19-04-2018
Kamerbrief positie bedrijfsarts

Kamerbrief positie bedrijfsarts

De verantwoordelijkheid voor de arbeidsomstandigheden ligt bij werkgevers en werknemers. De werkgever moet zich in een aantal situaties laten ondersteunen door een arbodienst of een bedrijfsarts, bijvoorbeeld bij de advisering over ziekteverzuimbegeleiding en bij re-integratie. De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft in een brief aan de Tweede Kamer een uiteenzetting gegeven over de onafhankelijkheid van de bedrijfsarts. Vanaf 1 juli 2018 moet iedere werkgever een basiscontract hebben met een arbodienst of een bedrijfsarts. Daarin wordt vastgelegd welke taken de bedrijfsarts vervult en hoe deze worden uitgevoerd. De staatssecretaris onderkent dat de bedrijfsarts in situaties terecht kan komen waarin werkgever en werknemer tegenover elkaar staan. Ook in die situaties moet de bedrijfsarts zijn onafhankelijkheid bewaren. Een zieke werknemer mag niet onder druk gezet worden om te beginnen met werken of in de WW terechtkomen zonder voldoende hersteld te zijn. In eerste instantie is de werkgever verantwoordelijk voor de begeleiding van een zieke werknemer. De bedrijfsarts is de adviseur van de werkgever en de werknemer. De staatssecretaris ziet het nieuwe basiscontract als een belangrijk instrument om de onafhankelijkheid van de bedrijfsarts te versterken. Een arbodienst of bedrijfsarts hoeft niet altijd in te stemmen met datgene wat een werkgever vraagt. Als een werknemer tegen zijn zin hersteld wordt verklaard door de bedrijfsarts, kan hij aan het UWV een deskundigenoordeel vragen. Tegen het deskundigenoordeel van het UWV kan beroep bij de rechter worden ingesteld. ... lees meer

19-04-2018
Geen animo voor stapsgewijs omzetten van hypotheken

Geen animo voor stapsgewijs omzetten van hypotheken

De Tweede Kamer heeft vorig jaar een motie aangenomen waarin de regering wordt gevraagd om in samenspraak met kredietverstrekkers mogelijk te maken dat hypotheken stapsgewijs worden omgezet in een vorm met lagere maandlasten. Dat zou moeten gebeuren door gebruik te maken van de mogelijkheid om ieder jaar een deel boetevrij af te lossen en dat deel over te sluiten. Op die manier zou oversluiten zonder vergoeding aan de kredietverstrekker mogelijk zijn. Wet- en regelgeving kennen geen belemmering voor stapsgewijs oversluiten. Tijdens overleg met het Platform Hypotheken werd geconcludeerd dat de voordelen van stapsgewijs oversluiten niet opwegen tegen de nadelen. Dat geldt zowel voor stapsgewijs oversluiten bij de eigen kredietverstrekker als voor stapsgewijs oversluiten naar een andere kredietverstrekker. De vrees bestaat dat het stapsgewijs oversluiten een negatief effect zal hebben op het aanbod van lange rentevastperiodes en flexibele hypotheekvoorwaarden. Door stapsgewijs over te sluiten wordt de rentevastperiode eenzijdig en kosteloos opengebroken. Er bestaan andere laagdrempelige mogelijkheden om te profiteren van de huidige lage rente, zoals regulier oversluiten of rentemiddeling. Daarnaast ontstaat een complexe situatie wanneer er meerdere leningdelen zijn met hetzelfde onderpand bij meerdere kredietverstrekkers. De minister van Financiën heeft aan de Tweede Kamer laten weten dat hij, gelet op de uitkomsten van het overleg, het niet opportuun vindt om aanbieders op te roepen om stapsgewijs oversluiten breed aan te bieden. ... lees meer

19-04-2018
Gebruik woning tijdens verblijf in buitenland

Gebruik woning tijdens verblijf in buitenland

De eigen woning van een belastingplichtige valt in box 1 van de inkomstenbelasting. Er moet een aan de waarde van de woning gerelateerd bedrag bij het inkomen worden geteld, terwijl de rente en de kosten van de financiering van de woning aftrekbaar zijn. Een woning blijft gelden als eigen woning voor de inkomstenbelasting gedurende tijdelijk verblijf elders, bijvoorbeeld in het buitenland. Gedurende deze periode mag de woning niet aan derden ter beschikking worden gesteld en mogen de belastingplichtige en zijn partner geen andere eigen woning hebben. Wordt niet aan de voorwaarden voldaan, dan valt de woning niet langer onder de eigenwoningregeling en gaat deze van box 1 naar box 3. De betaalde hypotheekrente is dan niet aftrekbaar. Gebruik van de woning tijdens het verblijf elders door mensen die deel uitmaken van het huishouden van de belastingplichtige is toegestaan. Naar het oordeel van Hof Den Bosch kwalificeert het gebruik van een woning door een neef van de belastingplichtige als het ter beschikking stellen van de woning aan een derde. Volgens het hof behoorde de neef niet tot het huishouden van de belastingplichtige en moest de neef dus worden aangemerkt als een derde. De neef logeerde in de woning van de belastingplichtige wanneer hij voor zijn studie in de buurt moest zijn. Het hof vond van belang dat de neef toestemming had voor het gebruik van de woning en dat sprake was van meer dan incidenteel logeren. Dat de neef slechts gebruik maakte van één slaapkamer en van de algemene voorzieningen in de woning wil niet zeggen dat de woning niet aan derden ter beschikking werd gesteld. Het hof was van oordeel dat de inspecteur de woning terecht niet als eigen woning heeft aangemerkt. ... lees meer

19-04-2018
Aansprakelijkheid werkgever

Aansprakelijkheid werkgever

Werkgevers moeten zorgen voor een veilige werkomgeving. Doen zij dat niet, dan zij aansprakelijk voor de schade die hun werknemers daardoor oplopen, tenzij de werknemer schade lijdt als gevolg van opzet of bewust roekeloos handelen.Op grond van vaste jurisprudentie zijn werkgevers verplicht om een behoorlijke verzekering af te sluiten ter dekking van schade van werknemers, die in de uitoefening van hun werkzaamheden als bestuurder van een motorvoertuig betrokken kunnen raken bij een verkeersongeval. Als de werkgever niet heeft gezorgd voor een behoorlijke verzekering, is hij zelf aansprakelijk voor de schade die een werknemer door de tekortkoming van de werkgever heeft geleden. Een procedure had betrekking op de vraag of de werkgever aansprakelijk was voor de door een werknemer geleden schade ten gevolge van een aanrijding tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden. Tussen partijen was niet in geschil dat de werknemer door een spoorwegovergang op te rijden terwijl een trein naderde, feitelijk roekeloos had gehandeld. De vraag was of het roekeloos handelen bewust was. Daarvan is niet snel sprake. Alleen wanneer uit de feiten zonder meer de conclusie kan worden getrokken dat de werknemer zich direct voorafgaand aan het ongeval bewust is geweest van de gevaarlijke situatie en tóch willens en wetens het risico heeft genomen, is sprake van bewust roekeloos handelen. Naar het oordeel van de kantonrechter deed zich hier een dergelijke situatie niet voor. Zelfs als de werknemer de overgang is opgereden toen de alarmlichten al brandden, het belsignaal was afgegaan en de halve slagboom naar beneden was, dan is volgens de kantonrechter niet uitgesloten dat de werknemer zich niet bewust was van de naderende trein, bijvoorbeeld omdat hij was afgeleid of de weg zocht. Volgens de kantonrechter zou het anders zijn geweest als de overgang was beveiligd door hele in plaats van halve slagbomen. De verklaring van de treinmachinist dat de werknemer stapvoets de overgang was opgereden, bevestigt volgens de kantonrechter de conclusie dat hij zich op dat moment niet bewust moet zijn geweest van zijn roekeloze gedrag. Omdat de werkgever niet had voldaan aan zijn verplichting om te zorgen voor een behoorlijke verzekering die de schade van een verkeersongeval dekt, was hij aansprakelijk voor de gevolgen van het ongeval. ... lees meer

12-04-2018
Internetconsultatie wetsvoorstel maatregelen verbetering arbeidsmarkt

Internetconsultatie wetsvoorstel maatregelen verbetering arbeidsmarkt

De minister van Sociale Zaken heeft de internetconsultatie geopend voor een wetsvoorstel met maatregelen ter verbetering van de arbeidsmarkt. De Wet arbeidsmarkt in balans (WAB) bevat de volgende maatregelen. Ontslag wordt mogelijk op basis van een optelsom van redenen. Deze cumulatiegrond biedt de rechter de mogelijkheid om meerdere ontslaggronden te combineren, wanneer deze gronden ieder voor zich onvoldoende zijn voor ontslag. De kantonrechter kan de transitievergoeding bij gebruik van de cumulatiegrond met maximaal 50% verhogen. Werknemers krijgen vanaf de eerste dag van de arbeidsovereenkomst recht op een transitievergoeding bij ontslag. De transitievergoeding wordt verlaagd bij lange dienstverbanden. Voor ieder jaar dat de arbeidsovereenkomst heeft geduurd is de vergoeding een derde van het maandloon. Het UWV compenseert werkgevers voor de transitievergoeding bij ontslag van arbeidsongeschikte werknemers na de periode van loondoorbetaling. Er komt een regeling voor kleine werkgevers om de transitievergoeding te compenseren als ze hun bedrijf moeten beëindigen wegens pensionering of ziekte. De proeftijd voor vaste contracten wordt verlengd van twee naar vijf maanden. De ketenbepaling voor opeenvolgende tijdelijke contracten wordt verruimd naar drie contracten in drie jaar. In de cao kan worden geregeld dat de keten wordt verbroken na drie in plaats van na zes maanden, als het gaat om terugkerend tijdelijk werk dat maximaal negen maanden per jaar kan worden gedaan. Er komt een uitzondering op de ketenregeling voor invalkrachten in het primair onderwijs die invallen wegens ziekte. Werknemers op payrollbasis krijgen dezelfde arbeidsvoorwaarden als de werknemers die in dienst zijn bij de opdrachtgever. Dat geldt niet voor de pensioenregeling. De definitie van de uitzendovereenkomst wordt niet gewijzigd. Oproepkrachten moeten minstens vier dagen van tevoren worden opgeroepen door de werkgever. De oproepkrachten hebben recht op loon als het werk wordt afgezegd. De termijn van vier dagen kan in de cao worden verkort tot een dag. De WW-premie voor werknemers met een vaste baan wordt lager dan voor werknemer met een tijdelijk contract. Op https://www.internetconsultatie.nl/arbeidsmarkt_in_balans kunnen belangstellenden tot 7 mei 2008 hun reactie op het conceptwetsvoorstel geven. ... lees meer

12-04-2018
Aanzegverplichting

Aanzegverplichting

Een werkgever moet een werknemer wiens tijdelijke arbeidscontract afloopt ten minste een maand van tevoren schriftelijk laten weten of hij de arbeidsovereenkomst wil voortzetten of niet. Doet de werkgever dat niet of te laat, dan heeft de werknemer recht op een zogenaamde aanzegvergoeding. Die bedraagt maximaal het loon over een maand. Voor het recht op vergoeding is niet vereist dat er onzekerheid bestaat over het al dan niet voortzetten. Dat blijkt uit de volgende procedure. Een tijdelijke arbeidsovereenkomst eindigde op 1 april 2017. Op 27 februari 2017 heeft de werkgever mondeling medegedeeld dat de arbeidsovereenkomst zou worden verlengd. Niet eerder dan op 21 maart 2017 werd de verlenging van de arbeidsovereenkomst schriftelijk bevestigd. Toen de werknemer enkele maanden later de arbeidsovereenkomst opzegde, maakte hij aanspraak op de aanzegvergoeding. De werkgever betaalde de vergoeding niet. De kantonrechter wees daarna de vordering van de werknemer toe, omdat de werkgever niet tijdig, dat wil zeggen voor 1 maart 2017, de werknemer schriftelijk heeft geïnformeerd over de status van de arbeidsovereenkomst. Op het hoger beroep van de werkgever heeft het gerechtshof de uitspraak van de kantonrechter bevestigd. De wet maakt geen onderscheid tussen de situatie waarin wel of niet tijdig een mondelinge toezegging is gedaan. Zonder schriftelijke bevestiging van de werkgever heeft de werknemer geen zekerheid over het al dan niet voortzetten van zijn dienstverband en de voorwaarden waaronder een eventuele voortzetting zal plaatsvinden. ... lees meer

12-04-2018
Herinvesteringsreserve en emigratie

Herinvesteringsreserve en emigratie

De Wet IB 2001 bevat een bepaling die tot gevolg heeft dat bij het overbrengen van vermogensbestanddelen van een in Nederland gedreven onderneming naar het buitenland belasting wordt geheven over de meerwaarde wanneer de ondernemer niet langer binnenlands belastingplichtig is. De wet bevat verder een eindafrekeningsbepaling. Op grond van deze bepaling worden niet eerder in aanmerking genomen voordelen uit onderneming gerekend tot de winst over het kalenderjaar waarin een ondernemer ophoudt in Nederland winst uit de onderneming te genieten. De vraag in een procedure was of een van deze bepalingen tot gevolg heeft dat een door een ondernemer gevormde herinvesteringsreserve bij zijn emigratie moet vrijvallen. Hof Arnhem-Leeuwarden was van oordeel dat de eerste bepaling niet van toepassing is omdat een herinvesteringsreserve geen vermogensbestanddeel is dat naar het buitenland kan worden verplaatst of kan worden vervreemd. Ook de eindafrekeningsbepaling had volgens het hof niet tot gevolg dat over de herinvesteringsreserve inkomstenbelasting moest worden betaald. De ondernemer had ook na zijn emigratie nog ondernemingsvermogen in Nederland. Daarom is hij in het jaar van emigratie niet opgehouden in Nederland uit de onderneming winst te genieten. De Hoge Raad is van mening dat het hof terecht heeft geoordeeld dat een herinvesteringsreserve geen bestanddeel van het vermogen van een onderneming is. Volgens de Hoge Raad vloeit uit het feit dat de ondernemer op de balans per 31 december van het jaar van emigratie nog steeds een herinvesteringsreserve aanhield voort dat de ondernemer in dat jaar niet is opgehouden in Nederland winst uit onderneming te genieten. Daarom werd aan eindafrekening niet toegekomen. ... lees meer

12-04-2018
Beleidsbesluit gevolgen huwelijksgoederengemeenschap

Beleidsbesluit gevolgen huwelijksgoederengemeenschap

De staatssecretaris van Financiën heeft bij de behandeling van het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2018 in de Eerste Kamer toegezegd om in een beleidsbesluit te bevestigen dat het aangaan van een huwelijk of het aangaan of wijzigen van huwelijkse voorwaarden niet leidt tot heffing van schenkbelasting. Die toezegging is de staatssecretaris nu nagekomen door de aanpassing van een besluit uit 2010. Een huwelijksgoederengemeenschap kan op verschillende manieren ontstaan. Als echtgenoten trouwen zonder huwelijkse voorwaarden te maken, ontstaat van rechtswege een gemeenschap van goederen. Tot 1 januari 2018 was dit een algehele gemeenschap van goederen. Met ingang van 1 januari 2018 is de wettelijke gemeenschap beperkt en behoort het voorhuwelijkse vermogen van de echtgenoten daar niet toe. Echtgenoten kunnen ook een gemeenschap van goederen laten ontstaan door het opstellen van huwelijkse voorwaarden. Dit kan zowel voor als tijdens het huwelijk. Ook kan een bestaande gemeenschap van goederen tijdens het huwelijk worden gewijzigd door huwelijkse voorwaarden op te stellen of te wijzigen. Voor de Successiewet is het aangaan van het huwelijk zonder opstellen van huwelijkse voorwaarden geen schenking. Trouwen onder huwelijkse voorwaarden of het tijdens het huwelijk opstellen of wijzigen van huwelijkse voorwaarden kan onder omstandigheden wel een schenking inhouden. In het besluit worden enkele situaties genoemd waarin geen sprake is van een schenking. Wijziging tijdens het huwelijk van huwelijkse voorwaarden waardoor een wettelijke gemeenschap van goederen ontstaat, houdt geen schenking in. Het opstellen van huwelijkse voorwaarden, waarbij een algehele gemeenschap van goederen ontstaat, hetzij voor het huwelijk hetzij tijdens het huwelijk, houdt geen schenking in. Echtgenoten kunnen in hun huwelijkse voorwaarden regelen dat ze bij echtscheiding en/of overlijden hun vermogens verrekenen alsof er sprake is van een gemeenschap van goederen. Economisch ontstaat door een dergelijk finaal verrekenbeding dezelfde situatie als bij het aangaan van een gemeenschap van goederen. De staatssecretaris keurt goed dat bij een finaal verrekenbeding geen sprake is van een schenking wanneer in de huwelijkse voorwaarden iedere gemeenschap is uitgesloten. De goedkeuring geldt ook als echtgenoten tijdens het huwelijk alsnog een wederkerig verplicht finaal verrekenbeding opnemen in hun huwelijkse voorwaarden. Als samenwoners gezamenlijk een woning hebben gekocht en vervolgens trouwen zonder huwelijkse voorwaarden omvat de gemeenschap de woning en de daarop betrekking hebbende schulden. Bij ontbinding van het huwelijk is dan ieder gerechtigd tot de helft van de woning minus de daarop betrekking hebbende schulden. Daartoe behoort een onderlinge schuld wanneer een van beiden bij de aanschaf meer eigen vermogen heeft ingelegd.De staatssecretaris keurt goed dat deze onderlinge schuld buiten de gemeenschap van goederen kan blijven zonder dat sprake is van een schenking. Dat moet in huwelijkse voorwaarden worden geregeld. Aan de goedkeuring zijn vier voorwaarden verbonden: De echtgenoten nemen in de huwelijkse voorwaarden op dat een wettelijke gemeenschap van goederen wordt aangegaan waarin beiden voor gelijke delen gerechtigd zijn. Het gaat om een onderlinge schuld die is ontstaan bij de gezamenlijke aanschaf van de eigen woning en die zonder nadere afspraak tot de wettelijke gemeenschap van goederen zou behoren. In de huwelijkse voorwaarden, waarbij een wettelijke gemeenschap is aangegaan, is alleen met betrekking tot deze schuld afgeweken van het wettelijke huwelijksgoederenregime. De schuld heeft betrekking op de aanschaf van een eigen woning als bedoeld in de Wet IB 2001. ... lees meer

06-04-2018
Algemene Verordening Gegevensbescherming

Algemene Verordening Gegevensbescherming

Op 25 mei 2018 treedt de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) in werking. De AVG is de opvolger van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) en is van toepassing op iedereen die met persoonsgegevens werkt. Voor veel ondernemingen geldt dat daarbij onderscheid gemaakt kan worden in twee soorten personen van wie gegevens worden gebruikt. Het betreft personeel van de onderneming en de klanten. Welke gegevens van klanten worden vastgelegd is afhankelijk van de aard van het bedrijf. Naarmate meer en ook bijzondere gegevens vastgelegd worden, gelden strengere voorschriften. PersoonsgegevensAlle gegevens die betrekking hebben op een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon gelden als persoonsgegevens. Binnen de persoonsgegevens gelden gradaties. Aan bijzondere persoonsgegevens, zoals medische gegevens, etnische gegevens, seksuele of politieke voorkeuren worden strengere eisen gesteld bij de verwerking dan aan bijvoorbeeld NAW-gegevens. Verwerking van persoonsgegevensVerwerking is iedere vorm van verzamelen, vastleggen of gebruiken van persoonsgegeven in een bestand. Verwerking van persoonsgegevens moet rechtmatig zijn. Dat kan op basis van toestemming van de betrokkene of op basis van een wettelijke verplichting. Persoonsgegevens mogen alleen worden gebruikt voor het doel waarvoor zij verzameld zijn c.q. waarvoor de betrokkene toestemming heeft gegeven. Er mogen niet meer gegevens gevraagd of bewaard worden dan nodig is voor het doel. Toestemming moet expliciet worden gegeven, bijvoorbeeld voor het toesturen van nieuwsbrieven of aanbiedingen. Voor het vastleggen van gegevens van personeel gelden wettelijke verplichtingen, zoals het bewaren van een kopie van een identiteitsbewijs. Bewaren persoonsgegevensPersoonsgegevens mogen niet langer worden bewaard dan noodzakelijk. Is het doel waarvoor gegevens zijn verzameld bereikt dan moeten zij vernietigd of teruggegeven worden. VerwerkersovereenkomstDe AVG schrijft het bestaan van een verwerkersovereenkomst voor tussen de verantwoordelijke voor de verwerking van persoonsgegevens en de derde aan wie de verantwoordelijke de verwerking heeft uitbesteed. Als deze derde zelf het doel en de middelen van de verwerking vaststelt, is hij geen verwerker maar verwerkingsverantwoordelijke.Verwerkers die persoonsgegevens verwerken voor een groot aantal verwerkersverantwoordelijken doen er goed aan te werken met één (model)verwerkersovereenkomst. Waar een verwerker gebruik maakt van de diensten van andere verwerkers is sprake van sub-verwerking. Sub-verwerking is alleen toegestaan met instemming van de verwerkingsverantwoordelijke. Ook tussen verwerker en sub-verwerker moet een verwerkersovereenkomst worden gesloten. De voorwaarden in de sub-verwerkersovereenkomst moeten aansluiten bij de verwerkersovereenkomst die de verwerker met de verwerkingsverantwoordelijke heeft gesloten. Aandachtspunten bij invoering AVG 1. BewustwordingZorg ervoor dat de mensen in uw organisatie op de hoogte zijn van de nieuwe privacyregels. Maak een inschatting van de gevolgen van de AVG zijn voor uw bedrijfsvoering en van de aanpassingen die nodig zijn om aan de AVG te voldoen. 2. Rechten van betrokkenenOnder de AVG hebben mensen van wie u persoonsgegevens verwerkt meer rechten. Zorg ervoor dat zij deze rechten goed kunnen uitoefenen. 3. Inventariseer verwerkingenInventariseer welke gegevensverwerkingen u verricht. Leg vast welke persoonsgegevens u verwerkt met welk doel, waar deze gegevens vandaan komen en met wie u ze deelt. Beoordeel of u zich daarbij beperkt tot het minimum dat nodig is voor het doel. Wie heeft binnen uw organisatie toegang tot persoonsgegevens en hoe is de toegang daartoe beveiligd? Hoe gaat u om met gegevens die niet meer nodig zijn? Worden die vernietigd en is daar beleid voor (Hoe lang worden gegevens bewaard, wanneer worden gegevens vernietigd en wie is daarvoor verantwoordelijk)? Leg dit alles vast in een register. Onder de AVG heeft u een verantwoordingsplicht. U moet kunnen aantonen dat u in overeenstemming met de AVG handelt. 4. Uitgangspunten AVG voor verwerkingsbeleid en -processenDe AVG gaat uit van privacy by design en privacy by default. Dat houdt in dat al bij het ontwerpen van producten en diensten rekening met de bescherming van persoonsgegevens moet worden gehouden. Privacy by default houdt in dat u de nodige maatregelen neemt om ervoor te zorgen dat u als standaard alleen die persoonsgegevens verwerkt die noodzakelijk zijn voor het specifieke doel. 5. Functionaris gegevensbeschermingSommige organisaties zijn verplicht om een functionaris voor gegevensbescherming (FG) aan te stellen. Wellicht geldt dat voor uw organisatie. Uw organisatie mag vrijwillig een FG aanstellen. 6. Denk aan de meldplicht voor datalekkenDe meldplicht datalekken bestond al onder de Wbp. Daar verandert onder de AVG niet veel in. De AVG stelt wel strengere eisen aan de registratie van datalekken. U moet alle datalekken documenteren, zodat de Autoriteit Persoonsgegevens kan controleren of u aan de meldplicht heeft voldaan. 7. ToestemmingDe AVG stelt strenge eisen aan toestemming voor verwerking. Evalueer de manier waarop u toestemming vraagt, krijgt en registreert en pas deze zo nodig aan. U moet kunnen aantonen dat u geldige toestemming heeft om persoonsgegevens te verwerken. Het intrekken van toestemming mag niet moeilijker zijn dat het geven daarvan. ... lees meer

05-04-2018
Afschaffing dividendbelasting wordt niet uitgesteld

Afschaffing dividendbelasting wordt niet uitgesteld

De minister van Financiën heeft in antwoord op Kamervragen gezegd dat het kabinet geen aanleiding ziet om het wetsvoorstel ter afschaffing van de dividendbelasting uit te stellen. De afschaffing is voorzien per 1 januari 2020. Op dezelfde datum moet een bronbelasting op uitgaande dividendstromen naar landen met zeer lage belastingen en in misbruiksituaties worden ingevoerd. Het wetsvoorstel zal op Prinsjesdag 2018 aan de Tweede Kamer worden aangeboden. Voor het antwoord op de vraag wat het kabinet gaat doen om het mkb te compenseren voor de verhoging van het tarief in box 2, verhoging van het lage btw-tarief en het niet uitbreiden van het tariefopstapje in de vennootschapsbelasting verwijst de minister naar de beantwoording door de minister-president van eerdere vragen. De premier wees op de voorgenomen verkorting van de verplichte loondoorbetaling bij ziekte voor kleine werkgevers naar 1 jaar en de stapsgewijze verlaging van het Vpb-tarief in de jaren 2019, 2020 en 2021. De verhoging van het box-2 tarief ziet het kabinet als een compensatie van de tariefsverlaging in de Vpb om arbitrage met box 1 te voorkomen. ... lees meer

05-04-2018
Financiën publiceert voorstel wijziging kleineondernemersregeling

Financiën publiceert voorstel wijziging kleineondernemersregeling

Het ministerie van Financiën heeft een voorstel tot wijziging van de kleineondernemersregeling in de omzetbelasting ter consultatie gelegd. De huidige regeling geldt voor natuurlijke personen die op jaarbasis minder dan € 1.883 aan btw verschuldigd zijn. De voorgestelde regeling wordt ruimer, omdat deze ook gaat gelden voor andere ondernemers dan natuurlijke personen, zoals bv’s, stichtingen en verenigingen. Daarnaast wordt de jaaromzet van de ondernemer het uitgangspunt voor de regeling in plaats van de per saldo verschuldigde btw. Ondernemers die de nieuwe regeling toepassen brengen geen omzetbelasting in rekening aan hun afnemers en zijn ontheven van het doen van btw-aangifte en van de bijhorende administratieve verplichtingen. De nieuwe regeling is gebaseerd op de in de btw-richtlijn 2006 opgenomen vrijstellingsregeling. Het is de bedoeling dat de nieuwe regeling op 1 januari 2020 in werking treedt. Belangstellenden kunnen tot 1 mei 2018 reageren op het voorstel op www.overheid.nl. ... lees meer

05-04-2018
Kabinetsreactie evaluatie werkkostenregeling

Kabinetsreactie evaluatie werkkostenregeling

De werkkostenregeling (WKR) is het systeem voor de behandeling van vergoedingen en verstrekkingen in de loonbelasting. Het systeem bestaat uit een aantal gerichte vrijstellingen en nihilwaarderingen en een vrije ruimte. Vergoedingen en verstrekkingen, waarop een gerichte vrijstelling van toepassing is, blijven onbelast zolang zij het vrijgestelde bedrag niet overschrijden. Voor bepaalde vormen van loon in natura, zoals werkplekvoorzieningen en werkkleding, geldt een nihilwaardering. De werkgever kan vergoedingen en verstrekkingen, waarvoor geen gerichte vrijstelling of nihilwaardering geldt, onder de vrije ruimte van 1,2% van de fiscale loonsom brengen. Zolang de vrije ruimte niet wordt overschreden zijn deze vergoedingen en verstrekkingen onbelast. Komen deze vergoedingen en verstrekkingen uit boven de vrije ruimte, dan valt het meerdere onder een eindheffing van 80%. De eindheffing is voor rekening van de werkgever. De werkkostenregeling is in 2011 ingevoerd en is sinds 2015 verplicht. Er heeft een evaluatie van de werkkostenregeling plaatsgevonden. De staatssecretaris heeft de kabinetsreactie op de evaluatie naar de Tweede Kamer gestuurd. Uit de evaluatie blijkt dat werkgevers de beoogde administratieve lastenverlichting niet ervaren. Voor een deel komt dat doordat werkgevers zich sinds de invoering van de WKR meer bewust zijn van de manier waarop vergoedingen en verstrekkingen moeten worden geadministreerd. De WKR is in de praktijk te complex geworden. Opvallende uitkomst van de evaluatie is dat noch de Belastingdienst noch de advieswereld voorstander is van herinvoering van het oude stelsel van vergoedingen en verstrekkingen. Wel zou omwille van de eenvoud het aantal gerichte vrijstellingen verminderd kunnen worden in ruil voor een grotere vrije ruimte. Overschrijdingen van de vrije ruimte worden met name door personeelsfeesten en bedrijfsjubilea veroorzaakt. KabinetsreactieBenutting vrije ruimteWerkgevers proberen zo veel mogelijk de gerichte vrijstellingen en nihilwaarderingen te benutten voordat zij een vergoeding of verstrekking onder de vrije ruimte brengen. Dat kan bijdragen aan de ervaren complexiteit van de regeling. Administratieve lastenHet kabinet ziet mogelijkheden om de WKR op enkele punten te vereenvoudigen. Vrije ruimteAangezien het merendeel van de werkgevers geen eindheffing binnen de WKR betaalt, ziet het kabinet geen aanleiding om de regeling budgettair te verruimen. Dat betekent dat een toename van de gerichte vrijstellingen zal worden gecompenseerd door een verkleining van de vrije ruimte. NoodzakelijkheidscriteriumHet noodzakelijkheidscriterium werkt naar behoren. De evaluatie geeft geen aanleiding voor uitbreiding van de toepassing. KnelpuntenHet als onlogisch ervaren onderscheid tussen verstrekkingen op en buiten de werkplek kan opgelost worden door deze ook buiten de werkplek gericht vrij te stellen. Dat onderscheid geldt voor parkeerplaatsen en personeelsfeesten. Vanwege de budgettaire neutraliteit zou dit tot een beperking van de vrije ruimte leiden. Het kabinet is daar geen voorstander van. ... lees meer

29-03-2018
Verrekening negatief verlofdagensaldo

Verrekening negatief verlofdagensaldo

Wanneer een werknemer bij het einde van zijn dienstbetrekking een tegoed aan verlofdagen heeft, dan moet de werkgever tot uitbetaling daarvan overgaan. Heeft de werknemer aan het einde van zijn dienstbetrekking een negatief saldo aan verlofdagen omdat hij meer dagen heeft opgenomen dan waar hij recht op had, dan heeft de werkgever recht op vergoeding door de werknemer van de teveel opgenomen verlofdagen. De werkgever kan de vergoeding verrekenen met nog uit te betalen salaris. Verlofdagen worden gedurende het jaar tijdsevenredig opgebouwd. Wanneer een tegoed aan verlofdagen tot uitbetaling in geld leidt staan de verlofdagen gelijk aan gewoon loon. Voordat aanspraak kan worden gemaakt op deze vorm van loon zal daarvoor eerst gedurende een tijdsevenredige periode arbeid moeten worden verricht. Worden verlofdagen opgenomen voordat ze zijn opgebouwd dan is sprake van een voorschot op loon. Gaat een werknemer vervolgens uit dienst met een negatief verlofdagensaldo, dan is sprake van onverschuldigd betaald loon. De werkgever kan de tegenwaarde van de teveel opgenomen verlofdagen bij het einde van het dienstverband terugvorderen van de werknemer. Dit is alleen anders als terugvordering in strijd met eisen van redelijkheid en billijkheid zou zijn. ... lees meer

28-03-2018
Overgangsregeling bijtellingspercentage

Overgangsregeling bijtellingspercentage

De standaardbijtelling voor het privégebruik van een auto van de zaak is per 1 januari 2017 verlaagd van 25% naar 22%. Op grond van overgangsrecht geldt voor auto’s met een datum van eerste toelating van uiterlijk 31 december 2016 ook na 1 januari 2017 een bijtelling van 25%. Over de vraag of de overgangsregeling een verboden vorm van ongelijke behandeling is of een inbreuk op het recht van ongestoord genot van eigendom is een procedure aanhangig bij de Hoge Raad. De Advocaat-generaal (A-G)bij de Hoge Raad heeft een conclusie aan deze zaak gewijd. Eerder in de procedure heeft de rechtbank geoordeeld dat het gelijkheidsbeginsel door de overgangsregeling niet is geschonden. De wetgever had redelijke gronden voor de invoering van de overgangsregeling. Auto’s zijn zuiniger geworden en de overgangsregeling komt volgens de rechtbank de uitvoerbaarheid van de regeling ten goede. Evenmin is sprake van een ongeoorloofde inbreuk op het ongestoorde genot van eigendom. De wetgever heeft een grote beoordelingsvrijheid bij de keuze om al dan niet een overgangsregeling in te stellen. De regering heeft meerdere gronden aangevoerd om de keuze voor de overgangsregeling te onderbouwen. Dat de regeling elke redelijke grond mist blijkt volgens de A-G niet uit het door de werknemer aangevoerde. Het mislopen van het voordeel van een lagere bijtelling kan volgens de A-G niet als een buitensporige last worden aangemerkt. De conclusie van de A-G strekt tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie. ... lees meer

22-03-2018
Plannen regeerakkoord slecht voor mkb

Plannen regeerakkoord slecht voor mkb

In een brief aan de bewindslieden van Financiën hebben vier organisaties van accountants en belastingadviseurs erop gewezen dat maatregelen die in het regeerakkoord zijn opgenomen niet gunstig zijn voor het mkb. Gedoeld wordt op maatregelen die de IB-ondernemer en de dga met zijn bv treffen. Door de aangekondigde invoering van een tweeschijvenstelsel in 2021 gaan werknemers erop vooruit. Dat voordeel geldt ook voor de IB-ondernemer, maar dit wordt verminderd doordat de mkb-winstvrijstelling dan tegen het laagste belastingtarief in aftrek wordt gebracht. Het voordeel van de aangekondigde verlaging van het Vpb-tarief wordt gecompenseerd door een verhoging van het tarief in box 2 van de inkomstenbelasting. Die verhoging geldt ook voor eerder behaalde winsten wanneer zij in 2020 of later worden uitgekeerd. De organisaties merken op dat het regeerakkoord ook enkele maatregelen omvat die de bv, en daarmee de dga, treffen en de IB-ondernemer ontzien. Het gaat om de beperking van de afschrijving op gebouwen in eigen gebruik tot op 100% van de WOZ-waarde en de verkorting van de voorwaartse verliesverrekening tot zes jaren. Er is nu al een verschil in achterwaartse verliesverrekening ten nadele van de bv. Voor de IB-ondernemer bedraagt de termijn drie jaren, voor de bv is dit één jaar. De organisaties bepleiten dat: de mkb-winstvrijstelling aftrekbaar blijft tegen het marginale tarief in box 1; het ab-tarief in box 2 voor dga’s 25% blijft; het verschil in belastingdruk over het ondernemersloon tussen de IB-ondernemer en de dga verkleind wordt. Bij een vergelijking van de in het regeerakkoord opgenomen plannen voor het mkb met de voorstellen voor het grote internationale bedrijfsleven komt het mkb er volgens deze organisaties bekaaid vanaf. ... lees meer

22-03-2018
Forfaitaire bijtelling fiets van de zaak

Forfaitaire bijtelling fiets van de zaak

Om het woon-werkverkeer per fiets te stimuleren wil de staatssecretaris een bijtellingsregeling voor de fiets van de zaak invoeren. De staatssecretaris denkt aan een regeling die vergelijkbaar is met de bijtelling voor een auto van de zaak. Volgens de huidige regeling moet de werkelijke waarde van het privégebruik van een fiets van de zaak bij het loon worden geteld. De bepaling van de waarde van het privégebruik is een lastige zaak. Het komt erop neer dat alle kosten en lasten van de fiets moeten worden bijgehouden, evenals het aantal zakelijke en het aantal privékilometers. De staatssecretaris denkt dat een fiets van de zaak door een forfaitaire bijtellingsregeling een stuk aantrekkelijker wordt. De regeling moet nog worden uitgewerkt. Dat gebeurt in overleg met brancheverenigingen. Het streven is dat de bijtellingsregeling per 1 januari 2020 ingaat. Het kabinet trekt verder € 100 miljoen uit om lokale en provinciale investeringen in fietsinfrastructuur en fietsenstallingen bij ov-knooppunten mede te financieren. ... lees meer

22-03-2018
Kamerbrief evaluatie verevening pensioenrechten bij scheiding

Kamerbrief evaluatie verevening pensioenrechten bij scheiding

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft de tweede evaluatie van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wvps) naar de Tweede Kamer gestuurd. Naar aanleiding van de evaluatie kondigt de minister aan dat hij in de loop van volgend jaar een wetsvoorstel zal indienen om de Wvps en de Pensioenwet op een aantal punten te wijzigen. Voorgestelde wijzigingenDe huidige standaardmethode van verevening wordt vervangen door conversie. De ex-partners verkrijgen door conversie een zelfstandig recht op het hen toekomende deel van het ouderdomspensioen van de ander. De standaard voor het uitbetalen via de pensioenuitvoerder wordt aangepast van “nee, tenzij u een formulier toestuurt” in “ja, tenzij u aangeeft dat u het pensioen niet of anders wilt verdelen”. In verband met de aanpassing van het wettelijk stelsel van de gemeenschap van goederen per 1 januari 2018 wordt de periode waarover het bijzonder partnerpensioen wordt toegekend verkort tot de huwelijkse periode. Op dat punt moet de Pensioenwet worden gewijzigd. De werkingssfeer van de Wvps wordt overigens niet uitgebreid tot ongehuwd samenwonenden. De Wvps De Wvps heeft alleen betrekking op gehuwden en geregistreerde partners, niet op ongehuwd samenwonenden. Op grond van de Wvps hebben partners bij een scheiding ieder recht op de helft van het ouderdomspensioen dat tijdens het huwelijk is opgebouwd. Standaard komt door verevening vanaf de pensioeningangsdatum een deel van het ouderdomspensioen ten goede aan de ex-partner. De pensioenuitvoerder regelt de uitbetaling als de ex-partners binnen twee jaar na de scheiding een verzoek daartoe hebben doorgeven. Gebeurt dat niet of te laat, dan zullen de ex-partners te zijner tijd zelf uitbetaling moeten claimen bij de ander. Ex-partners kunnen afwijkende afspraken maken over het pensioen. Een van de mogelijkheden is de omzetting op het moment van scheiding van het deel van het ouderdomspensioen van de andere partner in een zelfstandige aanspraak (conversie). ... lees meer

15-03-2018
Naheffingsaanslagen parkeerbelasting vernietigd

Naheffingsaanslagen parkeerbelasting vernietigd

Betaald parkeren wordt vaak geregeld door het instellen van een gemeentelijke parkeerbelasting. Bij het niet betalen van parkeerbelasting of bij overschrijding van de parkeertijd kan een naheffingsaanslag worden opgelegd. De parkeerder moet de verschuldigde belasting direct na het parkeren van zijn auto betalen. De betaling van de parkeerbelasting moet bij controle kenbaar zijn. Naheffingsaanslagen parkeerbelasting leiden behalve tot ergernis nogal eens tot procedures. Een tweetal zaken ter illustratie. Een parkeercontroleur, die constateerde dat geen parkeerkaartje zichtbaar aanwezig was in een auto, legde een naheffingsaanslag parkeerbelasting op. De controleur had foto’s gemaakt waarop een deel van het dashboard te zien was. De eigenaar van de auto verklaarde dat hij een parkeerkaartje had gekocht en achter de voorruit had gelegd, maar op een plek die niet op de foto te zien was. Bij zijn terugkomst was de parkeertijd nog niet verstreken. De eigenaar onderbouwde zijn standpunt met een kopie van een parkeerkaartje, waarop de eindtijd en het betaalde bedrag waren vermeld. Gezien eindtijd en betaald bedrag was aannemelijk dat parkeerbelasting was betaald voor de controleur de naheffingsaanslag had opgelegd. De gemeentelijke heffingsambtenaar moest bewijzen dat de parkeercontroleur geen parkeerkaartje had aangetroffen in de auto. Daar slaagde hij naar het oordeel van het gerechtshof niet in. Dat bewijs had geleverd kunnen worden met extra foto’s of met de verklaring van een tweede parkeercontroleur. Het hof heeft de naheffingsaanslag vernietigd. Een parkeerder moet een redelijke termijn worden gegund om de verschuldigde parkeerbelasting te betalen nadat hij zijn auto heeft geparkeerd. Hoe lang een redelijke termijn is, hangt af van de omstandigheden ter plaatse. De gemeentelijke heffingsambtenaar meende dat drie minuten voldoende tijd was om de parkeerbelasting te betalen. De parkeerder bestreed dat. De dichtstbijzijnde parkeerautomaat was geschikt om te betalen met de inmiddels afgeschafte chipknip. Op de parkeerautomaat stond niet dat betaling met bankpas niet mogelijk was. De mogelijkheid om een bankpas in te voeren in de automaat was niet geblokkeerd. Na het invoeren van de aankomsttijd en parkeerduur verscheen de melding “interne storing” op de automaat. Daarna ging de parkeerder op zoek naar een andere parkeerautomaat, omdat hij meende dat de automaat defect was. Het gerechtshof was van oordeel dat de parkeerder terecht op zoek was gegaan naar een andere parkeerautomaat om de verschuldigde parkeerbelasting te voldoen. In dit geval vond het hof drie minuten geen redelijke termijn. Daarom vernietigde het hof de naheffingsaanslag. ... lees meer

15-03-2018
Compensatieregeling zwangerschapsverlof zelfstandigen

Compensatieregeling zwangerschapsverlof zelfstandigen

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft vragen over de compensatieregeling voor zwangere zzp’ers beantwoord. De vorige minister heeft op 17 oktober 2017 een ministeriële regeling aangekondigd, maar tot op heden is deze regeling nog niet gepubliceerd in de Staatscourant. De aangekondigde regeling ziet er op hoofdlijnen als volgt uit. Vrouwelijke zelfstandigen, beroepsbeoefenaren en meewerkende echtgenoten hebben recht op compensatie als ze zijn bevallen tussen 7 mei 2005 en 4 juni 2008. De compensatie moet worden aangevraagd bij het UWV. De hoogte van de compensatie bedraagt 90% van het wettelijk minimumloon per dag inclusief vakantiebijslag en wordt berekend over een periode van 80 dagen. Dat komt neer op een bedrag van ongeveer € 5.600. Het UWV en de Belastingdienst hebben de regeling op uitvoerbaarheid getoetst. Naar aanleiding daarvan is de regeling aangepast. Dat heeft tot gevolg dat de compensatie vanaf 1 januari 2019 zal worden uitgekeerd. Het streven is om de regeling nog in deze maand te publiceren in de Staatscourant en op 15 mei 2018 in werking te laten treden. Tot 1 oktober 2018 kunnen de zelfstandigen die daarvoor in aanmerking komen een aanvraag indienen. De aanvraagtermijn zou aanvankelijk drie maanden bedragen maar is verruimd naar vierenhalve maand. ... lees meer

15-03-2018
Paardensportaccommodatie geen onderdeel eigen woning

Paardensportaccommodatie geen onderdeel eigen woning

De Wet IB 2001 merkt als een eigen woning aan een gebouw met aanhorigheden, voor zover dat aan de belastingplichtige of zijn huishouden als hoofdverblijf ter beschikking staat op grond van eigendom. Wat onder aanhorigheden moet worden begrepen staat niet in de wet omschreven. Uit de rechtspraak kan worden afgeleid dat het moet gaan om een bijgebouw dat behoort bij de woning, daarbij in gebruik is en aan de woning dienstbaar is. Of een bijgebouw bij de woning behoort is afhankelijk van diverse omstandigheden, zoals de afstand tot de woning, de bouwkundige situatie en de bereikbaarheid vanuit de woning of vanaf de bijbehorende grond. De vraag in een procedure was of een accommodatie voor de paardensport als aanhorigheid bij de eigen woning kon worden aangemerkt. Aanvankelijk was het plan om de accommodatie bedrijfsmatig te gaan gebruiken. Er was een ondernemingsplan opgesteld op grond waarvan een omgevingsvergunning was aangevraagd. Objectieve kenmerken van de accommodatie benadrukten dat bedrijfsmatig gebruik was beoogd, aldus het hof. Daarbij werd gekeken naar de grootte van de accommodatie, de zelfstandige toegangsweg, de parkeergelegenheid voor bezoekers en de keuken met zitgelegenheid, die geschikt is voor grotere groepen. Door de ligging was zelfstandige exploitatie van de accommodatie mogelijk. Van dienstbaarheid aan de woning was bij de bouw geen sprake. Het was vervolgens aan de eigenaar om aannemelijk te maken dat door een gewijzigd gebruik de accommodatie een aanhorigheid bij de woning was geworden. De eigenaar voerde aan dat de accommodatie was gebouwd in de stijl van de woning en wordt gebruikt door zijn echtgenote en inwonende dochter. Hij wees erop dat de accommodatie geen eigen nutsvoorzieningen en riolering had. De inspecteur bestreed dat door erop te wijzen dat de dochter van de eigenaar als hoofdgebruiker van de accommodatie elders woonde. Daarmee was niet voldaan aan de voorwaarde van gebruik door de bewoners van de woning. De accommodatie was niet dienstbaar aan de woning door het ontbreken van een functioneel verband. Het hof oordeelde dat de eigenaar niet aan zijn bewijslast had voldaan. De accommodatie was geen aanhorigheid van de eigen woning maar een afzonderlijke onroerende zaak die in box 3 viel. Gevolg was dat de op de accommodatie betrekking hebbende betaalde hypotheekrente niet in box 1 in aftrek kon worden gebracht. ... lees meer

09-03-2018
Het noodzakelijkheidscriterium in de werkkostenregeling

Het noodzakelijkheidscriterium in de werkkostenregeling

Werkgevers kunnen werknemers vergoedingen geven voor kosten die zij maken in het kader van hun dienstbetrekking. In plaats van een vergoeding kan de werkgever ervoor kiezen om bepaalde zaken voor zijn rekening ter hand te stellen aan de werknemers. We praten dan niet over vergoedingen, maar over verstrekkingen. De fiscale behandeling van vergoedingen en verstrekkingen loopt in beginsel gelijk op. Sommige vergoedingen en verstrekkingen blijven onbelast, andere zijn belast. De werkkostenregeling bepaalt hoe vergoedingen en verstrekkingen fiscaal worden behandeld. Uitgangspunt werkkostenregelingHet uitgangspunt van de werkkostenregeling is dat alle vergoedingen en verstrekkingen aan werknemers loon vormen. Er is een vrije ruimte van 1,2% van de loonsom waarbinnen vergoedingen en verstrekkingen belastingvrij gedaan kunnen worden. De werkgever bepaalt welke vergoedingen of verstrekkingen binnen de vrije ruimte vallen door deze aan te merken als eindheffingsbestanddeel. Overschrijdt het totaal van de aangewezen vergoedingen en verstrekkingen de vrije ruimte, dan vormt het meerdere belast loon. Dat loon wordt niet belast bij de werknemer, maar wordt betrokken in een eindheffing tegen een tarief van 80% die voor rekening van de werkgever komt. NoodzakelijkheidscriteriumOp basis van het noodzakelijkheidscriterium hoeft een werkgever geen rekening te houden met een privévoordeel van de werknemer voor zaken die de werkgever aan de werknemer ter beschikking stelt. Deze verstrekkingen hebben geen invloed op de vrije ruimte. Die blijft beschikbaar voor andere vergoedingen en verstrekkingen. Het noodzakelijkheidscriterium geldt alleen voor gereedschappen, computers, mobiele communicatiemiddelen en dergelijke apparatuur. De werkgever mag van de werknemer een eigen bijdrage vragen voor zaken die met toepassing van het noodzakelijkheidscriterium ter beschikking worden gesteld. Wanneer een voorziening niet langer noodzakelijk is voor de uitoefening van de dienstbetrekking, moet de werknemer deze inleveren bij de werkgever. Desgewenst kan de werknemer de hem ter beschikking gestelde zaak houden, op voorwaarde dat hij de restwaarde daarvan aan zijn werkgever betaalt. Voorbeelden toepassing noodzakelijkheidscriteriumDe hamer van de timmerman is een duidelijk voorbeeld van een gereedschap waarop het noodzakelijkheidscriterium van toepassing is. Zonder hamer valt er immers weinig te timmeren. Even noodzakelijk is het muziekinstrument van een lid van een orkest. Is de musicus eigenaar van het instrument, dan kan een vergoeding door het orkest aan de musicus voor het instrument onder deze regeling worden gebracht. Het is niet verplicht dat het orkest alle kosten die samenhangen met het instrument van de musicus vergoedt. ... lees meer

08-03-2018
Arbeids- of stageovereenkomst?

Arbeids- of stageovereenkomst?

Het verschil tussen een arbeidsovereenkomst en een stageovereenkomst is niet heel groot. De elementen die een arbeidsovereenkomst kenmerken zijn vaak ook aanwezig in een stageovereenkomst. Er wordt arbeid verricht, er is een gezagsverhouding en er wordt een vergoeding betaald als tegenprestatie voor het verrichten van de arbeid. Het onderscheid ligt in het doel van de overeenkomst. Als het gaat om het uitbreiden van kennis en het opdoen van ervaring met het oog op voltooiing van een opleiding is geen sprake van een arbeidsovereenkomst. Wordt arbeid verricht om bij te dragen aan de verwezenlijking van het primaire doel van de onderneming, dan is van een stage- of leerovereenkomst geen sprake. In een procedure bij de kantonrechter was in geschil of een leer-/werkovereenkomst een arbeidsovereenkomst of een stageovereenkomst was. De overeenkomst hield in dat de betrokkene een dag in de week een opleiding volgde en daarnaast gemiddeld 24 uur per week werkte. In verband met een langdurige ziekteperiode van de betrokkene werd de opleiding tijdelijk gestopt en werd een nieuwe leer-/werkovereenkomst gesloten. De werkgever merkte de tijdelijke stopzetting van de opleiding aan als reden voor beëindiging van de leer-/werkovereenkomst en stopte de betaling van het loon. Volgens de werkgever was van een arbeidsovereenkomst met de betrokkene geen sprake. De werkzaamheden had de betrokkene niet verricht op basis van een arbeidsovereenkomst, maar op basis van de leer-werkovereenkomst. Beëindiging van de opleiding zou leiden tot beëindiging van de leer-/werkovereenkomst. De kantonrechter merkte op dat de wet de mogelijkheid kent om naast de praktijkovereenkomst een arbeidsovereenkomst tussen leerling en leerbedrijf te sluiten. In dat kader stelde de kantonrechter vast dat de betrokkene een aantal werkzaamheden zelfstandig mocht uitvoeren en op normale wijze meedraaide in het werkrooster. Voorafgaand aan de opleiding zijn geen leerdoelen geformuleerd en een structurele vorm van begeleiding ontbrak. De kantonrechter was van oordeel dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst bestond. De leer-/werkovereenkomst bevatte een bepaling op grond waarvan de leerling en de onderwijsinstelling de overeenkomst tussentijds konden opzeggen bij het stoppen van de opleiding. Die mogelijkheid gold niet voor de praktijkopleider annex werkgever. Dat betekende dat de arbeidsovereenkomst niet op rechtsgeldige wijze was beëindigd. De kantonrechter heeft om die reden het verzoek tot vernietiging van de opzegging van de arbeidsovereenkomst toegewezen. ... lees meer

08-03-2018
Wetsvoorstel btw-behandeling vouchers aangenomen

Wetsvoorstel btw-behandeling vouchers aangenomen

Het wetsvoorstel betreffende de btw-behandeling van vouchers is door de Eerste Kamer als hamerstuk afgedaan. Een hamerstuk is een wetsvoorstel waarover niemand tijdens een plenaire vergadering het woord wenst te voeren en dat zonder stemming wordt aanvaard. De wet is bedoeld ter invoering van de Europese voucherrichtlijn in de Wet op de omzetbelasting. De richtlijn omvat een definitie, een onderverdeling in soorten vouchers en regels over het al dan niet heffen van btw bij transacties met vouchers. De richtlijn heeft alleen betrekking op vouchers die kunnen worden ingewisseld voor goederen of diensten. Vouchers die recht geven op korting bij de aankoop van goederen of diensten vallen niet onder de nieuwe regels. De soort voucher bepaalt of btw wordt geheven bij de uitgifte of op het moment van gebruik van de voucher. Er wordt onderscheid gemaakt in vouchers voor enkelvoudig en voor meervoudig gebruik. Bij vouchers voor enkelvoudig gebruik wordt btw geheven bij de uitgifte en bij iedere doorverkoop van de voucher. De maatstaf van heffing is de vergoeding die voor de voucher wordt betaald. De uitgifte en doorverkoop van vouchers voor meervoudig gebruik blijft buiten de btw-heffing. De heffing vindt dan plaats bij de inwisseling van de voucher. Voor de maatstaf van heffing gelden specifieke bepalingen. Uitgangspunt voor de maatstaf van heffing is het bedrag dat de consument heeft betaald bij de aankoop van de voucher of de intrinsieke waarde van de voucher.Een voucher kan een fysieke of een elektronische vorm hebben. De nieuwe regeling moet zorgen dat situaties van dubbele of van niet-heffing bij grensoverschrijdende vouchers met ingang van 1 januari 2019 niet meer kunnen voorkomen. Grensoverschrijdend gebruik van vouchers vindt voornamelijk plaats bij telefoonkaarten. In verband met de wetswijziging zal het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 moeten worden aangepast. Dat besluit bevat bepalingen over ondernemers, die aan afnemers zegels of waardebonnen verstrekken die zij al, dan niet met bijbetaling, kunnen inwisselen tegen goederen. Deze bepalingen zijn per 1 januari 2019 niet meer van toepassing op zegels of waardebonnen die worden aangemerkt als vouchers. Voor zegels of waardebonnen, die niet onder de nieuwe wettelijke regeling voor vouchers vallen, blijven de bestaande bepalingen van kracht. De beleidsbesluiten voor zegels en waardebonnen, voor cadeaubonnen en voor telefoonkaarten zullen ook worden aangepast aan de nieuwe voucherregels. ... lees meer

08-03-2018
Onzakelijke lening

Onzakelijke lening

Een lening tussen gelieerde partijen kan als onzakelijk worden aangemerkt wanneer deze onder zodanige voorwaarden is verstrekt dat een debiteurenrisico wordt gelopen dat een onafhankelijke derde niet zou accepteren. De beoordeling van de zakelijkheid van een lening gebeurt in eerste instantie naar het moment van de geldverstrekking. Ook een geldlening, die valt onder het regime van de terbeschikkingstellingsregeling van de Wet IB 2001, kan een onzakelijke lening zijn. De bewijslast voor onzakelijkheid van de lening ligt bij de inspecteur. In een procedure voerde de inspecteur ter onderbouwing van de onzakelijkheid van een lening aan, dat de debiteur geen zekerheden had gesteld, dat er geen aflossingsschema was en dat externe partijen niet bereid waren om een financiering te verstrekken. De procedure had betrekking op een lening die door een aandeelhouder aan een bv was verstrekt. De bv verkeerde voor de verstrekking van de geldlening al in een slechte financiële positie verkeerde. Het hof was van oordeel dat de aandeelhouder een onzakelijk debiteurenrisico had aanvaard vanuit zijn positie als aandeelhouder. De bewijslast van de inspecteur gaat niet zo ver dat hij moet aantonen dat ook andere externe financiers dan de banken, aan wie tevergeefs om een financiering is gevraagd, niet bereid waren de geldlening onder dezelfde voorwaarden als de aandeelhouder te verstrekken. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie van de aandeelhouder tegen de uitspraak van het hof ongegrond verklaard. ... lees meer

01-03-2018
Belastingdienst mocht gekochte informatie niet als bewijs gebruiken

Belastingdienst mocht gekochte informatie niet als bewijs gebruiken

Hof Den Bosch heeft onlangs geoordeeld dat de Belastingdienst van een anonieme tipgever gekochte informatie over buitenlandse bankrekeningen van Nederlanders niet mocht gebruiken als bewijsmateriaal. Volgens het hof waren er geen gewichtige redenen waarom de identiteit van de tipgever en de met hem gesloten overeenkomst geheim zouden moeten worden gehouden. De inspecteur had eerder in de procedure een beroep op geheimhouding gedaan. Dat beroep was afgewezen. Wanneer de inspecteur, nadat zijn beroep op geheimhouding of beperkte kennisneming is afgewezen, de gevraagde informatie niet wil geven is het aan de rechter om daaraan eventueel gevolgen te verbinden. Het hof was van oordeel dat de tipgever de informatie heeft verkregen door een misdrijf te plegen. Hoewel de Belastingdienst heeft betaald voor uit een misdrijf afkomstig bewijsmateriaal wil dat niet altijd zeggen dat het bewijsmateriaal niet mag worden gebruikt. Dit hangt af van een beoordeling van de gemaakte belangenafweging. Het belang van een juiste belastingheffing en van het bestrijden van belastingontwijking moet worden afgewogen tegen het niet belonen van crimineel gedrag. De inspecteur moet de rechter inzicht geven in de door hem gemaakte belangenafweging. In dit geval heeft de inspecteur dat niet of onvoldoende gedaan. Er is geen onderzoek gedaan naar de precieze wijze waarop de tipgever het bewijsmateriaal heeft verzameld of naar een mogelijk strafrechtelijk verleden van de tipgever. De inspecteur heeft geen inzicht willen geven in de met de tipgever gemaakte beloningsafspraak, hoewel hij die informatie volgens de uitspraak van de geheimhoudingskamer van de rechtbank had moeten geven. Ten slotte is niet duidelijk geworden wat de verwachte belastingopbrengst was bij gebruik van het bewijsmateriaal. De belangenafweging schoot daarom tekort. De consequenties daarvan waren voor rekening van de inspecteur. Het hof heeft de opgelegde belastingaanslagen vernietigd. ... lees meer

01-03-2018
Controleer de WOZ-waarde van uw woning

Controleer de WOZ-waarde van uw woning

Ieder voorjaar ontvangt u van de gemeente de WOZ-beschikking voor uw eigen woning. De WOZ-beschikking 2018 kent als waardepeildatum 1 januari 2017. Omdat de huizenmarkt inmiddels flink is aangetrokken, mag verwacht worden dat ook de WOZ-waarde van uw woning is gestegen. Het kan geen kwaad om de vastgestelde waarde te controleren. Bent u van mening dat de WOZ-waarde te hoog is vastgesteld, dan kunt u tegen de beschikking bezwaar maken. De gemeente moet uw bezwaarschrift binnen zes weken na dagtekening van de beschikking hebben ontvangen. Bent u te laat met het indienen van uw bezwaarschrift, dan kunt u niet in beroep gaan bij de rechter tegen de reactie van de gemeente op uw bezwaar. De WOZ-waarde is niet alleen van belang voor lokale heffingen als de onroerendezaakbelasting en de waterschapslasten, maar ook voor de inkomstenbelasting (via het eigenwoningforfait) en mogelijk de schenk- en erfbelasting. ... lees meer

01-03-2018
Eerder aangekondigde spoedreparatie fiscale eenheid gaat door

Eerder aangekondigde spoedreparatie fiscale eenheid gaat door

Op 25 oktober 2017 heeft de advocaat-generaal (A-G) van het Hof van Justitie EU geconcludeerd dat de Nederlandse regeling van de fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting in bepaalde opzichten in strijd is met het EU-recht. Naar aanleiding van deze conclusie van de A-G zijn direct spoedreparatiemaatregelen aangekondigd voor het geval het Hof van Justitie EU de conclusie van de A-G zou volgen. Die uitspraak is er nu. Het Hof van Justitie EU heeft de zienswijze van de A-G overgenomen. De eerder aangekondigde reparatiemaatregelen zullen in het tweede kwartaal van 2018 als wetsvoorstel aan de Tweede Kamer ter behandeling worden aangeboden. Onderdeel van het wetsvoorstel zal invoering met terugwerkende kracht tot woensdag 25 oktober 2017, 11.00 uur zijn. Dat is het tijdstip waarop de spoedreparatiemaatregelen zijn aangekondigd. De staatssecretaris merkt op dat het bestaande regime van de fiscale eenheid binnen afzienbare termijn moet worden herzien en opgevolgd door een toekomstbestendige concernregeling. ... lees meer

01-03-2018
Zonder notaris trouwen in algehele gemeenschap van goederen

Zonder notaris trouwen in algehele gemeenschap van goederen

Tot 1 januari 2018 was het uitgangspunt van het huwelijksgoederenregime de algehele gemeenschap van goederen. Wie daarvan wilde afwijken moest naar de notaris om huwelijkse voorwaarden op te laten stellen. Voor mensen, die na 1 januari 2018 in het huwelijk treden, geldt zonder nadere regeling een beperkte gemeenschap van goederen. Willen mensen in algehele gemeenschap van goederen trouwen, dan moeten zij naar de notaris voor het opmaken van huwelijkse voorwaarden. De minister van Rechtsbescherming komt nu met een wetsvoorstel waarin wordt geregeld dat mensen die in algehele gemeenschap van goederen willen trouwen niet naar de notaris hoeven. In plaats daarvan kunnen zij volstaan met een verklaring, die zij uiterlijk één werkdag voor de huwelijksvoltrekking bij de ambtenaar van de burgerlijke stand moeten indienen. De ambtenaar van de burgerlijke stand draagt op verzoek van het echtpaar zorg voor registratie in het huwelijksgoederenregister van de verklaring. Dat doet hij door de verklaring door te sturen naar de griffie van de rechtbank. Omdat het geregistreerd partnerschap wettelijk gelijk wordt behandeld als het huwelijk, geldt dit wetsvoorstel ook voor de registratie van een partnerschap. De minister heeft het wetsvoorstel ter consultatie gepubliceerd. Wie dat wil kan daar tot 8 april op reageren. ... lees meer

22-02-2018
Kamervragen slapende dienstverbanden

Kamervragen slapende dienstverbanden

Werkgevers kunnen de betaling van een transitievergoeding aan arbeidsongeschikte werknemers voorkomen door na de periode van verplichte loondoorbetaling het dienstverband niet te beëindigen. Het vorige kabinet heeft een wetsvoorstel ingediend waarin enkele maatregelen met betrekking tot de transitievergoeding zijn opgenomen. Dat wetsvoorstel is na het demissionair worden van het kabinet controversieel verklaard met als gevolg dat de behandeling door de Tweede Kamer is stopgezet. Na het aantreden van het huidige kabinet is de behandeling van het wetsvoorstel voortgezet. De bij het wetsvoorstel behorende ministeriële regeling is inmiddels opgesteld en ligt bij het UWV voor een zogenaamde uitvoeringstoets. Afhankelijk van de uitkomst van de uitvoeringstoets kan duidelijkheid worden gegeven over de mogelijke datum van inwerkingtreding. Het streven is dat de wijziging per 1 januari 2020 in werking kan treden. Wanneer het wetsvoorstel wet wordt, hebben werkgevers recht op compensatie voor de transitievergoeding die zij hebben betaald ter beëindiging van een slapend dienstverband. Om te stimuleren dat een dienstverband na de loondoorbetalingsperiode wordt beëindigd, moet de werkgever de transitievergoeding betalen over de gehele duur van de arbeidsovereenkomst zonder compensatie voor de transitievergoeding die betrekking heeft op de periode van het slapende dienstverband. De minister ziet geen aanleiding om werknemers die zelf een slapende arbeidsovereenkomst willen beëindigen bij hun gang naar de rechter (financieel) te ondersteunen. ... lees meer

22-02-2018
Rulings procedureel niet altijd in orde

Rulings procedureel niet altijd in orde

De Belastingdienst heeft onderzoek gedaan naar de gevolgde procedure bij de afgifte van ruim 4.000 rulings met een internationaal karakter. Niet in alle gevallen zijn de interne procedures gevolgd. De procedurele fouten zijn vooral opgetreden bij de rulings die niet door het APA/ATR-team zijn afgegeven, maar door lokale inspecteurs. Daar zijn in 72 van de 1.361 onderzochte gevallen fouten vastgesteld. In dit onderzoek is alleen de inhoud onderzocht van de rulings waarbij procedurele fouten zijn geconstateerd. Er loopt op dit moment een afzonderlijk onderzoek naar de inhoud van rulings die zijn afgegeven door het APA/ATR-team. Dit onderzoek wordt uitgevoerd door een onafhankelijke commissie. De staatssecretaris van Financiën schrijft aan de Tweede Kamer dat de praktijk van het afgeven van rulings zal worden herzien, ook ten aanzien van de inhoud. Het verstrekken van zekerheid vooraf zal blijven, maar om zogenaamde brievenbusmaatschappijen tegen te gaan zullen strengere eisen worden gesteld. Alleen bedrijven die toegevoegde waarde leveren komen dan nog in aanmerking voor een ruling. Door de afgifte van rulings centraal te coördineren moet meer grip ontstaan op het proces van afgifte en kan eenheid van beleid en uitvoering worden gegarandeerd. De uitkomsten van het inhoudelijk onderzoek zullen gebruikt worden bij de herziening van de rulingpraktijk. ... lees meer

22-02-2018
Conceptwetsvoorstel aanvulling partnerverlof

Conceptwetsvoorstel aanvulling partnerverlof

In het Regeerakkoord is afgesproken om het verlof voor partners bij de geboorte van het kind uit te breiden van twee doorbetaalde dagen naar een week, met aanvullend vijf weken verlof zonder loon, maar met een uitkering van 70% van het loon. Het aanvullende verlof kan worden opgenomen in de eerste zes maanden na de bevalling. Het adoptie- en pleegzorgverlof wordt volgens deze afspraken verlengd van vier naar zes weken, met recht op een uitkering van 100% van het dagloon. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft een conceptwetsvoorstel nu ter consultatie gepubliceerd. Belangstellenden kunnen tot 19 maart op www.internetconsultatie.nl reageren op het conceptwetsvoorstel. ... lees meer

22-02-2018
Kamerbrief verzwaring toegang arbeidsongeschiktheidsuitkering

Kamerbrief verzwaring toegang arbeidsongeschiktheidsuitkering

De minister van Sociale Zaken heeft gereageerd op berichten in de media over verzwaring van de toegangseis voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering. In het regeerakkoord van het huidige kabinet wordt voorgesteld om bij de aanvraag voor een uitkering beter te kijken naar geschikt werk en de mate van arbeidsongeschiktheid. Uit een steekproef onder 170 volledig arbeidsongeschikte personen is gebleken dat 9% van hen minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn bij toepassing van het in het regeerakkoord voorgestelde criterium. Op basis van die mate van arbeidsongeschiktheid zouden deze mensen niet in aanmerking komen voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Een uitgewerkt voorstel voor aanpassing van het arbeidsongeschiktheidscriterium is er nog niet. De minister wil daarover eerst in gesprek met werkgevers- en werknemersorganisaties. Naar verwachting komt de minister in de loop van het voorjaar met uitgewerkte voorstellen. ... lees meer

22-02-2018
Wetsvoorstel uitbreiding bevoegdheden ondernemingsraad

Wetsvoorstel uitbreiding bevoegdheden ondernemingsraad

De Tweede Kamer heeft een wetsvoorstel aangenomen dat de Wet op de ondernemingsraden wijzigt. Door de wijziging wordt de bevoegdheid van de ondernemingsraad (OR) ten aanzien van de beloning van bestuurders van ondernemingen met meer dan 100 personen uitgebreid. Het wetsvoorstel moet nog door de Eerste Kamer worden behandeld voordat de wet aangepast wordt. Het doel van het wetsvoorstel is het bewustzijn en de discussie over beloningsverhoudingen binnen ondernemingen te stimuleren door de OR als werknemersvertegenwoordiging daarin te betrekken. Op basis van dit wetsvoorstel moeten de ondernemer en de OR minimaal één keer per jaar tijdens een overlegvergadering de arbeidsvoorwaardelijke regelingen en beloningsafspraken bespreken. Ook de ontwikkeling van de beloning ten opzichte van het voorgaande jaar komt daarbij aan de orde. Deze verplichting zal alleen gaan gelden voor ondernemingen met meer dan 100 personen. De OR krijgt door de voorgestelde wijziging geen advies- of instemmingsrecht ten aanzien van het beloningsbeleid van bestuurders. Ingediende amendementen van die strekking zijn door de Tweede Kamer verworpen. ... lees meer

15-02-2018
Overgangsregeling bijtelling privégebruik auto

Overgangsregeling bijtelling privégebruik auto

Sinds 1 januari 2017 bedraagt de bijtelling voor het privégebruik van een auto van de zaak ten minste 22% van de cataloguswaarde van de auto indien de auto jonger is dan 15 jaar. In de jaren voor 2017 gold een bijtelling van 25%. Bij wijze van overgangsregeling geldt voor een auto met een datum van eerste toelating van uiterlijk 31 december 2016 in de jaren 2017 en volgende een bijtelling van 25%. Volgens de rechtbank is de overgangsregeling niet in strijd met het discriminatieverbod, zoals dat is opgenomen in internationale verdragen. De rechtbank benadrukt dat deze verdragen niet iedere vorm van ongelijke behandeling verbieden, maar alleen die waarvoor een objectieve en redelijke rechtvaardiging ontbreekt. Vooral op fiscaal gebied heeft de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid om gelijke gevallen ongelijk te behandelen. Het oordeel van de wetgever dat daarvoor een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat moet worden geëerbiedigd, tenzij het van redelijke grond ontbloot is. Dat is alleen anders wanneer het gaat om onderscheid op basis van persoonlijke kenmerken. De verlaging van het bijtellingspercentage is volgens de rechtbank niet alleen gegrond op milieudoelstellingen. Dit betekent dat ook het door de overgangsregeling veroorzaakte onderscheid niet terug te voeren is op milieudoelstellingen. De wetgever heeft ook andere factoren betrokken in de bepaling van het bijtellingspercentage, zoals door werkgevers gestelde beperkingen aan het privégebruik en de door werkgevers beïnvloede keuze van auto’s. ... lees meer

15-02-2018
Geen verrekening neveninkomsten bij loondoorbetaling

Geen verrekening neveninkomsten bij loondoorbetaling

Een werknemer heeft gedurende een tijdvak van 104 weken recht op doorbetaling van loon bij arbeidsongeschiktheid. De loondoorbetaling bedraagt wettelijk 70% van het vastgestelde loon en gedurende de eerste 52 weken ten minste het voor de werknemer geldende wettelijk minimumloon. Werkgever en werknemer kunnen hogere bedragen aan doorbetaling overeenkomen. In de praktijk komt vaak voor dat een arbeidsongeschikte werknemer de eerste 52 weken recht heeft op 100% doorbetaling van het loon. In een procedure voor Hof Den Bosch stelde een werkgever zich op het standpunt dat hij de loondoorbetaling aan een arbeidsongeschikte werknemer mocht opschorten. Volgens de werkgever mocht hij bedragen die de werknemer tijdens ziekte ontving in mindering brengen op het uit te betalen loon. De werkgever had de werknemer gevraagd om informatie over andere inkomsten. Omdat de werknemer geen informatie verstrekte meende de werkgever dat hij zijn loondoorbetalingsverplichting mocht opschorten. De werknemer bestreed dat hij neveninkomsten had gehad tijdens zijn ziekteperiode.De wet geeft aan de werkgever de bevoegdheid om de loondoorbetaling op te schorten, maar die bevoegdheid geldt voor de situatie waarin de werknemer zich niet houdt aan door de werkgever schriftelijk gegeven redelijke voorschriften over het verstrekken van de inlichtingen die de werkgever nodig heeft om het recht op loon vast te stellen. De werkgever mag van die bevoegdheid alleen gebruik maken als hij voldoende concrete aanwijzingen heeft dat de werknemer tijdens ziekte inkomsten elders heeft ontvangen. Het hof oordeelde dat de werkgever niet aannemelijk heeft gemaakt dat de werknemer tijdens zijn ziekteperiode inkomsten heeft genoten voor werkzaamheden die hij heeft verricht gedurende de tijd dat hij voor de werkgever had kunnen werken als hij niet ziek zou zijn geweest. Het was de werknemer niet verboden om nevenwerkzaamheden te verrichten. Als hij daarmee inkomsten zou hebben gegenereerd mochten die niet op het loon in mindering worden gebracht. Het hof wees de vordering van de werknemer tot doorbetaling van loon toe. ... lees meer

15-02-2018
Dubbele belastingheffing pensioen grensarbeiders uit België

Dubbele belastingheffing pensioen grensarbeiders uit België

De staatssecretaris van Financiën heeft Kamervragen beantwoord over dubbele belastingheffing over pensioenen van grensarbeiders uit België. Het belastingverdrag met België wijst het heffingsrecht over privaatrechtelijke pensioenen in beginsel toe aan de woonstaat, zij het dat onder voorwaarden ook de vroegere werkstaat belasting mag heffen. Een van die voorwaarden houdt in dat het pensioen in de woonstaat onvoldoende wordt belast. Volgens de Belgische rechter kan België op grond van het nationale recht uit Nederland afkomstige pensioenen niet geheel in de heffing kan betrekken. Door deze uitspraken is voor de Belastingdienst onduidelijk of uit Nederland afkomstige pensioenen in België wel voldoende belast worden. Daarom wordt niet zonder meer een vrijstelling voor de loonbelasting gegeven om te voorkomen dat in geen van beide landen belasting wordt geheven over de pensioenuitkering. Daardoor kan dubbele belastingheffing optreden. De onduidelijkheid heeft betrekking op lagere pensioenbedragen. Wanneer het brutobedrag van de pensioenuitkeringen in een kalenderjaar niet hoger is dan € 25.000, is volgens het belastingverdrag alleen de woonstaat heffingsbevoegd.Omdat zowel de Nederlandse als de Belgische autoriteiten dubbele belastingheffing over buitenlandse pensioenen onwenselijk achten, zal op korte termijn overleg plaatsvinden om tot een oplossing te komen. ... lees meer

09-02-2018
Handhaving Wet DBA opgeschort tot 1 januari 2020

Handhaving Wet DBA opgeschort tot 1 januari 2020

Zoals bekend staat de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (Wet DBA) op de nominatie om vervangen te worden. De Wet DBA was bedoeld om duidelijkheid te scheppen over de vraag wanneer een arbeidsverhouding een dienstbetrekking is. In plaats van duidelijkheid te scheppen leverde de wet veel verwarring en onrust op onder zzp'ers en opdrachtgevers. Vanwege alle commotie rondom deze wet was de handhaving van de wet opgeschort. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft nu meegedeeld dat de opschorting van de handhaving is verlengd tot 1 januari 2020. Dat betekent dat opdrachtgevers en opdrachtnemers tot die tijd geen boetes of naheffingen krijgen mocht geconstateerd worden dat sprake is van een dienstbetrekking. Wel worden de mogelijkheden voor handhaving bij kwaadwillenden vanaf 1 juli 2018 verruimd. Deze is dan niet langer beperkt tot de ernstigste gevallen. Voor handhaving is vereist dat de Belastingdienst kan bewijzen dat aan de volgende drie criteria is voldaan:1. Er is sprake van een (fictieve) dienstbetrekking.2. Er is sprake van evidente schijnzelfstandigheid.3. Er is sprake van opzettelijke schijnzelfstandigheid. De verwachting is dat per 1 januari 2020 nieuwe wet- en regelgeving in werking zal treden. ... lees meer

08-02-2018
Goedkeuring toepassing eigenwoningregeling

Goedkeuring toepassing eigenwoningregeling

De staatssecretaris van Financiën heeft in een besluit een goedkeurende regeling gepubliceerd voor de toepassing van de eigenwoningregeling. De goedkeuring heeft betrekking op een onbedoelde beperking van de renteaftrek bij partners die gezamenlijk een eigen woning kopen. Bij de toepassing van de bijleenregeling kan het zijn dat een deel van de schuld niet als eigenwoningschuld kan worden aangemerkt. Ook wanneer een van de partners een onder het overgangsregime vallende bestaande eigenwoningschuld heeft kan zich een beperking van de renteaftrek voordoen als de andere partner na 31 december 2012 een eigen woning verkrijgt en daarom aan de aflossingseis moet voldoen. De staatssecretaris vindt het ongewenst dat partners van wie ten minste één voorafgaand aan de gezamenlijke aankoop van de eigen woning een eigenwoningverleden heeft, worden geconfronteerd met een niet-beoogde beperking van de renteaftrek. Daarom keurt hij onder voorwaarden goed dat het eigenwoningverleden van beide partners bij helfte wordt verdeeld over beide partners om daarna de individuele eigenwoningschuld en het eigenwoningverleden te bepalen. Deze goedkeuring geldt met ingang van het belastingjaar 2013. Voor deze goedkeuring gelden de volgende voorwaarden:a) De partners kopen de eigen woning aan in een 50%-50%-verhouding en gaan de schuld(en) voor de financiering van de woning in diezelfde verhouding aan.b) Beide partners doen een beroep op de goedkeuring door de eigenwoningreserve en de eigenwoningrente op deze manier in hun aangifte op te nemen.c) Beide partners stemmen ermee in dat toepassing van de goedkeuring ook geldt voor latere jaren. De verdeling bij helfte van het eigenwoningverleden kan daardoor niet worden herzien of teruggedraaid in een later belastingjaar. In andere situaties kunnen partners zich gezamenlijk wenden tot de Directie Vaktechniek van de Belastingdienst voor een beoordeling van een niet-beoogde beperking van de aftrek van eigenwoningrente.Onherroepelijk vaststaande definitieve aanslagen over voorgaande jaren kunnen op basis van de goedkeuring ambtshalve worden verminderd, mits het gezamenlijke verzoek daartoe binnen vijf jaar na het einde van het kalenderjaar waarop de aanslag betrekking heeft wordt ingediend. ... lees meer

08-02-2018
Vertraging oplevering nieuwe automatiseringssytemen erf- en schenkbelasting

Vertraging oplevering nieuwe automatiseringssytemen erf- en schenkbelasting

Een aangifte schenkbelasting moet worden gedaan binnen twee maanden na afloop van het jaar waarin de schenking is gedaan. Van schenkingen, die in 2017 hebben plaatsgevonden, moet dus voor 1 maart 2018 aangifte worden gedaan. Een aangifte erfbelasting moet worden gedaan binnen een door de Belastingdienst te stellen termijn. Die termijn eindigt niet eerder dan acht maanden na het overlijden van de erflater. Door problemen bij de bouw van een nieuw automatiseringssysteem voor de erf- en schenkbelasting is vertraging opgetreden in de afhandeling van aangiften erf- en schenkbelasting die betrekking hebben op 2017. De staatssecretaris van Financiën heeft in een brief aan de Tweede Kamer een uiteenzetting gegeven over de oorzaken van de vertraging bij het opleveren van de nieuwe automatiseringssystemen. Volgens de staatssecretaris is de vertraging veroorzaakt door gebrekkige managementinformatie, slecht risicomanagement en onvoldoende onderling contact tussen onderdelen van de Belastingdienst. Eerder heeft de staatssecretaris al aangekondigd dat de Belastingdienst geen belastingrente in rekening zal brengen over de periode van vertraging in de afhandeling van aanslagen die het gevolg is van de te late oplevering van het nieuwe systeem van de erfbelasting. Dit betreft aangiften erfbelasting met betrekking tot een overlijden op of na 1 januari 2017. Om de vertraging te beperken komt extra ICT-capaciteit beschikbaar en komen er tijdelijk extra mensen om de achterstand in de aanslagoplegging in te lopen. Verder wordt een risicomanager aangesteld om tijdig problemen te kunnen constateren, risico’s op vertragingen te signaleren en effecten daarvan weg te nemen. Bij de herziening van de Successiewet 1956 per 2010 is de overstap gemaakt naar een digitale aangifte voor de schenk- en erfbelasting naast de papieren aangifte. De bestaande programmatuur was verouderd en draaide op een achterhaald technisch platform. Het oude systeem wordt vervangen door aparte systemen voor de erfbelasting en voor de schenkbelasting. De nieuwe systemen worden gebruikt voor aangiften in verband met erfenissen en schenkingen in de jaren 2017 en later. Voor de aangiften tot en met 2016 blijft het oude systeem in gebruik, hoewel daarin niet meer wordt geïnvesteerd. In 2016 is besloten om eerst basisvarianten van de systemen te bouwen en de meer ingewikkelde onderdelen op een later moment te bouwen. In de loop van 2017 zijn de eerste functionaliteiten van het nieuwe systeem voor de erfbelasting in gebruik genomen. Van het nieuwe systeem voor de schenkbelasting zijn in 2017 de eerste, beperkte functionaliteiten in gebruik genomen. Aanvankelijk was het niet mogelijk om een aangifte schenkbelasting 2017 in te dienen. Inmiddels is dat wel het geval. Het uitvoeren van correcties op aangiften bij het opleggen van voorlopige aanslagen is nog niet mogelijk. Het aanbrengen van correcties zal wel mogelijk zijn bij het opleggen van de definitieve aanslag. Naar verwachting is dat in de loop van 2019 het geval. In de loop van 2017 is de inschatting gemaakt dat het systeem voor de erfbelasting eind 2019 in zijn geheel opgeleverd zal zijn. Daar is tot nu toe geen verandering in gekomen. Voor de schenkbelasting zal de oplevering naar verwachting niet eerder dan in 2021 plaatsvinden. De wettelijke termijn waarbinnen een definitieve aanslag schenk- of erfbelasting moet worden opgelegd is drie jaar na het jaar van schenking of na het tijdstip van overlijden van de erflater. De staatssecretaris benadrukt dat de Belastingdienst alle aanslagen binnen de wettelijke termijn zal opleggen. In uitzonderlijke gevallen kan handmatig een aanslag worden opgelegd. ... lees meer

08-02-2018
Nieuw modelkoopcontract woningen

Nieuw modelkoopcontract woningen

De minister van Binnenlandse Zaken heeft de Tweede Kamer geïnformeerd over een nieuwe versie van het modelkoopcontract voor woningen. Het nieuwe modelkoopcontract bevat zowel het voorbehoud van financiering als het voorbehoud van de bouwkundige keuring. De risico’s die consumenten lopen worden hiermee verkleind. In de definitieve overeenkomst moet expliciet worden aangegeven waar is afgeweken van het modelkoopcontract. Het afzien van het voorbehoud van financiering of bouwkundige keuring wordt dan door middel van een doorhaling zichtbaar. In de toelichting bij de nieuwe modelkoopovereenkomst wordt expliciet gewezen op de risico’s van het afwijken van de voorbehouden van financiering en bouwkundige keuring. Ook dit moet helpen om de risico’s die consumenten lopen te verkleinen. De minister ziet de nieuwe modelovereenkomst en de toelichting daarop als een belangrijke stap om de consument in de krappe woningmarkt beter te beschermen. In dat kader heeft het gebrek aan transparantie van makelaarstarieven de aandacht van de minister. In juli 2017 heeft de voorganger van de minister een vervolgonderzoek naar het afzien van voorbehouden aangekondigd. De minister verwacht voor de zomer de Tweede Kamer te kunnen informeren over de uitkomsten van het onderzoek. ... lees meer

01-02-2018
Vorming voorziening

Vorming voorziening

In het zogenoemde baksteenarrest heeft de Hoge Raad geformuleerd aan welke eisen moet zijn voldaan om als ondernemer een voorziening te kunnen vormen voor toekomstige uitgaven. De voorziene uitgaven moeten hun oorsprong vinden in feiten of omstandigheden die zich vóór balansdatum hebben voorgedaan en moeten aan die periode kunnen worden toegerekend. Ten slotte moet er een redelijke mate van zekerheid bestaan dat de uitgaven zich zullen voordoen. Na een bedrijfsactiviteitenonderzoek bij een bv stelde een bedrijfstakpensioenfonds zich op het standpunt dat de bv verplicht was deel te nemen aan de pensioenregeling van het fonds. Het pensioenfonds stuurde in 2012 een correctiefactuur voor een bedrag van € 893.000 aan de bv. Omdat de bv niet betaalde en vervolgens failliet ging, stelde het pensioenfonds in 2013 een van de voormalige bestuurders van de bv aansprakelijk. Deze voormalige bestuurder was ook een bv. Zij wilde ten laste van de winst over 2012 een voorziening vormen in verband met de aansprakelijkstelling. Hof Den Haag was van oordeel dat er eind 2012 voldoende zekerheid was dat de voormalige bestuurder het bedrag, waarvoor zij aansprakelijk was gesteld, zou moeten betalen. Het hof vond aannemelijk dat de voormalige bestuurder, die indirect 99%-aandeelhouder was van de bv, op de hoogte was van de slechte financiële situatie van bv en wist dat de bv niet in staat zou zijn het pensioenfonds te betalen. Omdat ook aan de andere eisen was voldaan, kon op de balans per 31 december 2012 een voorziening worden opgenomen. Het hof stond niet toe dat de bv voor het volledige bedrag van de aansprakelijkstelling een voorziening vormde. Er waren meerdere voormalige bestuurders, die eveneens aansprakelijk waren en die ieder hun deel daarin moesten bijdragen. Dat betekende dat de aansprakelijkgestelde bv na betaling regresvorderingen zou verkrijgen op de andere voormalige bestuurders. Deze regresvorderingen moesten in mindering worden gebracht op de hoogte van te vormen voorziening. ... lees meer

01-02-2018
Premieheffing tijdens onbetaald verlof

Premieheffing tijdens onbetaald verlof

In antwoord op een prejudiciële vraag van de Hoge Raad over de premieheffing heeft het Hof van Justitie EU geoordeeld dat een inwoner van een lidstaat van de EU, die onbetaald verlof neemt om in die periode werkzaamheden in loondienst te verrichten in een andere lidstaat, moet worden beschouwd als een persoon die op het grondgebied van twee lidstaten werkzaamheden in loondienst pleegt uit te oefenen. De procedure had betrekking op een vrouw die onbetaald verlof opnam om in Oostenrijk als skilerares te werken. Tijdens het onbetaalde verlof behield zij volgens de Hoge Raad in Nederland de hoedanigheid van werknemer voor de socialezekerheidswetgeving, omdat de dienstbetrekking bleef bestaan. Zij was dus verzekerd voor de Werkloosheidswet en kon aan die verzekering tijdens de periode van onbetaald verlof rechten ontlenen. De Hoge Raad merkt op dat het voldoende is dat iemand voor ten minste één tak van sociale zekerheid de hoedanigheid van werknemer heeft behouden. Daarbij is niet van belang dat de Werkloosheidswet een werknemersverzekering is, terwijl de procedure betrekking had op de premieheffing voor de volksverzekeringen. De uitkomst van de procedure was dat de vrouw ook tijdens haar onbetaald verlof moest worden beschouwd als een persoon die werkzaamheden in loondienst in Nederland pleegt uit te oefenen. Gezien de omvang en duur van de werkzaamheden in Oostenrijk tijdens het onbetaald verlof werd de vrouw tijdens die periode tevens beschouwd als een persoon die werkzaamheden in loondienst in Oostenrijk pleegt uit te oefenen. Op grond van de Europese verordening was de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing. ... lees meer

01-02-2018
Geen laag tarief voor parkeren

Geen laag tarief voor parkeren

In een arrest uit 2006 heeft de Hoge Raad het bieden van parkeergelegenheid bij een attractiepark aangemerkt als een op zichzelf staande dienst. In een later arrest uit 2012 heeft de Hoge Raad gezegd dat bij een combinatie van diensten, zoals het bieden van parkeergelegenheid en de toegang tot een attractiepark, voor beide prestaties mogelijk hetzelfde tarief voor de omzetbelasting geldt. Dat is het geval wanneer een dienst de hoofdprestatie vormt en de andere dienst voor de klant geen doel op zich is, maar een middel om de hoofdprestatie zo aantrekkelijk mogelijk te maken. Hof Arnhem-Leeuwarden heeft onlangs een procedure behandeld over de vraag of het bieden van parkeergelegenheid een bijkomende dienst was bij het verlenen van toegang tot een attractiepark. Het hof merkte de gelegenheid tot parkeren voor de modale bezoeker aan als een doel op zich. Een bezoeker kan met verschillende vervoermiddelen naar het attractiepark komen. Als hij met de auto komt, weet dat hij zijn auto niet zomaar ergens kan achterlaten. De tijdelijke bestemming van de auto is voor deze bezoeker een behoefte op zich. Het voorzien in deze behoefte is een zelfstandige prestatie. Op die dienst is het hoge omzetbelastingtarief van toepassing. ... lees meer

01-02-2018
Verplicht privévermogen

Verplicht privévermogen

Binnen de grenzen van de redelijkheid heeft een ondernemer de keuze om vermogensbestanddelen als zakelijk of als privé aan te merken. Vermogensbestanddelen, die uitsluitend of vrijwel uitsluitend zakelijk gebruikt worden, vormen verplicht ondernemingsvermogen. Behoudens uitzondering zal de woning van de ondernemer naar zijn aard tot het privévermogen behoren. Pas wanneer de ondernemer zijn woning voor meer dan 10% zakelijk gebruikt, is geen sprake meer van verplicht privévermogen maar van keuzevermogen en kan de ondernemer ervoor kiezen de woning tot zijn ondernemingsvermogen te rekenen. De ondernemer zal daarvoor aannemelijk moeten maken dat hij zijn woning voor meer dan 10% zakelijk gebruikt. Een ondernemer bepleitte dat zijn woonboerderij keuzevermogen vormde. Hij beschikte over een apart kantoorgebouw, maar dat was naar zijn zeggen zodanig beperkt dat hij geregeld klanten in de woonkeuken ontving, dat daar zaken werden besproken en werkzaamheden werden verricht. De ontvangst in de woonkeuken leidde ertoe dat gebruik werd gemaakt van de gang en het toilet in de woonboerderij. Het hof vond dat de inspecteur voldoende aannemelijk had gemaakt dat het afzonderlijke kantoor van de ondernemer, gezien de aard en omvang van de onderneming, over voldoende faciliteiten beschikte en dat geen enkele ruimte in de woonboerderij exclusief werd gebruikt voor de onderneming. Daar kwam bij dat de oppervlakte van de keuken in verhouding tot de totale oppervlakte van de woonboerderij beperkt was. Volgens het hof was het gebruik van de keuken voor de onderneming van bijkomstige aard. De inspecteur is er volgens het hof terecht van uitgegaan dat de woonboerderij verplicht tot het privévermogen behoorde. ... lees meer

25-01-2018
Kamervragen heffingskortingen buitenlanders

Kamervragen heffingskortingen buitenlanders

Met ingang van 1 januari 2019 ontvangen buitenlandse belastingplichtigen niet langer via de loonbelasting het belastingdeel van de heffingskortingen. Dat voorkomt dat buitenlandse belastingplichtigen heffingskortingen via de inkomstenbelasting terug moeten betalen wanneer zij daar geen recht op hebben. Het gaat om circa 350.000 buitenlandse belastingplichtigen. Er zijn circa 130.000 buitenlandse belastingplichtigen, die recht hebben op dezelfde heffingskortingen als binnenlandse belastingplichtigen. Zij kunnen de heffingskortingen via hun aangifte inkomstenbelasting incasseren. Via een voorlopige aanslag inkomstenbelasting kunnen zij de heffingskortingen al in de loop van het kalenderjaar te gelde maken. Over deze wijziging zijn Kamervragen gesteld. In antwoord daarop zegt de staatssecretaris van Financiën dat er in verband met controle- en invorderingsmogelijkheden voor is gekozen om de heffingskortingen alleen bij buitenlandse belastingplichtigen van wie is vastgesteld dat zij daarvoor in aanmerking komen via een voorlopige aanslag uit te betalen. Voor nieuwe gevallen geldt dat wanneer is vastgesteld dat iemand in aanmerking komt voor de heffingskorting deze vervolgens via de voorlopige aanslag in volgende jaren kan worden uitbetaald. De aanvraag daarvoor hoeft niet elk jaar opnieuw te worden gedaan. Het belastingverdrag met België bevat een specifieke non-discriminatiebepaling. Op grond daarvan hebben inwoners van België met in Nederland belast inkomen naar rato recht op persoonlijke aftrekken, tegemoetkomingen en verminderingen, waaronder bepaalde heffingskortingen. Om uitvoeringstechnische redenen worden de heffingskortingen volledig verleend, ongeacht welk deel van het wereldinkomen in Nederland mag worden belast. ... lees meer

25-01-2018
Belemmeringsverbod Waadi

Belemmeringsverbod Waadi

De Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi) bevat een belemmeringsverbod. De uitlener van personeel mag op grond van dat verbod niet verhinderen dat een uitgeleende arbeidskracht na afloop van de terbeschikkingstelling in dienst treedt bij degene aan wie hij ter beschikking was gesteld. Wel is toegestaan dat de uitlener een redelijke vergoeding vraagt van degene aan wie de arbeidskracht ter beschikking is gesteld voor de kosten van de terbeschikkingstelling, de werving of opleiding van de arbeidskracht. Het belemmeringsverbod gaat niet zo ver dat een uitzendbureau niet een beding in arbeidscontracten mag opnemen dat haar werknemers belemmert om bij een concurrerend uitzendbureau in dienst te treden. Hof Den Haag heeft onlangs geoordeeld dat een door een uitzendbureau gehanteerd relatiebeding, dat werknemers gedurende een periode van één jaar na het einde van de uitzendovereenkomst verbiedt contacten met klanten te (doen) leggen en/of te (doen) onderhouden geen onderscheid maakt tussen de situatie waarbij de werknemer in dienst treedt bij de klant en de situatie waarin de werknemer door een ander uitzendbureau wordt uitgezonden naar de klant. Dit beding is in strijd met het belemmeringsverbod van de Waadi, voor zover het werknemers verhindert in dienst te treden bij de klant van het uitzendbureau. De vraag of het relatiebeding voor het gedeelte dat niet in strijd is met het belemmeringsverbod kan worden omgezet in een geldig relatiebeding, heeft het hof ontkennend beantwoord. ... lees meer

25-01-2018
Verbouw kantoorpand tot woning

Verbouw kantoorpand tot woning

Bij de verkrijging van een onroerende zaak moet in beginsel overdrachtsbelasting worden betaald. Het normale tarief van de overdrachtsbelasting is 6%. Voor woningen geldt een lager tarief van 2%. Volgens de rechtbank Den Haag is in de volgende casus sprake van de verkrijging van een woning. Het betrof een appartementsrecht in een oorspronkelijk als kantoor gebouwd pand, dat destijds als zodanig in gebruik is genomen. Voor de levering van het appartementsrecht was een omgevingsvergunning afgegeven om het kantoorpand te verbouwen tot woningen. De sloopwerkzaamheden aan de binnenzijde van het pand waren voor de levering afgerond en met de opbouwwerkzaamheden was een begin gemaakt. De rechtbank was van oordeel dat ten tijde van de verkrijging geen sprake meer was van een situatie waarin het pand met beperkte aanpassingen weer geschikt kon worden gemaakt voor een kantoorfunctie. De gemeente stond echter naast de bestemming bewoning ook de bestemming bedrijfsruimtes en kantoren toe. Omdat in één van de appartementen een bedrijf is gevestigd, had het pand ten tijde van de verkrijging zijn bestemming als kantoorpand niet behouden, maar was het evenmin naar zijn aard bestemd voor bewoning. De rechtbank kende doorslaggevende betekenis toe aan de eisen en beperkingen die voor het gebruik van het pand voortvloeien uit publiekrechtelijke voorschriften. Omdat de verkrijger ten tijde van de verkrijging over een omgevingsvergunning voor het bouwen van een woning beschikte, oordeelde de rechtbank dat de onroerende zaak op grond van publiekrechtelijke voorschriften alleen bestemd was voor bewoning en dus het tarief van 2% ten onrechte niet is toegepast. ... lees meer

25-01-2018
Planningsbrief ministerie van Financiën

Planningsbrief ministerie van Financiën

De minister van Financiën heeft de jaarplanning voor 2018 van zijn ministerie naar de Tweede Kamer gestuurd. De jaarplanning omvat een overzicht van stukken, wetsvoorstellen, brieven, rapportages en dergelijke die in de loop van het jaar te verwachten zijn. In de begeleidende brief merkt de minister op dat de uitwerking van het regeerakkoord zal leiden tot een omvangrijk fiscaal wetgevingspakket. Dat pakket is niet opgenomen in deze planning. In de maand februari kan de Kamer brieven van de minister verwachten over belastingontwijking en het tegengaan van brievenbusfirma’s, een kabinetsreactie over belastingheffing in box 3 op basis van het werkelijke rendement en een evaluatie van de werkkostenregeling.In de maand september komt een evaluatie van de wetgeving Autobrief II.Voor de maand december kondigt de minister evaluaties aan van de middelingsregeling in de inkomstenbelasting en van diverse regelingen in de overdrachtsbelasting. ... lees meer

25-01-2018
Pensioenverrekening bij scheiding leidt tot belastingheffing

Pensioenverrekening bij scheiding leidt tot belastingheffing

Pensioenrechten waarop de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (WVPS) van toepassing is en daarmee verband houdende rechten op nabestaandenpensioen vallen niet in de huwelijksgemeenschap. In de WVPS is geregeld dat bij echtscheiding de tijdens het huwelijk opgebouwde aanspraken op ouderdomspensioen worden verevend, ongeacht het huwelijksgoederenregime. Aanspraken op nabestaandenpensioen worden verevend op grond van de Pensioenwet. De WVPS kent drie vormen van verevening. De standaardmethode houdt in dat de te verevenen pensioenaanspraken gelijkelijk worden verdeeld. In de huwelijkse voorwaarden of in een echtscheidingsconvenant kunnen partijen hiervan afwijken. De derde methode is om de aanspraak op het deel van het ouderdomspensioen en de aanspraak op bijzonder nabestaandenpensioen om te zetten in een eigen aanspraak op ouderdomspensioen. Het deel van het ouderdomspensioen dat wordt omgezet, hoeft niet noodzakelijkerwijs de helft van het te verevenen ouderdomspensioen te zijn. De verevening van pensioenrechten bij scheiding leidt niet tot heffing van inkomstenbelasting. In het kader van een echtscheiding werd niet alleen het tot de huwelijksgemeenschap behorende vermogen verdeeld, maar ook het gezamenlijke pensioenvermogen. De uitkomst daarvan was dat beide ex-echtgenoten een vergelijkbaar vermogen toebedeeld kregen. Omdat de voormalige echtelijke woning werd toebedeeld aan de vrouw, werd de man gecompenseerd door toebedeling van een hoger aandeel in de pensioenrechten en een lijfrentepolis. Wanneer bij de verevening van de pensioenrechten door te kiezen voor een afwijkende verdeling de vereveningspercentages afwijken van de standaardverdeling bij helfte, vormt dat geen aanleiding tot een correctie bij de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. Alleen wanneer de ex-echtgenoten hebben afgezien van toepassing van de WVPS kunnen de pensioenrechten worden ingezet bij een ruil van vermogensbestanddelen bij de boedelverdeling. In dit geval hadden de ex-echtgenoten niet afgezien van toepassing van de WVPS. Desondanks heeft de ex-echtgenote een deel van haar pensioenaanspraken afgestaan in ruil voor de toebedeling van het woonhuis. Volgens Hof Den Bosch is daarmee feitelijk een situatie gecreëerd waarin pensioenaanspraken, die civielrechtelijk geen deel uitmaken van de huwelijksgemeenschap, worden uitgeruild met een vermogensbestanddeel dat daartoe wel heeft behoord. Dat is een vorm van pensioenverrekening, omdat daarmee de uitgangspunten van de WVPS worden verlaten. Het bedrag van het verrekende pensioen werd bij de ex-echtgenote belast. ... lees meer

25-01-2018
Vergoeding deelname medicijnonderzoek

Vergoeding deelname medicijnonderzoek

Voor de deelname als proefpersoon aan medicijnonderzoek worden vergoedingen betaald. Voor zover deze vergoedingen niet zien op directe kosten zoals reiskosten, zijn de vergoedingen onderdeel van het resultaat uit overige werkzaamheden. Deze worden belast in box 1 van de inkomstenbelasting. Het onderzoeksinstituut dat de vergoedingen betaalde, maakte in de aan de deelnemers verstrekte informatie melding van het bruto karakter van de vergoedingen en de verplichting van het instituut om de betaalde vergoedingen aan de Belastingdienst door te geven. De rechtbank is van mening dat het ter beschikking stellen van het lichaam voor het ondergaan van proeven een dienst is. De daarvoor ontvangen vergoedingen behoren tot het belastbare inkomen uit werk en woning omdat er sprake is van deelname aan het economisch verkeer, de vergoeding redelijkerwijze kan worden verwacht en aannemelijk is dat de deelnemer de vergoeding heeft beoogd. ... lees meer

Ontvang onze nieuwsbrief!

Wilt u ook up-to-date blijven? Laat uw gegevens achter en u ontvangt voortaan iedere maand onze nieuwsbrief!