De nieuwe wet moet dit ongenoegen van werkgevers wegnemen. De compensatie voor de transitievergoeding komt uit het Algemeen werkloosheidsfonds en wordt gefinancierd door een verhoging van de uniforme Awf-premie. Werkgevers die voor compensatie van betaalde transitievergoeding in aanmerking komen, kunnen op grond van deze wet een verzoek indienen bij het UWV. Het bedrag van de compensatie is gelijk aan de betaalde transitievergoeding, vermeerderd met de kosten van genomen maatregelen ter voorkoming van werkloosheid of het bekorten van de periode daarvan en de kosten, die tijdens het dienstverband zijn gemaakt om de inzetbaarheid van de werknemer te verhogen. Dergelijke kosten mogen in mindering gebracht worden op de transitievergoeding. De compensatie wordt berekend alsof de arbeidsovereenkomst is geëindigd op de dag na het verstrijken van het tijdvak waarin de werkgever verplicht is tot loondoorbetaling. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zal in een besluit nadere regels geven over de aanvraag en verstrekking van de compensatie voor de transitievergoeding. De wet treedt op 1 januari 2020 in werking. ... lees meer

26-07-2018
Omkering en verzwaring bewijslast vervallen niet door overlijden

Omkering en verzwaring bewijslast vervallen niet door overlijden

Wanneer een belastingplichtige niet op tijd of onvolledig aangifte inkomstenbelasting heeft gedaan, kan dat leiden tot omkering en verzwaring van de bewijslast. Dat houdt in dat de belastingplichtige overtuigend moet bewijzen dat en in hoeverre de opgelegde aanslag niet juist is. De Belastingdienst legde naar aanleiding van een strafrechtelijk onderzoek aan een inmiddels overleden belastingplichtige navorderingsaanslagen inkomstenbelasting over de jaren 2007 tot en met 2009 op en legde een aanslag voor het jaar 2010 op met correctie van het aangegeven inkomen. In de procedure over de aanslagen oordeelde het hof dat de bewijslast omgekeerd en verzwaard moest worden. Redengevend daarvoor was dat de aangifte 2009 niet binnen de daarvoor gestelde termijn was gedaan en dat voor de jaren 2007, 2008 en 2010 niet de vereiste aangiften waren gedaan omdat de inkomsten uit de handel in softdrugs niet waren opgenomen in de aangiften. De erfgenamen voerden in cassatie tegen de uitspraak van het hof aan, dat de omkering en de verzwaring van de bewijslast sancties zijn met een persoonlijk karakter, die vervallen op het moment van overlijden. De Hoge Raad volgt dit betoog niet. Het gaat om een bestuursrechtelijke maatregel die bedoeld is om het doen van juiste en volledige aangiften te bevorderen. Wanneer de vereiste aangifte niet is gedaan is het doel niet bereikt. Noch de tekst van de wet, noch de strekking van de maatregel verzet zich ertegen dat de bewijsrechtelijke gevolgen van de maatregel ook na het overlijden van de aangifteplichtige van toepassing blijven. Een tweede doel van de omkering en verzwaring van de bewijslast is de vermindering van de bewijsproblemen van de inspecteur indien iemand niet aan de verplichting om informatie te verstrekken of een administratie te voeren voldoet. Dergelijke bewijsproblemen nemen door het overlijden van de betrokkene niet af. ... lees meer

26-07-2018
Toepassing verleggingsregeling

Toepassing verleggingsregeling

Volgens de Wet op de omzetbelasting is de ondernemer die een levering of dienst verricht in beginsel degene van wie de belasting wordt geheven. In een aantal gevallen geldt een verleggingsregeling en wordt de omzetbelasting geheven van de afnemer van de levering of de dienst. Een van de gevallen waarin een verleggingsregeling van toepassing is heeft betrekking op de levering van een als zekerheid dienende onroerende zaak aan een ondernemer tot executie van die zekerheid. Deze regeling is ingevoerd om te voorkomen dat de verschuldigde omzetbelasting niet aan de Belastingdienst wordt betaald, terwijl de afnemer de omzetbelasting wel in aftrek kan brengen. Volgens de Hoge Raad geldt deze verleggingsregeling ook wanneer de hypotheeknemer niet overgaat tot executie, maar een regeling met de hypotheekgever treft op grond waarvan de onroerende zaak onderhands wordt verkocht en met de opbrengst de schuld aan de hypotheeknemer wordt afgelost. Zonder toepassing van de verleggingsregeling zou de hypotheeknemer verhaal kunnen zoeken op door de hypotheekgever verschuldigde omzetbelasting, waardoor deze niet aan de Belastingdienst zou worden betaald, terwijl de koper die omzetbelasting wel in aftrek kan brengen. Degene, die een beroep doet op toepassing van de verleggingsregeling, moet de feiten stellen en bij betwisting aannemelijk maken dat aan de voorwaarden is voldaan. ... lees meer

26-07-2018
Bezwaarschriften 2017 box 3 aangemerkt als massaal bezwaar

Bezwaarschriften 2017 box 3 aangemerkt als massaal bezwaar

Wanneer de Belastingdienst geconfronteerd wordt met een groot aantal bezwaren die betrekking hebben op dezelfde rechtsvraag kan de procedure voor massaal bezwaar worden gebruikt. Met deze procedure worden alle bezwaarschriften met hetzelfde geschilpunt collectief afgedaan. Geschilpunten die niet de in de aanwijzing massaal bezwaar geformuleerde rechtsvraag betreffen, worden niet collectief afgedaan. De Bond voor Belastingbetalers heeft mensen opgeroepen om bezwaar te maken tegen de vermogensrendementsheffing 2017. De staatssecretaris verwacht dat veel mensen aan deze oproep gehoor zullen geven en heeft deze bezwaarschriften daarom aangewezen als massaal bezwaar. Vanaf het tweede kwartaal 2014 tot en met het eerste kwartaal 2018 zijn ongeveer 30.000 bezwaarschriften ingediend die betrekking hebben op de belastingheffing in box 3 in de jaren tot en met 2016. Ongeveer 18.500 bezwaarschriften zijn aangehouden in verband met de lopende procedure massaal bezwaar. Omdat de systematiek van de vermogensrendementsheffing per 1 januari 2017 is aangepast, is de uitkomst van de lopende procedures over de jaren tot en met 2016 niet beslissend voor de bezwaren tegen aanslagen inkomstenbelasting voor de belastingjaren 2017 en later. In antwoord op vragen uit de Tweede Kamer antwoordt de staatssecretaris dat wijzigingen in de vermogensrendementsheffing eenvoudig zijn door te voeren voor zover het gaat om bedragen en percentages. Een stelselwijziging is ingrijpender en vraagt dus meer tijd. ... lees meer

19-07-2018
Problemen met loonkostenvoordeel na stage

Problemen met loonkostenvoordeel na stage

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft Kamervragen over problemen met het niet toekennen van het loonkostenvoordeel na een stage beantwoord. De minister maakt duidelijk dat de regeling is bedoeld om mensen met afstand tot de arbeidsmarkt aan het werk te krijgen. Middelen als proefplaatsing en stage kunnen daaraan bijdragen. Geeft een werkgever de stagiair een reële beloning, dan is sprake van een dienstbetrekking. Geeft de werkgever een stagevergoeding, dan is sprake van een fictieve dienstbetrekking. Zowel bij een fictieve als bij een reguliere dienstbetrekking komt de werkgever in aanmerking voor het loonkostenvoordeel als de werknemer voldoet aan de voorwaarden. Een van de voorwaarden is dat de werknemer over een doelgroepverklaring beschikt. De aanvraag hiervoor moet binnen drie maanden na aanvang van de dienstbetrekking worden gedaan. Gebeurt dat niet dan wordt geen doelgroepverklaring afgegeven en heeft de werkgever geen recht op het loonkostenvoordeel. Probleem bij het aanbieden van een dienstverband na een stage is dat de periode van betaalde stage meetelt. Werkgevers doen er goed aan om de doelgroepverklaring aan te vragen op het moment dat stagiaires in de loonadministratie worden opgenomen. De minister laat onderzoeken of bij wijze van uitzondering mogelijk is dat werknemers uit de doelgroep die direct aansluitend aan een betaalde stage in 2018 een arbeidscontract zijn aangegaan met dezelfde werkgever alsnog een doelgroepverklaring kunnen aanvragen voor de stageperiode en voor de periode van het arbeidscontract. Bij een onbetaalde stage doet dit probleem zich niet voor, omdat dan geen sprake is van een fictieve dienstbetrekking. ... lees meer

19-07-2018
Tweede Kamer neemt compensatieregeling transitievergoeding aan

Tweede Kamer neemt compensatieregeling transitievergoeding aan

De Tweede Kamer heeft het wetsvoorstel dat werkgevers vanaf 2020 compenseert voor de transitievergoeding bij ontslag van langdurig zieke werknemers aangenomen. Werknemers hebben bij ontslag op initiatief van de werkgever recht op een transitievergoeding wanneer de dienstbetrekking twee jaar of langer heeft geduurd. Dat geldt ook voor ontslag van een langdurig zieke werknemer na afloop van de periode waarin de werkgever tot loondoorbetaling verplicht is. Werkgevers ervaren dat als onredelijk en kiezen er daarom vaak voor om niet tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst over te gaan. Het door de Tweede Kamer aangenomen wetsvoorstel moet het ongenoegen van werkgevers wegnemen. De compensatie voor de transitievergoeding komt uit het Algemeen werkloosheidsfonds en wordt gefinancierd door een verhoging van de uniforme Awf-premie. ... lees meer

19-07-2018
Geen aftrek voorbelasting als niet is geleverd

Geen aftrek voorbelasting als niet is geleverd

Ondernemers moeten omzetbelasting berekenen over de vergoeding die zij aan hun afnemers in rekening brengen voor de levering van goederen of het verrichten van diensten. De btw-richtlijn omschrijft de levering van een goed als de overdracht of overgang van de macht om als een eigenaar over een lichamelijke zaak te beschikken. De belasting is verschuldigd op het tijdstip waarop de levering plaatsvindt. Op dat moment ontstaat bij de afnemer het recht op aftrek van de door hem betaalde omzetbelasting. Het recht op aftrek van voorbelasting is beperkt tot de mate waarin de afgenomen goederen en diensten worden gebruikt voor belaste handelingen door de afnemer. Het Hof van Justitie EU heeft onlangs de vraag beantwoord of het recht op aftrek van voorbelasting mag worden geweigerd omdat de gefactureerde goederen niet zijn geleverd aan de ondernemer aan wie de factuur is gericht. De verwijzende rechter wilde met name weten of voor het weigeren van aftrek nodig is om aan te tonen dat de ondernemer wist of had moeten weten dat het ging om btw-fraude. Volgens het Hof van Justitie EU is in het btw-stelsel het recht op aftrek gekoppeld aan de daadwerkelijke levering van een goed of de daadwerkelijke verrichting van een dienst. Het is uitgesloten dat er enig recht op aftrek ontstaat wanneer er geen daadwerkelijke levering of dienstverrichting plaatsvindt. Eerder heeft het Hof van Justitie EU al uitgelegd dat er geen recht op aftrek is voor belasting die uitsluitend is verschuldigd omdat zij wordt vermeld op een factuur. Het Hof van Justitie EU merkt nog op, dat degene die voorbelasting wenst af te trekken moet aantonen dat aan de voorwaarden voor aftrek is voldaan. ... lees meer

19-07-2018
Na inbreng onderneming in bv is er geen keuzevermogen

Na inbreng onderneming in bv is er geen keuzevermogen

Om te voorkomen dat door een onjuiste vaststelling van het eindvermogen van een onderneming over het voorafgaande jaar een deel van de bedrijfswinst onbelast blijft of dubbel wordt belast, is in de rechtspraak de foutenleer ontwikkeld. Met behulp van de foutenleer kan een balansfout worden hersteld in het oudste jaar waarvan de belastingaanslag nog niet definitief vaststaat. De rechtbank Gelderland is van oordeel dat de foutenleer niet kan worden toegepast om een onjuiste vermogensetikettering binnen een IB-onderneming ongedaan te maken nadat de onderneming is ingebracht in een bv. Volgens de Wet Vpb wordt een bv geacht haar onderneming te drijven met behulp van haar gehele vermogen. Dat betekent dat al het vermogen van een bv ondernemingsvermogen vormt. Anders dan bij een IB-onderneming is bij een bv geen sprake van keuzevermogen, waarbij de ondernemer binnen de grenzen der redelijkheid kan bepalen of een vermogensbestanddeel tot zijn ondernemingsvermogen behoort of tot zijn privévermogen. Het leerstuk van de vermogensetikettering is kenmerkend voor de inkomstenbelasting en eindigt op het moment dat de onderneming wordt ingebracht in een bv. Omdat er geen sprake is van keuzevermogen in de bv kan de balans van de bv geen fout door een onjuiste keuze bevatten. Dat betekent dat de foutenleer niet kan worden toegepast. ... lees meer

19-07-2018
Alternatieven btw-identificatienummer

Alternatieven btw-identificatienummer

De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) heeft onderzoek gedaan naar het gebruik van het burgerservicenummer (BSN) in het btw-identificatienummer. Volgens de AP heeft het gebruik van het BSN in het btw-identificatienummer geen wettelijke grondslag. Het BSN is een vertrouwelijk persoonsnummer voor communicatie tussen overheid en burger. Het gebruik van het BSN als btw-identificatienummer is niet noodzakelijk voor de uitvoering van de taak van de Belastingdienst. Voor de registratie van een btw-ondernemer kan een nummer worden gebruikt dat niet op het BSN is gebaseerd. Naar aanleiding van het onderzoek van de AP deelt de staatssecretaris van Financiën mee dat hij op zoek gaat naar een haalbaar alternatief. Een mogelijkheid kan zijn dat bestaande en nieuwe ondernemers/natuurlijke personen een nieuw btw-identificatienummer krijgen voor extern gebruik. Dat nummer wordt dan gebruikt in alle uitingen aan derden waarin vermelding van een btw-nummer verplicht is en in contacten met de Belastingdienst. De Belastingdienst gebruikt het nieuwe nummer in deze optiek in berichten aan de ondernemer waarin vermelding van het btw-identificatienummer vereist is en die de ondernemer moet delen met derden. Binnen de systemen van de Belastingdienst blijft het op het BSN-gebaseerde nummer van de ondernemer in gebruik. Om dit te realiseren moet er een conversieservice worden gebouwd, die het nieuwe nummer bij inkomend verkeer omzet naar het oude nummer en bij uitgaand verkeer andersom. Of dit haalbaar en werkbaar is, wordt momenteel onderzocht. De nieuwe nummersystematiek zal niet voor de door de AP genoemde datum van 1 januari 2019 gerealiseerd kunnen worden. ... lees meer

19-07-2018
Nationaal sportakkoord

Nationaal sportakkoord

De minister van Sport heeft een akkoord gesloten met de sport, gemeenten en maatschappelijke organisaties en bedrijven. Dit nationale sportakkoord houdt onder meer in dat er ruim 700 extra buurtsportcoaches komen en dat de onbelaste vrijwilligersvergoeding omhooggaat van € 1.500 naar € 1.700 per jaar. Verder komt er een bedrag van € 87 miljoen beschikbaar aan subsidie voor sportverenigingen die investeren in accommodaties en voor beweegprogramma’s voor kinderen onder de zes jaar. Alle bij het sportakkoord betrokken partijen betalen mee om de ambities te realiseren. Het nationaal sportakkoord bestaat uit vijf deelakkoorden, die gesloten zijn door veel verschillende partijen. Het gaat om de volgende akkoorden: inclusief sport en bewegen; van jongs af aan vaardig in bewegen; duurzame sportinfrastructuur; vitale aanbieders; positieve sportcultuur. ... lees meer

12-07-2018
Jeugd-LIV

Jeugd-LIV

Werkgevers hebben over 2018 recht op het jeugd-LIV voor elke werknemer, die voldoet aan de volgende drie voorwaarden: de werknemer is verzekerd voor 1 of meer van de werknemersverzekeringen; de werknemer was op 31 december 2017 18, 19, 20 of 21 jaar; de werknemer heeft een gemiddeld uurloon dat hoort bij het wettelijke minimumjeugdloon voor zijn leeftijd. De bedragen voor het gemiddeld uurloon zijn voor 2018 als volgt vastgesteld: Leeftijd Ondergrens gemiddeld uurloon Bovengrens gemiddeld uurloon 21 jaar € 8,40 € 9,82 20 jaar € 6,91 € 9,34 19 jaar € 5,43 € 7,69 18 jaar € 4,69 € 6,04 Het Jeugd-LIV wordt in de loop van 2019 automatisch uitbetaald aan de werkgever op basis van de aangeleverde loonadministratiegegevens. ... lees meer

12-07-2018
Vliegbelasting

Vliegbelasting

De belastingheffing zal in de toekomst verschuiven van inkomensgerelateerd naar verbruiksgerelateerd. Met name milieuonvriendelijke producten zullen zwaarder worden belast. Onderdeel van deze verschuiving is het heffen van belasting op vliegverkeer. Met ingang van 2021 wil Nederland belasting gaan heffen op vliegverkeer. Het liefst zou Nederland zien dat er een eenduidige Europese vliegbelasting wordt geïntroduceerd. Mocht dit niet lukken dan wordt er een belasting per vliegtuig en/of een belasting per passagier ingevoerd. Uit onderzoek blijkt dat een beperkte vliegbelasting van € 3,80 per passagier binnen europa en € 22 voor intercontinentale vluchten een positieve invloed heeft op welvaart, BBP en klimaat. ... lees meer

12-07-2018
Opbrengst verhuur tuinhuis niet belast

Opbrengst verhuur tuinhuis niet belast

Voor de heffing van de inkomstenbelasting worden de voordelen uit eigen woning gesteld op een forfaitair bedrag. Wordt de eigen woning tijdelijk aan derden ter beschikking gesteld, dan moet 70% van de daarmee behaalde opbrengst bij de voordelen worden geteld. De vraag in een procedure voor de rechtbank was of dat ook geldt voor de opbrengst van de verhuur van een tuinhuis. Een tuinhuis is een zogenaamde aanhorigheid van de eigen woning en maakt daarmee deel uit van de eigen woning. De vraag is dus of ook bij de verhuur van een deel van de eigen woning 70% van de opbrengst bij het inkomen moet worden geteld. Volgens de rechtbank gaat de tekst van de wet uit van tijdelijke verhuur van de gehele woning. Dat volgt ook uit de parlementaire toelichting bij het betreffende wetsartikel. Tijdelijke verhuur van een gedeelte van de eigen woning is bij de parlementaire behandeling niet aan de orde geweest. ... lees meer

12-07-2018
Nieuwe of gebruikte auto voor de bpm?

Nieuwe of gebruikte auto voor de bpm?

Over de vraag wanneer sprake is van een nieuwe of gebruikte auto voor de bpm heeft de Hoge Raad al meerdere arresten gewezen. Zo staat de omstandigheid dat een auto in het buitenland is geregistreerd voordat deze in Nederland werd geregistreerd er niet aan in de weg om de auto als nieuw aan te merken wanneer de Nederlandse koper de auto voor het eerst in gebruik heeft genomen. Een auto is nieuw voor de bpm als hij niet of nauwelijks is gebruikt. De staatssecretaris van Financiën heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van Hof Den Bosch in een procedure over de bpm. Volgens het hof ging het om een auto, die ten tijde van de registratie als een gebruikte auto moest worden aangemerkt. De staatssecretaris meent dat het om een destijds nieuwe auto gaat. De auto is op 11 januari 2012 aan de Nederlandse koper, een bv, afgeleverd met slechts 10 kilometer op de teller. Op 12 januari is de auto op naam van de bestuurder van de bv in Duitsland geregistreerd op een zogenaamd exportkenteken. Op 1 februari 2012 is in Nederland aangifte voor de bpm gedaan. De auto had op dat moment een kilometerstand van 3.092. De registratie vond plaats op 8 februari 2012 op naam van de bv. Het hof hield geen rekening met het feit dat de auto direct aan de Nederlandse koper is afgeleverd. Volgens de staatssecretaris gaat het in dit geval om een U-bocht constructie met belastingbesparing als doorslaggevende reden. Na de aanschaf heeft de bv bewust kilometers in het buitenland laten maken om bij de registratie in Nederland voor de bpm uit te gaan van een gebruikte auto. Het hof vond dat niet aannemelijk gemaakt en oordeelde dat het enkele feit dat tussen aankoop en registratie in Nederland weinig tijd was verstreken onvoldoende bewijs is voor het oogmerk tot belastingbesparing. De Advocaat-generaal (A-G) bij de Hoge Raad concludeert dat het beroep in cassatie van de staatssecretaris ongegrond is. De A-G meent dat, gezien het aantal gereden kilometers, het gebruik in het buitenland reële betekenis heeft. Het gaat niet om de vraag wie de auto in het buitenland in gebruik heeft genomen, maar om de vraag of de auto ten tijde van de registratie in Nederland feitelijk nieuw of gebruikt was. De A-G merkt nog op dat dat de huidige regelgeving er wellicht toe uitnodigt om met dure auto’s eerst enige tijd op Duits kenteken in het buitenland te gaan rondrijden. ... lees meer

11-07-2018
Nieuw bij Van Harberden: Hendrik Hakkert

Nieuw bij Van Harberden: Hendrik Hakkert

Per 1 september hoopt Hendrik Hakkert onze nieuwe collega te worden bij Van Harberden. Hendrik gaat aan de slag als Beginnend Assistent Accountant. Welkom Hendrik, veel succes! ... lees meer

Ontvang onze nieuwsbrief!

Wilt u ook up-to-date blijven? Laat uw gegevens achter en u ontvangt voortaan iedere maand onze nieuwsbrief!