17-11-2017
Extra kosten kleding en beddengoed

Extra kosten kleding en beddengoed

De Wet IB 2001 bevat een opsomming van aftrekbare uitgaven wegens ziekte of invaliditeit. Naast kosten van medische behandeling gaat het om kosten voor extra gezinshulp, op medisch voorschrift gehouden diëten en kosten van extra kleding en beddengoed. Om aan aftrek toe te komen, moet sprake zijn van ziekte of invaliditeit. Hof Amsterdam oordeelde in een procedure dat incontinentie een ziekte is, die extra kosten van kleding en beddengoed tot gevolg kan hebben. Het hof baseert zijn oordeel op de parlementaire behandeling van het wetsartikel waarin de aftrek van ziektekosten is geregeld. Het hof stond de belanghebbende aftrek voor extra kosten van kleding en beddengoed toe. De inspecteur had de aftrek geweigerd omdat incontinentie naar zijn mening geen ziekte is, maar een ouderdomskwaal. Volgens het hof hoeft er geen onderscheid gemaakt te worden tussen incontinentie, die is veroorzaakt door ziekte en incontinentie, die is veroorzaakt door ouderdom. In beide gevallen is er recht op aftrek van de extra kosten. ... lees meer

17-11-2017
Overtollige liquiditeiten en toevoeging oudedagsreserve

Overtollige liquiditeiten en toevoeging oudedagsreserve

Een ondernemer, die aan het begin van een kalenderjaar de AOW-gerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, kan ten laste van zijn winst toevoegen aan zijn oudedagsreserve. Om aan de oudedagsreserve te mogen toevoegen moet de ondernemer aan het urencriterium voldoen. De toevoeging bedraagt 12% van de winst, met een maximum van € 9.542 (2013). Premies voor een pensioenregeling verlagen de toevoeging. De toevoeging kan niet hoger zijn dan het verschil tussen het ondernemingsvermogen aan het einde van het kalenderjaar en het ondernemingsvermogen aan het begin van het kalenderjaar. De hoogte van het ondernemingsvermogen is van invloed op de oudedagsreserve. De Belastingdienst corrigeerde het ondernemingsvermogen van een ondernemer omdat in de onderneming een te groot bedrag aan liquide middelen werd aangehouden. Volgens de Belastingdienst was een deel daarvan duurzaam overtollig. Dat had tot gevolg dat de ondernemer niet kon toevoegen aan zijn oudedagsreserve. Zijn belastbare winst werd daardoor verhoogd. De rechtbank stelde in de beoordeling voorop dat de ondernemer de keuze heeft om liquide middelen al dan niet tot zijn ondernemingsvermogen te rekenen, zolang hij daarbij de grenzen van de redelijkheid niet overschrijdt. Het standpunt dat liquide middelen, die zijn opgekomen binnen de onderneming, in ieder geval behoren tot het ondernemingsvermogen tot het moment waarop zij worden aangewend, is niet juist. Een ondernemer mag de liquide middelen die nodig zijn voor de financiering van lopende bedrijfsuitgaven en voor te verwachten investeringen tot zijn ondernemingsvermogen rekenen. Daarboven mag hij ook de liquide middelen ter dekking van risico’s, tot opbouw en instandhouding van reserves en versterking van de onderneming aanhouden. De aard en omvang van de onderneming zijn van invloed op de hoeveelheid aan te houden liquide middelen. De Belastingdienst meende dat een bedrag van € 50.000 aan liquide middelen redelijk was om tot het ondernemingsvermogen te rekenen. Met het aanhouden van liquide middelen voor de dekking van risico’s en voor de opbouw en instandhouding van reserves en dergelijke was geen rekening gehouden. Volgens de rechtbank was daar wel aanleiding toe, al vond de rechtbank de omvang van de post liquide middelen van € 388.988 op de balans te hoog in relatie tot de aard en omvang van de onderneming. De rechtbank stelde het tot het ondernemingsvermogen te rekenen deel van de liquide middelen in goede justitie vast op € 175.000 per 31 december 2013. Het ondernemingsvermogen was aan het einde van het kalenderjaar door de correctie hoger dan de stand van de oudedagsreserve aan het begin van het kalenderjaar. Daardoor was de in de aangifte geclaimde toevoeging aan de oudedagsreserve mogelijk. ... lees meer

17-11-2017
Kabinetsreactie op Paradise Papers

Kabinetsreactie op Paradise Papers

Naar aanleiding van publicaties over de Paradise Papers heeft de staatssecretaris van Financiën een brief aan de Tweede Kamer geschreven over de aanpak van belastingontwijking en de rulingpraktijk. De staatssecretaris laat weten dat het kabinet een einde wil maken aan firma’s die zich op papier in Nederland vestigen om belastingvrij miljoenen te kunnen rondpompen. Voor dat doel komt het kabinet met voorstellen voor een bronheffing op dividend, rente en royalty's naar belastingparadijzen en in misbruiksituaties. De regelgeving voor trustkantoren wordt strenger en de Nederlandsche Bank krijgt meer instrumenten om hier op toe te zien. Centraal vastleggingssysteem Volgens internationale afspraken wordt informatie over rulings met een grensoverschrijdend effect onderling uitgewisseld. Dat geldt niet alleen voor nieuwe maar ook voor bestaande rulings. Er is een centraal systeem opgezet waarin de uit te wisselen gegevens geregistreerd worden. Dat systeem is sinds september 2017 operationeel, waardoor de rulings waarover informatie moet worden uitgewisseld in beeld zijn. Nederland heeft aangegeven informatie over de circa 4.000 bestaande rulings voor 1 januari 2018 te hebben uitgewisseld. Procedure bij afgifte rulingsDe staatssecretaris geeft toe dat de in 2008 afgegeven ruling voor Procter en Gamble niet volgens de geldende afspraken tot stand is gekomen. Volgens het geldende beleid had de lokale inspecteur het verzoek tot zekerheid vooraf moeten voorleggen aan het speciale rulingteam van de Belastingdienst. Het niet volgen van voorgeschreven procedures is niet acceptabel.De staatssecretaris laat onderzoeken of bestaande rulings met een grensoverschrijdend effect zijn afgegeven conform de geldende procedures. De rulingpraktijk wordt jaarlijks steekproefsgewijs onderzocht door een onafhankelijke commissie. Deze commissie wordt uitgebreid met twee externe experts. ... lees meer

17-11-2017
Uitleg premier afschaffing dividendbelasting

Uitleg premier afschaffing dividendbelasting

De minister-president heeft gereageerd op een verzoek van de Tweede Kamer om opheldering over bedrijven waarmee over de dividendbelasting is gesproken en wat de uitkomsten van die gesprekken zijn. In zijn brief benadrukt de premier het belang van multinationals voor de werkgelegenheid in Nederland. Om dergelijke bedrijven hier te krijgen en hier te houden is een goed vestigingsklimaat van belang. Het regeerakkoord bevat investeringen in alle componenten die voor het vestigingsklimaat zorgen. De afschaffing van de dividendbelasting verbetert het vestigingsklimaat. De premier bevestigt dat bedrijven en hun belangenbehartigers hierover contact hebben gezocht met de coalitiepartijen. Het pleidooi voor afschaffing van de dividendbelasting is al jaren oud. Met welke bedrijven is gesproken wil de minister-president niet zeggen. VNO/NCW heeft besloten zijn brief aan de informateur te publiceren en Shell heeft laten weten over de dividendbelasting contact te hebben gehad met politici. Hoewel het formatiearchief openbaar is gemaakt, wil dat niet zeggen dat alle stukken die tijdens de onderhandelingen zijn gebruikt gepubliceerd zijn. Documenten die zijn opgesteld voor intern beraad vormen volgens de premier geen onderwerp van politiek debat. ... lees meer

17-11-2017
Wetsvoorstel waardeoverdracht kleine pensioenen

Wetsvoorstel waardeoverdracht kleine pensioenen

Bij de Tweede Kamer is een wetsvoorstel betreffende de waardeoverdracht van kleine pensioenen in behandeling. Tijdens de behandeling daarvan heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid toegezegd een brief aan de Kamer te sturen over een aantal onderwerpen. Heel klein pensioen Een onderdeel van het wetsvoorstel is het laten vervallen van heel kleine pensioenaanspraken. Het gaat dan om uitkeringen van minder dan € 2 bruto per jaar. Maar weinig mensen met een dergelijke pensioenaanspraak maken gebruik van het recht op waardeoverdracht. Twee jaar na einde van de deelneming aan een pensioenregeling kan de pensioenuitvoerder een heel klein pensioen afkopen. Deelnemers reageren vaak niet op afkoopbrieven van het pensioenfonds, waardoor een poging tot afkoop niet slaagt. De kosten van het aanhouden van heel kleine pensioenaanspraken zijn onevenredig hoog. De Kamer heeft de minister gevraagd om een laatste poging te doen om het heel kleine pensioen bij de betreffende mensen te krijgen. De minister stelt nu voor om: Het onderdeel “heel klein pensioen” van het wetsvoorstel pas op 1 januari 2019 in werking te laten treden. Pensioenuitvoerders krijgen daardoor voldoende tijd voor een eenmalige “opschoonactie”. In de periode tot 1 januari 2019 kunnen deelnemers gebruikmaken van de mogelijkheid van individuele waardeoverdracht en pensioenuitvoerders van het recht op afkoop. De deelnemers kunnen hierop gewezen worden door de Rijksoverheid en de pensioenuitvoerders. Pensioenuitvoerders kunnen op termijn ook voor bestaande heel kleine pensioenen eenmalig een poging tot automatische waardeoverdracht doen alvorens deze aanspraken te laten vervallen. ... lees meer

09-11-2017
Pensioen geen onderdeel (gebruikelijk) loon

Pensioen geen onderdeel (gebruikelijk) loon

Een dga moet voor zijn werkzaamheden ten behoeve van zijn bv ten minste een gebruikelijk loon ontvangen. De vraag in een procedure was of bij het bepalen van de hoogte van het gebruikelijk loon rekening gehouden moet worden met een van de bv ontvangen pensioenuitkering. Volgens de inspecteur omvat het gebruikelijk loon alleen het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking. Om die reden had de inspecteur het aangegeven loon uit dienstbetrekking van een dga in een reeks van jaren gecorrigeerd. De dga meende dat het begrip loon ook het loon uit vroegere dienstbetrekking omvat. Naast het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking ontving de dga ook een pensioenuitkering van de bv. Rekening houdend met de ontvangen pensioenuitkeringen zou dat betekenen dat het genoten loon hoger was dan het door de inspecteur na correctie vastgestelde loon. Hof Den Bosch is van oordeel dat uit de letterlijke tekst van de wet volgt dat dit artikel betrekking heeft op de werknemer die arbeid verricht. Dat leidt er volgens het hof toe dat het gebruikelijk loon moet worden bepaald zonder rekening te houden met loon uit vroegere dienstbetrekking, zoals een pensioenuitkering van dezelfde bv. Dat strookt ook met doel en strekking van het wetsartikel. Het gaat er namelijk om een zakelijk loon uit dienstbetrekking voor de dga te bepalen en ongewenste salarisconstructies tegen te gaan. Uit de memorie van toelichting volgt dat er een verband is tussen de omvang van de werkzaamheden en het loon uit deze dienstbetrekking. ... lees meer

09-11-2017
Maatregelen uit regeerakkoord opgenomen in Belastingplan 2018

Maatregelen uit regeerakkoord opgenomen in Belastingplan 2018

De staatssecretaris van Financiën heeft een nota van wijziging op het Belastingplan 2018 ingediend. In de nota van wijziging is een aantal punten uit het regeerakkoord verwerkt. Het gaat om maatregelen die per 1 januari 2018 in werking moeten treden of op 1 januari 2018 vast moeten staan om op 1 januari 2019 in werking te kunnen treden. HeffingskortingenHeffingskortingen worden in de regel niet uitbetaald, maar alleen verrekend met de te betalen inkomstenbelasting. Er geldt een uitzondering voor de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK). Deze worden uitbetaald op voorwaarde dat de fiscale partner voldoende inkomen heeft. De uitbetaling van de algemene heffingskorting wordt sinds een aantal jaren afgebouwd. Nu wordt voorgesteld dat met ingang van 1 januari 2019 ook te doen met de IACK en de arbeidskorting. Daarnaast wordt voorgesteld de ouderenkorting per 1 januari 2019 met € 160 te verhogen en deze korting geleidelijk inkomensafhankelijk af te bouwen. Nu geldt nog dat bij het overschrijden van een zeker inkomensbedrag de hoge ouderenkorting vervalt en de (veel lagere) lage ouderenkorting van toepassing. De voorgestelde afbouwregeling zorgt voor een meer geleidelijke overgang. De afbouw start bij het bedrag van het verzamelinkomen waar nu het hoge bedrag van de ouderenkorting overgaat in het lage bedrag. De afbouw bedraagt 15% van het verzamelinkomen voor zover dat hoger is dan het verzamelinkomen waarbij het afbouwtraject start. Aanpassing box 3Het heffingvrije vermogen wordt verhoogd naar € 30.000. Het gezamenlijke heffingvrije vermogen voor fiscale partners wordt € 60.000. De verhoging van het heffingvrije vermogen heeft tot gevolg dat meer mensen recht krijgen op toeslagen. Het forfaitaire rendement op sparen wordt gebaseerd op actuelere rendementen. Daardoor valt dit in 2018 lager uit. Dat heeft tot gevolg dat het forfaitaire rendement in de eerste vermogensschijf 0,63% lager uitkomt op 2,4%. Tariefschijf vennootschapsbelasting en tarief innovatieboxOp grond van het Belastingplan 2017 zou de eerste tariefschijf in de vennootschapsbelasting worden verlengd naar € 250.000 per 1 januari 2018. In deze nota van wijziging wordt die maatregel teruggedraaid. Ook de vervolgstappen in de verlenging van de tariefschijf gaan niet door. De in het regeerakkoord aangekondigde verhoging van het effectieve tarief van de innovatiebox van 5% naar 7% is ook opgenomen in de nota van wijziging. Ook deze aanpassing moet per 1 januari 2018 worden doorgevoerd. Het Vpb-tarief wordt vanaf 2019 stapsgewijs verlaagd naar 16% (eerste schijf) en 21% (tweede schijf) in 2021. Verhogen tabaksaccijnsDe accijnstarieven van alle tabaksproducten worden met ingang van 1 januari 2018 verhoogd. Ook in de komende jaren zal de accijns op tabak stijgen. ... lees meer

09-11-2017
AOW-leeftijd gaat niet omhoog in 2023

AOW-leeftijd gaat niet omhoog in 2023

Sinds enige jaren stijgt de AOW-gerechtigde leeftijd. Aanvankelijk met in de wet vastgelegde stappen en vanaf 2022 afhankelijk van de ontwikkeling van de levensverwachting op 65-jarige leeftijd. De verhoging op basis van de resterende levensverwachting wordt vijf jaar van te voren bekend gemaakt. De AOW-gerechtigde leeftijd voor het jaar 2022 is vastgesteld op 67 jaar en drie maanden. Nu is bekend gemaakt dat in 2023 dezelfde AOW-leeftijd zal gelden. De gemiddelde resterende levensverwachting voor een 65-jarige bedraagt volgens prognoses van het CBS in 2023 20,48 jaar en in 2029 21,15 jaar. ... lees meer

02-11-2017
Schijfgrenzen en tarieven IB 2018

Schijfgrenzen en tarieven IB 2018

Bij de Tweede Kamer is het Belastingplan 2018 in behandeling. De (voormalige) staatssecretaris van Financiën heeft de nota naar aanleiding van het verslag naar de Kamer gestuurd. In de nota worden vragen van de verschillende fracties beantwoord. Er zijn ook vragen gesteld die betrekking hebben op het regeerakkoord van het nieuwe kabinet. Die zijn niet beantwoord maar doorgeschoven. De staatssecretaris heeft in deze nota onder meer een overzicht van heffingskortingen, schijven en tarieven in de loon- en inkomstenbelasting voor 2018 gegeven, waarin rekening is gehouden met de indexatie per 1 januari. Daaruit blijkt dat het maximum van de algemene heffingskorting voor mensen jonger dan de AOW-leeftijd stijgt van € 2.254 naar € 2.265. Voor mensen die de AOW-leeftijd hebben bereikt gaat het maximum van € 1.151 naar € 1.157. Het maximum van de arbeidskorting gaat van € 3.223 naar € 3.249. Het maximum van de inkomensafhankelijke combinatiekorting gaat van € 2.778 naar € 2.801. De jonggehandicaptenkorting stijgt van € 722 naar € 728. De ouderenkorting gaat voor lagere inkomens flink omhoog, omdat naast de indexatie een stijging is voorzien in het Belastingplan 2018. Daardoor gaat deze korting omhoog van € 1.292 naar € 1.418. Voor hogere inkomens wordt de ouderenkorting alleen geïndexeerd, waardoor deze van € 71 stijgt naar € 72. De alleenstaande ouderenkorting daalt ondanks de indexatie van € 438 naar € 423, vanwege een verlaging in het Belastingplan 2018. Schijfgrenzen en tarieven 2017 Tarief 2017 2018 Tarief 2018 Einde eerste schijf € 19.982 36,55% € 20.142 36,55% Einde tweede schijf € 33.791 40,8% € 33.994 40,85% Einde derde schijf € 67.072 40,8% € 68.507 40,85% Einde vierde schijf - 52,00% - 51,95% N.B. Voor mensen die geboren zijn vóór 1 januari 1946 eindigt de tweede schijf in 2017 bij een bedrag van € 34.130 en in 2018 bij een bedrag van € 34.404. ... lees meer

02-11-2017
Kosten total bodyscan niet aftrekbaar

Kosten total bodyscan niet aftrekbaar

De uitgaven voor geneeskundige hulp bij ziekte of invaliditeit zijn aftrekbaar in de inkomstenbelasting voor zover de uitgaven een zekere inkomensafhankelijke drempel overschrijden. Uitgaven ter voorkoming van ziekten vallen in de regel niet onder de aftrekbare kosten, met uitzondering van inentingskosten. Inentingskosten zijn volgens de Hoge Raad naar hun aard uitgaven voor geneeskundige hulp. De uitgaven voor een zogenaamde total bodyscan, een preventief onderzoek, zijn echter niet aftrekbaar. Deze uitgaven worden niet gedaan in het kader van een medische behandeling en kunnen volgens Hof Amsterdam niet op één lijn worden gesteld met inentingen, waarbij geneesmiddelen worden toegediend en waarmee ziekten worden voorkomen. Het hof is van oordeel dat een preventief onderzoek geen behandeling wordt wanneer uit een dergelijk onderzoek blijkt dat de onderzochte persoon ziek is. ... lees meer

02-11-2017
Spoedreparatie vennootschapsbelasting aangekondigd

Spoedreparatie vennootschapsbelasting aangekondigd

In verband met de mogelijke negatieve gevolgen van een toekomstig arrest van het Hof van Justitie EU heeft het kabinet een spoedreparatie voorbereid van de Wet op de vennootschapsbelasting. De aanleiding hiervoor is de conclusie van de advocaat-generaal bij het Hof van Justitie EU over de toepassing van de Nederlandse renteaftrekbeperking. De Hoge Raad heeft in 2016 in twee zaken vragen voorgelegd aan het Hof van Justitie EU over de verhouding tussen het regime van de fiscale eenheid en het Europese recht op vrije vestiging. Een van de zaken betreft de weigering van de aftrek van rente. Gezien de inhoud van de conclusie bestaat het risico dat het arrest negatieve gevolgen heeft omdat Nederland in bepaalde buitenlandse situaties de voordelen van de fiscale eenheid zal moeten toekennen waar dat volgens de Nederlandse wet niet aan de orde is. Dat zou kunnen leiden tot een jaarlijks verlies aan belastingopbrengsten van enkele honderden miljoenen euro’s. Voor nog niet opgelegde aanslagen over het verleden kan het verlies aan opbrengsten oplopen tot 400 miljoen euro. Dit verlies is bij een negatieve uitspraak niet te voorkomen. Wel kunnen de gevolgen voor de toekomst worden beperkt. Dat gebeurt door de spoedreparatiemaatregelen nu al aan te kondigen en, mochten zij nodig zijn, met terugwerkende kracht tot de datum van publicatie (25 oktober 2017 om 11.00 uur) in te voeren. De spoedreparatiemaatregelen houden in dat de renteaftrekbeperking ter voorkoming van winstdrainage, de deelnemingsvrijstelling, de aftrekbeperking voor bovenmatige deelnemingsrente en de verliesverrekening bij wijziging van het belang zullen worden toegepast alsof er geen fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting bestaat. Daarmee wordt bereikt dat een fiscale eenheid in binnenlandse verhoudingen op dezelfde wijze wordt behandeld als een vergelijkbare EU-situatie. Voor de toepassing van de genoemde regelingen blijft de consolidatie, die normaal gesproken in een fiscale eenheid plaatsvindt, achterwege. ... lees meer

26-10-2017
Aanslag en boete opgelegd na ontbinding vof

Aanslag en boete opgelegd na ontbinding vof

Door het opleggen van een belastingaanslag wordt een ontstane belastingschuld vastgesteld. Deze betekenis verliest een belastingaanslag niet door het overlijden van de persoon aan wie de aanslag is opgelegd of door het ophouden te bestaan van een niet-natuurlijke persoon. Dat betekent dat ook aan een ontbonden vennootschap onder firma (vof) een belastingaanslag kan worden opgelegd. De vraag is of dat ook geldt voor het opleggen van een boete. In het strafrecht geldt dat vervolging van een vof niet meer kan worden ingesteld als voor derden kenbaar is dat de vennootschap ontbonden is. Het opleggen van een bestuurlijke boete aan een ontbonden vof is slechts mogelijk als de kennisgeving van het voornemen tot boeteoplegging of het opleggen van de boete zelf heeft plaatsgevonden voordat de ontbinding voor derden kenbaar was, bijvoorbeeld door publicatie in het Handelsregister. De inspecteur kan geen boete meer opleggen als hij weet dat de vennootschap ontbonden is. Het vervallen van de mogelijkheid tot beboeting van de vof verhindert overigens het opleggen van een bestuurlijke boete aan degene, die opdracht heeft gegeven voor een door de vennootschap begaan beboetbaar feit of daaraan feitelijk leiding heeft gegeven, niet. ... lees meer

26-10-2017
Verliesverrekening

Verliesverrekening

In box 1 van de inkomstenbelasting worden de inkomsten uit werk en woning progressief belast. De inkomsten uit werk en woning omvatten de winst uit onderneming, de inkomsten uit dienstbetrekking, het resultaat uit werkzaamheden en de inkomsten uit de eigen woning. Een negatief inkomen uit werk en woning wordt verrekend met positieve inkomens uit werk en woning van de drie voorgaande en de negen volgende jaren. Een negatief inkomen wordt aangemerkt als een verlies. Een verlies vermindert het positieve inkomen van een ander jaar niet verder dan tot nihil. Het wettelijke systeem van verliesverrekening betreft een verrekening van heffingsgrondslagen en niet van geheven belasting. Dat betekent dat verrekening ook mogelijk is met inkomens van jaren waarin feitelijk geen belasting is betaald. De verrekening van een verlies met het inkomen uit een jaar waarin geen belasting is betaald leidt niet tot een teruggaaf van belasting. ... lees meer

26-10-2017
Bedragen minimumloon per 1 januari 2018

Bedragen minimumloon per 1 januari 2018

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft de bedragen van het wettelijk minimumloon per 1 januari 2018 vastgesteld. Het bedrag per maand bedraagt voor een werknemer van 22 jaar of ouder € 1.578,00. Het minimumloon per week bedraagt voor deze categorie € 364,15. Per dag komt dat neer op een bedrag van € 72,83. Voor werknemers van 21 jaar of jonger gelden hiervan afgeleide bedragen. Leeftijd Percentage Per maand Per week Per dag 22 jaar en ouder 100% € 1.578,00 € 364,15 € 72,83 21 jaar 85% € 1.341,30 € 309,55 € 61,91 20 jaar 70% € 1.104,60 € 254,90 € 50,98 19 jaar 55% € 867,90 € 200,30 € 40,06 18 jaar 47,5% € 749,55 € 172,95 € 34,59 17 jaar 39,5% € 623,30 € 143,85 € 28,77 16 jaar 34,5% € 544,40 € 125,65 € 25,13 15 jaar 30% € 473,40 € 109,25 € 21,85 ... lees meer

19-10-2017
Internetconsultatie regelgeving crowdfunding

Internetconsultatie regelgeving crowdfunding

Crowdfunding is een financieringsvorm in opkomst. De geldvrager gaat bij deze vorm niet naar de bank om zijn financiering te regelen, maar vraagt het publiek om (een deel van) de financiering. Deze vorm van publieksfinanciering komt vaak tot stand door de tussenkomst van een internetplatform, dat optreedt als bemiddelaar tussen geldgevers en geldvrager. Een dergelijk platform valt alleen onder toezicht van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) als bij de financiering effecten, zoals aandelen of obligaties, worden uitgegeven. Gaat het om onderhandse leningen dan valt het platform niet onder AFM-toezicht. Crowdfunding bestaat voor 90% uit onderhandse leningen. De overige 10% betreft crowdfunding in effecten. Op dit moment zijn ruim 50 platformen actief, waarvan de grootste tien 90% van de markt in handen hebben. Vooruitlopend op regelgeving voor crowdfunding via onderhandse leningen heeft de minister van Financiën een internetconsultatie geopend. De minister roept met name partijen als de grote crowdfundingplatformen en advocatenkantoren op om hun visie te geven. De consultatie staat open tot en met 26 november 2017 en is te vinden op www.internetconsultatie.nl/crowdfunding. Na afloop van de consultatietermijn zal een verslag worden opgesteld, waarin mogelijke vervolgstappen zullen worden vermeld. ... lees meer

19-10-2017
Liever een oude auto van de zaak?

Liever een oude auto van de zaak?

De werknemer met een auto van de zaak wordt geconfronteerd met een bijtelling bij zijn inkomen. De wet bevat namelijk de fictie dat een auto die voor zakelijk gebruik ter beschikking wordt gesteld, ook voor privégebruik ter beschikking wordt gesteld. De reguliere bijtelling voor auto’s, die in 2017 op kenteken worden gezet, bedraagt 22% van de waarde van de auto. De bijtelling wordt berekend over de oorspronkelijke cataloguswaarde van de auto inclusief btw en bpm. Voor auto’s die voor 1 januari 2017 op kenteken zijn gesteld, gelden andere percentages. De afgelopen jaren waren hybride auto’s populair onder werknemers, omdat voor dergelijke auto’s een lager bijtellingspercentage van toepassing was. De belangstelling voor hybride auto's is afgenomen omdat voor dergelijke auto's inmiddels het reguliere bijtellingspercentage geldt. Uit cijfers van de BOVAG blijkt dat steeds meer zakelijke rijders kiezen voor een oudere auto. De reden daarvoor is de lagere bijtelling. Anders dan voor jongere auto’s wordt de bijtelling voor het privégebruik van auto’s van 15 jaar en ouder niet berekend over de oorspronkelijke catalogusprijs, maar over de waarde van de auto in het economisch verkeer. Wel geldt voor deze categorie een hoger bijtellingspercentage van 35. VoorbeeldEen snelle zoektocht op internet levert een keurige Audi A6 met een 2,5 liter 6-cilinder dieselmotor met slechts 180.000 km op de teller op voor € 3.500. De bijtelling voor deze auto bedraagt 35% van € 3.500 is € 1.225 per jaar, dus iets meer dan € 100 per maand. Netto kost het privégebruik de berijder € 637 per jaar, uitgaande van een belastingtarief van 52%. Vergelijken we deze auto met een nieuwe A6 met een 6-cilinder dieselmotor, dan moeten we uitgaan van de catalogusprijs van minimaal € 61.600. De bijtelling komt dan uit op een bedrag van € 13.550 per jaar. Netto is dat ruim € 7.000. Het leasetarief voor deze auto bij een jaarkilometrage van 20.000 en een leaseperiode van 60 maanden bedraagt bijna € 1.000 per maand, exclusief btw. Voor dat geld kan men zakelijk wel de mogelijke extra onderhoudskosten van een oudere auto dragen. Toegegeven, het is appels met peren vergelijken (een nieuwe auto versus een 20 jaar oude), maar het maakt de verschillen wel duidelijk. ... lees meer

18-10-2017
Compensatieregeling zwangere zelfstandigen

Compensatieregeling zwangere zelfstandigen

Naar aanleiding van een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 27 juli heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid besloten een compensatieregeling te treffen. De regeling is bedoeld voor vrouwelijke zelfstandigen die zijn bevallen tussen 7 mei 2005 en 4 juni 2008. De compensatieregeling zal worden opgenomen in een ministeriële regeling. Op hoofdlijnen ziet deze er als volgt uit. Vrouwelijke zelfstandigen, beroepsbeoefenaren en meewerkende echtgenoten hebben recht op compensatie als ze zijn bevallen tussen 7 mei 2005 en 4 juni 2008. De compensatie moet binnen drie maanden na publicatie van de regeling worden aangevraagd bij het UWV. De hoogte van de compensatie bedraagt 90% van het wettelijk minimumloon 2017 per dag inclusief vakantiebijslag en wordt berekend over 80 dagen. Dat komt neer op een bedrag van ongeveer € 5.600. ... lees meer

18-10-2017
Concurrentiebeding blijft overeind bij opzegging in proeftijd

Concurrentiebeding blijft overeind bij opzegging in proeftijd

Een concurrentiebeding beperkt een werknemer in zijn mogelijkheden om na het einde van zijn dienstbetrekking elders werkzaam te zijn. Om die reden is een dergelijk beperkend beding alleen geldig als de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is aangegaan en het beding schriftelijk is overeengekomen met een meerderjarige werknemer. Een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bevatte een proeftijd van twee maanden. Daarnaast bevatte de arbeidsovereenkomst een concurrentiebeding. Het concurrentiebeding verbood de werknemer om binnen één jaar na beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst bij een concurrent van de werkgever te werken, op straffe van een boete. Binnen de proeftijd werd de arbeidsovereenkomst door de werknemer opgezegd. De werkgever deelde de werknemer mee, dat het concurrentiebeding ook na opzegging tijdens de proeftijd zou gelden. De werknemer trad aansluitend in dienst bij een concurrent van de werkgever. De werknemer verzocht in kort geding om opheffing van het concurrentiebeding. De rechter kende dat verzoek niet toe, maar beperkte het concurrentiebeding wel tot een periode van drie maanden, gelet op de korte duur van de arbeidsovereenkomst. De rechter maakt duidelijk dat het concurrentiebeding voldeed aan de daaraan gestelde eisen en dus geldig was. Opzegging van de arbeidsovereenkomst tijdens de proeftijd heeft geen gevolgen voor de geldigheid van het beding. ... lees meer

18-10-2017
Besparing bpm door invoer bijna nieuwe auto

Besparing bpm door invoer bijna nieuwe auto

Voor de berekening van de bpm die bij registratie in Nederland moet worden betaald, wordt onderscheid gemaakt tussen nieuwe en gebruikte personenauto’s. Bij een gebruikte auto wordt de verschuldigde bpm verminderd door rekening te houden met afschrijving van de auto. Voor de toepassing van de wet bpm is een auto nieuw zolang deze niet of nauwelijks is gebruikt. Een in het buitenland nieuw gekochte auto, die door de koper op buitenlands kenteken naar Nederland is gebracht en ten tijde van de aangifte bpm een kilometerstand had van 1.566 is volgens de rechtbank niet nieuw maar gebruikt. De auto had geen gebruikssporen maar was wel wat vuil. Tussen het tijdstip van registratie in Hongarije en de registratie in Nederland waren twee maanden verstreken. De rechtbank vond dat de auto na de vervaardiging meer dan niet of nauwelijks was gebruikt. Dat de koper vanaf de eerste registratie de beschikkingsmacht over de auto heeft gehad, deze auto nieuw in Hongarije heeft gekocht en zelf de kilometers om naar Nederland te komen heeft gemaakt, vond de rechtbank niet van belang voor de kwalificatie van de auto als gebruikt. Het belastbare feit is namelijk de registratie van de auto in Nederland. Uit deze uitspraak blijkt het failliet van de bpm-wetgeving. Met weinig moeite is een besparing van duizenden euro’s aan bpm mogelijk. In dit geval ging het om een bedrag van € 3.673. Voor dat bedrag had de Belastingdienst een naheffingsaanslag opgelegd, die door de rechtbank is vernietigd. ... lees meer

11-10-2017
Overzicht maatregelen in regeerakkoord

Overzicht maatregelen in regeerakkoord

De onderhandelingen over een nieuw kabinet hebben geresulteerd in een lijvig regeerakkoord, dat bol staat van de plannen en ambities. Onderstaand volgt een beknopt overzicht. Voor de goede orde, het gaat om plannen die in de periode van 2018 tot en met 2021 nog moeten worden omgezet in wetgeving. Daarmee kan worden begonnen wanneer het nieuwe kabinet is geïnstalleerd. ArbeidsmarktOntslagrechtEr komt een regeling om ontslag mogelijk te maken op basis van een cumulatie van ontslaggronden. Deze regeling moet ontslag mogelijk maken wanneer de afzonderlijke ontslaggronden daartoe onvoldoende basis bieden, maar de combinatie van meerdere gronden leidt tot een situatie waarin niet van de werkgever verlangd kan worden dat hij de arbeidsovereenkomst voortzet. De rechter kan de transitievergoeding in een dergelijk geval met 50% verhogen. Werknemers krijgen vanaf het begin van hun arbeidsovereenkomst recht op transitievergoeding bij ontslag. De transitievergoeding bedraagt voor ieder dienstjaar een derde maandsalaris, ook bij duren langer dan 10 jaar. De mogelijkheid om scholingskosten in mindering te brengen op de transitievergoeding wordt verruimd. Tijdelijke contracten De tussenliggende periode voor opvolgende contracten blijft zes maanden. Er komt meer ruimte om per sector hiervan af te wijken als de aard van het werk daarom vraagt. Tijdelijke contracten voor vervanging tijdens ziekte in het primair onderwijs worden uitgezonderd van de ketenbepaling. De periode waarna elkaar opeenvolgende tijdelijke contracten overgaan in een contract voor onbepaalde tijd, wordt verlengd naar drie jaar. ProeftijdEr komen mogelijkheden om een langere proeftijd op te nemen in arbeidscontracten. In een eerste contract voor onbepaalde tijd mag de proeftijd vijf maanden bedragen. In tijdelijke contracten voor langer dan twee jaar mag de proeftijd drie maanden bedragen. Loondoorbetaling bij ziekte De periode van verplichte loondoorbetaling bij ziekte wordt voor werkgevers met maximaal 25 werknemers verkort naar één jaar. De verantwoordelijkheid voor loondoorbetaling en een aantal re-integratieverplichtingen gaan na dat jaar over naar het UWV. De collectieve kosten van het tweede jaar worden gedekt via een door deze groep werkgevers te betalen premie. Zzp’ersDe Wet DBA wordt ingetrokken. Er komt een nieuwe wet die echte zelfstandigen de zekerheid moet bieden dat er geen sprake is van een dienstbetrekking en die schijnzelfstandigheid moet voorkomen. Daarvoor wordt een opdrachtgeversverklaring ingevoerd. De combinatie van een laag tarief en een overeenkomst die langer duurt dan drie maanden leidt tot de constatering van een arbeidsovereenkomst. Een laag tarief wil zeggen maximaal 125% van het wettelijk minimumloon of de laagste loonschaal in de geldende cao. Partnerverlof bij geboorte Het doorbetaalde kraamverlof voor partners na bevalling wordt per 1 januari 2019 verlengd naar vijf dagen. Per 1 juli 2020 komt er een regeling voor aanvullend kraamverlof van vijf weken. Dit verlof moet binnen een half jaar na de geboorte worden opgenomen. Het UWV betaalt de werknemer tijdens het verlof een uitkering van 70% van het dagloon. Belastingstelsel Loon- en inkomstenbelastingEr komt in 2019 een tweeschijvenstelsel met een basistarief van 36,93% en een toptarief van 49,5%. Het toptarief geldt vanaf een inkomen van ca. € 68.600. Dit bedrag blijft gedurende de kabinetsperiode op het niveau van 2018. De algemene heffingskorting en de arbeidskorting gaan omhoog. Wel wordt de arbeidskorting sneller afgebouwd dan nu het geval is. Het recht op de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting voor mensen met een ZW-uitkering vervalt.De looptijd van de 30%-regeling wordt verkort van acht naar vijf jaar. De onbelaste vergoeding voor vrijwilligers gaat omhoog van € 1.500 naar € 1.700 per jaar. Aftrekposten, zoals de hypotheekrenteaftrek en de zelfstandigenaftrek, die nu nog in het hoogste tarief vallen, gaan vanaf 2020 in vier jaarlijkse stappen van 3% omlaag naar het basistarief. De versnelde afbouw van de hypotheekrenteaftrek wordt gecompenseerd door een verlaging van het eigenwoningforfait met 0,15%, ingaande in 2020. De regeling, die bij geen of een beperkte eigen woningschuld bijtelling van het eigenwoningforfait voorkomt, wordt vanaf 2018 in 20 jaar stapsgewijs afgebouwd. Het tarief in box 2 wordt verhoogd van 25 naar 27,3% in 2020 en naar 28,5% in 2021. Het heffingsvrije vermogen in box 3 gaat omhoog naar € 30.000. Verder zal sneller worden aangesloten bij het werkelijk rendement van spaartegoeden. Dat gebeurt door uit te gaan van de gemiddelde spaarrente in de periode van anderhalf tot een half jaar voor de aanvang van het belastingjaar. In de komende kabinetsperiode zal een stelsel van heffing op basis van het werkelijke in plaats van een forfaitair rendement worden uitgewerkt. VennootschapsbelastingDe grondslag voor de belasting van bedrijven wordt verbreed. De opbrengst daarvan wordt benut om de tarieven in de vennootschapsbelasting te verlagen. De huidige tarieven gaan in stappen van 20 en 25% naar 16 en 21% per 2021. In 2019 gaan de tarieven naar 19 en 24% en in 2020 naar 17,5 en 22,5%. De in het Belastingplan 2017 opgenomen stapsgewijze verlenging van de eerste schijf in de vennootschapsbelasting naar € 350.000 gaat niet door. De eerste schijf eindigt ook na 2017 bij een winst van € 200.000. De verrekening van verliezen in de vennootschapsbelasting wordt beperkt. Een verlies kan nu nog worden verrekend met winsten van de negen volgende jaren. Dat wordt beperkt tot zes jaar. De verrekening van een verlies met winst van eerdere jaren blijft beperkt tot de winst van het voorafgaande jaar. Het effectieve tarief voor winst in de innovatiebox gaat omhoog van 5 naar 7%. Vanaf 2019 wordt de afschrijving op een gebouw in eigen gebruik beperkt en kan de boekwaarde niet lager worden dan de WOZ-waarde. Nu is dat nog 50% van de WOZ-waarde. OmzetbelastingHet lage tarief van de btw gaat van 6 naar 9%. Overige belastingenDe dividendbelasting wordt afgeschaft. Er komt een bronbelasting op rente en royalty’s. Financiering met eigen vermogen wordt aantrekkelijker door de aftrekbaarheid van vreemd vermogen te beperken. ... lees meer

05-10-2017
Onvoldoende bewijs geen privégebruik

Onvoldoende bewijs geen privégebruik

Indien een werkgever aan een werknemer een auto ook voor privégebruik ter beschikking stelt, heeft dat tot gevolg dat op kalenderjaarbasis ten minste 22% van de waarde van de auto bij het loon van de werknemer wordt geteld. De wet bevat de fictie dat het ter beschikking stellen van een auto voor zakelijk gebruik inhoudt dat de auto ook privé wordt gebruikt. Er vindt geen bijtelling bij het loon plaats als de werknemer erin slaagt om te bewijzen dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer privé is gebruikt. Dat kan aan de hand van een rittenregistratie, maar mag ook op een andere manier worden aangetoond. Wanneer een werkgever aan een werknemer twee of meer auto’s ter beschikking stelt, moet voor iedere auto een bijtelling worden toegepast. Voor Hof Arnhem-Leeuwarden is onlangs een procedure gevoerd over het privégebruik van twee auto’s van de zaak door de dga van een bv. Voor de ene auto was een bijtelling voor privégebruik bij het loon in de administratie verwerkt. Voor de andere auto niet. Er werd voor de tweede auto in een reeks van jaren geen rittenregistratie bijgehouden. Wel was er een schriftelijke verklaring van de bv dat alleen de andere auto privé mocht worden gebruikt. Het hof was van oordeel dat de inspecteur terecht voor de tweede auto een bijtelling in aanmerking had genomen. Iedere vorm van objectief bewijs, dat het privégebruik per kalenderjaar niet meer dan 500 kilometer had bedragen, ontbrak. Voor een van de jaren was achteraf een rittenregistratie opgesteld. Ook die kon niet dienen als bewijs, omdat objectief controleerbare gegevens, zoals gegevens van de Nationale Auto Pas of facturen van garagebedrijven, ontbraken. De rittenregistratie bevatte geen begin- en eindstanden en geen exacte adressen van het startpunt en de bestemming. ... lees meer

05-10-2017
Onzakelijke borgstelling

Onzakelijke borgstelling

Het ter beschikking stellen van vermogen aan een bv, waarin de terbeschikkingsteller een aanmerkelijk belang heeft, wordt belast als resultaat uit overige werkzaamheden in box 1 van de inkomstenbelasting. Het aangaan van een borgstelling is geen terbeschikkingstelling, maar een vergoeding voor het aangaan van borgtocht wordt wel als een voordeel uit terbeschikkingstelling aangemerkt. Zodra de borg heeft betaald ontstaat een regresvordering op de bv. De borg kan voorafgaand aan de betaling uit hoofde van de borgtocht mogelijk een voorziening vormen. Een verlies uit de borgstelling komt niet ten laste van het resultaat uit overige werkzaamheden wanneer de borgstelling is toe te rekenen aan het handelen als aandeelhouder, met andere woorden, wanneer de zakelijkheid voor het aangaan van de borgstelling ontbreekt. Of een borgstelling onzakelijk is, hangt af van het antwoord op de vraag of er een vergoeding is waartegen een onafhankelijke derde eenzelfde borgstelling zou hebben aanvaard. Dat bij het aangaan van de borgstelling niet duidelijk is dat de bv het ontvangen krediet niet zal terug kunnen betalen, sluit niet uit dat een onafhankelijke derde niet bereid zou zijn geweest eenzelfde aansprakelijkheid te aanvaarden. Hof Arnhem-Leeuwarden is van oordeel dat een bij de oprichting van twee bv’s aangegane borgstelling onzakelijk was. De bv’s hadden elk een gering eigen vermogen van € 18.000. De bv’s waren opgericht voor de ontwikkeling van een internetplatform. Gezien de benodigde ontwikkelingskosten ging het om een risicovol project. De bank was niet bereid de bv’s onder gebruikelijke voorwaarden te financieren. Naast verpanding van de bezittingen van de moedermaatschappij van de bv’s moesten de Staat en de dga zich borg stellen voor het volledige bedrag van de lening. De dga heeft voor zijn borgstelling geen zekerheden of vergoeding bedongen. Na een faillissement van de bv’s werd de dga door de bank aangesproken op zijn borgstelling. Vanwege de onzakelijkheid van de borgstelling kwam het daarop geleden verlies niet in aftrek. ... lees meer

05-10-2017
Afzien van stamrecht leidt tot belastingheffing

Afzien van stamrecht leidt tot belastingheffing

Tot 1 januari 2014 was het mogelijk om de belastingheffing over een ontslagvergoeding uit te stellen door de vergoeding in de vorm van een recht op periodieke uitkeringen te gieten. In een dergelijk geval was niet de gehele vergoeding in een keer belast, maar werden de uitkeringen uit het recht belast op het moment van uitkering. Het prijsgeven van het recht op uitkering door af te zien van de uitkeringen leidt tot belastingheffing ineens over de waarde van het gehele recht. Bij de beëindiging van zijn dienstbetrekking in 1991 ontving een werknemer een ontslagvergoeding. Die werd in de vorm van een stamrecht ondergebracht in een bv van de werknemer. Volgens de stamrechtovereenkomst zouden de uitkeringen in 2007 ingaan bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd. In 2007 betaalde de bv een deel van de overeengekomen jaarlijkse stamrechtuitkering. Daarna deed de bv geen betalingen meer uit hoofde van de stamrechtovereenkomst. Omdat de bescheiden stamrechtuitkering uit 2007 niet is gevolgd door nadere stamrechtuitkeringen ondanks dat de werknemer daar gedurende de rest van zijn leven recht op had, oordeelde Hof Amsterdam dat de werknemer zijn aanspraak heeft prijsgegeven. Dat heeft tot gevolg dat de waarde van de aanspraak tot het loon uit vroegere dienstbetrekking moest worden gerekend. De werknemer slaagde er niet in aannemelijk te maken dat hij de aanspraak had prijsgegeven omdat deze niet voor verwezenlijking vatbaar was. Indien en voor zover de aanspraak niet te verwezenlijken was zou het prijsgeven daarvan niet tot belastingheffing hebben geleid. Omdat op grond van de stamrechtovereenkomst de eerste uitkering in 2007 zou moeten worden gedaan en er in dat jaar een deel van de uitkering waarop de werknemer recht had is uitbetaald, ging het hof ervan uit dat besluit om de aanspraak prijs te geven in 2007 is genomen. Het hof was van oordeel dat de inspecteur de waarde van de stamrechtaanspraak terecht tot het inkomen uit werk en woning over het jaar 2007 van de werknemer heeft gerekend. ... lees meer

05-10-2017
Nabetaling is onderdeel loon

Nabetaling is onderdeel loon

Het loonbegrip in de fiscale wetgeving is ruim en omvat alle voordelen die iemand uit een dienstbetrekking geniet. Vergoedingen die in het kader van de dienstbetrekking worden betaald zijn onderdeel van het loonbegrip. Onder verwijzing naar het ruime loonbegrip heeft Hof Arnhem-Leeuwarden geoordeeld dat een van een vroegere werkgever ontvangen nabetaling tot het loon behoorde. De vroegere werkgever had het bedrag na inhouding van loonbelasting betaald aan de advocaat van de werknemer. De advocaat verrekende de betaling met door de werknemer nog niet betaalde rekeningen. Volgens het hof heeft de advocaat de nabetaling namens de werknemer ontvangen en heeft de werknemer de nabetaling op deze manier genoten. De betaling vloeide voort uit een vroegere dienstbetrekking. ... lees meer

05-10-2017
Dienstbetrekking voor grootaandeelhoudster

Dienstbetrekking voor grootaandeelhoudster

Wie in dienstbetrekking werkt, is in beginsel verplicht verzekerd voor de werknemersverzekeringen. Er geldt een uitzondering voor de dga. Bepalend voor de toepassing van de uitzondering is het ontbreken van de gezagsverhouding in de arbeidsrelatie tussen de dga en de bv waarvoor hij werkt. Hof Arnhem-Leeuwarden is van oordeel dat niet aan de voorwaarden voor de uitzondering op de verzekeringsplicht is voldaan in de volgende situatie. Een holding-bv heeft certificaten van aandelen uitgegeven. Alle certificaten worden gehouden door de leden van een gezin. Moeder heeft 50% en ieder van haar drie kinderen heeft 16 2/3% van de certificaten. Het bestuur van de holding bestaat uit drie leden, namelijk moeder, een van de kinderen en een derde persoon. Alle leden hebben één stem in het bestuur. De holding houdt alle aandelen in een tussenholding, die de bestuurder is van de werkmaatschappij. Moeder is de enige bestuurder van de tussenholding en feitelijk werkzaam voor de dochtermaatschappij. Volgens het hof voldoet de arbeidsverhouding tussen moeder en de dochtermaatschappij aan de criteria voor een dienstbetrekking. Een van deze criteria is de aanwezigheid van een gezagsverhouding. Bij de beoordeling of tussen een natuurlijk persoon en een rechtspersoon een gezagsverhouding bestaat, is niet van belang wie deel uitmaken van het orgaan van de rechtspersoon dat instructies aan die natuurlijke persoon kan geven. Het bestaan van een gezagsverhouding moet niet materieel, maar formeel worden getoetst. Het hof vond aannemelijk dat moeder de aanwijzingen van het bestuur van de dochtermaatschappij moest opvolgen. Dat zij als lid van het bestuur van de holding, als bestuurder van de tussenholding en als moeder van het gezin invloed kon uitoefenen op de aanwijzingen die aan haar konden worden gegeven vindt het hof niet van belang. Het hof is van oordeel dat sprake is van een gezagsverhouding. De overige criteria voor het bestaan van een dienstbetrekking, namelijk de verplichting om de werkzaamheden persoonlijk te verrichten en de daar tegenoverstaande betaling van loon, waren niet in geschil. Daarom heeft het hof de arbeidsrelatie aangemerkt als een dienstbetrekking, met verplichte verzekering tot gevolg. ... lees meer

28-09-2017
Uitoefening optierecht na vertrek uit Nederland

Uitoefening optierecht na vertrek uit Nederland

Voor uit het buitenland afkomstige werknemers met bijzondere expertise kan op verzoek de 30%-regeling in de loonbelasting worden toegepast. Bij toepassing van deze regeling wordt 30% van de totale bruto beloning aangemerkt als een onbelaste vergoeding voor de extra kosten van huisvesting buiten het land van herkomst. De vraag in een procedure was of de 30%-regeling ook mocht worden toegepast op aan een werknemer toegekende aandelenoptierechten. De opties werden uitgeoefend nadat de werknemer uit Nederland was vertrokken. De werknemer werd door een buitenlandse moedermaatschappij uitgezonden naar een Nederlandse dochtervennootschap. De opties waren door de moedermaatschappij voorwaardelijk verstrekt. Ieder jaar werd 25% percent van de toegekende opties onvoorwaardelijk. De eerste tranche werd onvoorwaardelijk in het jaar na toekenning. Gedurende de werkzame periode in Nederland werden enkele tranches van de opties onvoorwaardelijk. De opties werden uitgeoefend na vertrek uit Nederland.Volgens de rechtbank was het bij uitoefening van de optierechten genoten voordeel aan te merken als opbrengst van arbeid in een in eerdere jaren in Nederland uitgeoefende dienstbetrekking. De 30%-regeling was op dat voordeel niet meer van toepassing omdat deze regeling was geëindigd op de laatste dag van het loontijdvak na het einde van de periode waarin de werknemer in Nederland heeft gewerkt. De Hoge Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank. Volgens de Hoge Raad is het niet van belang of wellicht een eerder genietingsmoment dan het moment van uitoefening van een aandelenoptierecht kan worden vastgesteld. De waarde van een optierecht wordt niet tot het loon gerekend. In plaats daarvan wordt de bij uitoefening van het optierecht genoten opbrengst als loon belast. De rechtbank heeft het heffingsmoment correct vastgesteld. De 30%-regeling is niet van toepassing. De opvatting van de werkmaatschappij dat deze regeling wel op het optievoordeel moet worden toegepast omdat de tewerkstelling van de werknemer bij het concern doorliep na afloop van de uitzendperiode naar Nederland, is niet juist. Bepalend voor de toepassing van de 30%-regeling is de tewerkstelling in Nederland. ... lees meer

28-09-2017
Geen step-up aanmerkelijk belang bij remigratie

Geen step-up aanmerkelijk belang bij remigratie

De meeropbrengst van aandelen die tot een aanmerkelijk belang behoren is belast met inkomstenbelasting. De meeropbrengst is het verschil tussen de verkoopopbrengst en de verkrijgingsprijs van de aandelen. De verkrijgingsprijs is de bij de verkrijging betaalde tegenprestatie, vermeerderd met de kosten die voor rekening van de verkrijger zijn gekomen. Voor een immigrant met een aanmerkelijk belang geldt een afwijkende verkrijgingsprijs. Deze afwijkende verkrijgingsprijs wordt gesteld op de waarde in het economische verkeer op het tijdstip van immigratie. Deze afwijkende regeling geldt echter niet voor een immigrant die eerder uit Nederland is geëmigreerd. De Nederlandse wettelijke regeling is bedoeld om de verkrijgingsprijs van aanmerkelijkbelangaandelen zodanig vast te stellen dat Nederland in beginsel belasting heft over de waardeaangroei van die aandelen die is ontstaan in een periode van Nederlandse belastingplicht. Dat kan binnenlandse maar ook buitenlandse belastingplicht zijn. Een uit Nederland geëmigreerde inwoner van België verkreeg 50% van de aandelen in een in Nederland gevestigde bv. Tijdens zijn verblijf in België was de aandeelhouder buitenlands belastingplichtig ter zake van de aandelen. Bij zijn remigratie naar Nederland werd de verkrijgingsprijs van zijn aandelen vastgesteld volgens de hoofdregel en niet vermeerderd met de waardeaangroei die was opgetreden tijdens zijn verblijf in België. Volgens de Hoge Raad is niet van belang dat Nederland op grond van de tekst van het verdrag ter voorkoming van dubbele belastingheffing met België geen belasting had kunnen heffen wanneer de aandeelhouder zijn aandelen had verkocht in de periode dat hij in België woonde. De Hoge Raad merkt nog op dat de procedure betrekking heeft op een door de inspecteur gegeven beschikking waarin de verkrijgingsprijs van de aandelen is vastgesteld. Met betrekking tot de aandelen heeft zich geen belastbaar feit voorgedaan. Wanneer de aandelen worden verkocht na de immigratie is de volledige waardeaangroei van de aandelen belast. Volgens de Hoge Raad is dat niet in strijd met het belastingverdrag met België. ... lees meer

28-09-2017
Stakingswinst ondernemer

Stakingswinst ondernemer

Volgens de Wet IB 2001 is winst uit onderneming het bedrag van de voordelen die worden verkregen uit een onderneming. Onder onderneming moet in dit verband ook het zelfstandig uitgeoefende beroep worden begrepen. In het kader van de beëindiging van de werkzaamheden van een vrijgevestigde medisch specialist werd aan hem een vergoeding betaald van € 750.000. Dat bedrag bestond voor € 184.000 uit goodwill. De specialist meende dat het restant ad € 566.000 geen winst uit onderneming vormde. De rechtbank stelde vast dat de specialist in de uitoefening van zijn onderneming overeenkomsten met het ziekenhuis was aangegaan. Daarom maakte de vergoeding ter beëindiging van de overeenkomsten deel uit van de winst uit onderneming. Van een onbelaste schadevergoeding was geen sprake. De medisch specialist had de vergoeding op een bankrekening van een door hem opgerichte bv laten overmaken. Volgens de specialist had hij met de bv een lijfrenteovereenkomst gesloten. De daarvoor betaalde premie meende hij als uitgave voor inkomensvoorzieningen in aftrek op zijn inkomen te mogen brengen. Een ondernemer kan bij staking van zijn onderneming de behaalde stakingswinst omzetten in een lijfrente tot een bepaald maximum. Voorwaarde is dat hij de lijfrente bedingt bij een professionele verzekeringsmaatschappij of bij een bv in het kader van de overdracht van de onderneming aan die bv. In dit geval was de lijfrente niet bedongen als tegenprestatie voor de overdracht van een onderneming aan de bv. Om die reden was het niet mogelijk om de aan de bv overgemaakte vergoeding in aftrek op het inkomen te brengen. ... lees meer

28-09-2017
Berekening invorderingsrente

Berekening invorderingsrente

In de Invorderingswet 1990 is bepaald dat bij te late betaling van een belastingaanslag invorderingsrente in rekening wordt gebracht. In een procedure voor de rechtbank meende de belanghebbende dat hij geen invorderingsrente hoefde te betalen omdat het rentebedrag was opgelopen door de lange duur van de behandeling van zijn bezwaar en beroep tegen de aanslag. De rechtbank stelde vast dat de betalingstermijn was verstreken terwijl slechts een deel van de aanslag was betaald. Vanaf het moment waarop de betalingstermijn was verstreken was de belanghebbende invorderingsrente verschuldigd. De belanghebbende had invorderingsrente kunnen voorkomen door tijdig te betalen, ook al was hij het niet eens met de aanslag. In dit geval koos de belanghebbende voor uitstel van betaling. Deze keuze komt voor zijn rekening. De rechtbank maakt duidelijk dat de keuze voor uitstel van betaling losstaat van de mogelijkheid om bezwaar te maken tegen de aanslag. ... lees meer

21-09-2017
Prinsjesdag 2017

Prinsjesdag 2017

Het gebruikelijke jaarlijkse pakket fiscale maatregelen dat op Prinsjesdag wordt gepresenteerd, is dit jaar vanwege de demissionaire status van het kabinet magerder dan ooit. Toch bestaat het Belastingplan uit vier wetsvoorstellen. Naast het eigenlijke Belastingplan en het wetsvoorstel Overige Fiscale Maatregelen (OFM) zijn dat een wetsvoorstel ter afschaffing van de landbouwregeling in de btw en een wetsvoorstel dat houdstercoöperaties inhoudingsplichtig maakt voor de dividendbelasting. Het Belastingplan 2018 bevat de maatregelen die per 1 januari 2018 effect hebben op de koopkracht. Het wetsvoorstel OFM 2018 bevat maatregelen die geen budgettaire gevolgen hebben. Veel van de daarin opgenomen maatregelen zijn een reactie op jurisprudentie, gericht op de bestrijding van misbruik of een gevolg van Europese regelgeving. N.B. Het gaat om wetsvoorstellen, die nog door de Tweede en Eerste Kamer behandeld moeten worden. De verwachting is dat het nieuwe kabinet door het aanbrengen van wijzigingen zijn stempel zal willen drukken op de voorgestelde maatregelen. De belangrijkste aangekondigde veranderingen zijn de volgende. Tarieven inkomstenbelastingDe tarieven in box 1 van de inkomstenbelasting wijzigen nauwelijks. Het tarief in de tweede en derde schijf gaat met 0,05% omhoog naar 40,85%. Voor mensen boven de AOW-leeftijd gaat het tarief in de tweede schijf naar 22,95%. Het tarief in de vierde schijf daalt met 0,05% naar 51,95%. Omdat de derde schijf wordt verlengd, is het tarief in de vierde schijf pas bij een inkomen vanaf € 68.507 van toepassing. Ook de heffingskortingen worden slechts beperkt veranderd. Het maximum van de algemene heffingskorting gaat van € 2.254 naar € 2.265 in 2018. De arbeidskorting gaat iets omhoog naar maximaal € 3.249. Het hoge bedrag van de ouderenkorting gaat van € 1.292 naar € 1.418. De alleenstaande ouderenkorting gaat iets omlaag naar € 423. Afschaffing inkeerregelingZoals al eerder was aangekondigd wil het kabinet de inkeerregeling afschaffen. De inkeerregeling houdt in dat mensen, die vermogen of inkomen hebben verzwegen, dat binnen twee jaar alsnog kunnen aangeven zonder dat de Belastingdienst een vergrijpboete oplegt. Die mogelijkheid om boetevrij in te keren wordt afgeschaft. Afschaffen landbouwvrijstelling btwIn de Miljoenennota van vorig jaar is de afschaffing van de landbouwregeling in de btw al aangekondigd. Nu is het zo ver en ligt er een wetsvoorstel ter afschaffing van de regeling per 1 januari 2018. Dit heeft tot gevolg dat landbouwers vanaf 1 januari 2018 over hun prestaties btw moeten voldoen en btw over de aan hen verrichte prestaties kunnen terugvragen. Vermogensverschuiving via huwelijkse voorwaardenPer 1 januari 2018 verandert het huwelijksvermogensrecht. Standaard ontstaat dan bij huwelijk een beperkte gemeenschap van goederen. Momenteel is het uitgangspunt een volledige gemeenschap van goederen, waarin iedere echtgenoot voor de helft gerechtigd is. Via het maken van huwelijkse voorwaarden kunnen echtgenoten kiezen voor een andere verdeling. Wanneer zij door het aangaan of wijzigen van huwelijkse voorwaarden een andere verdeling van de gemeenschap afspreken of kiezen voor een andere gemeenschap kan het zijn dat daarbij schenk- of erfbelasting verschuldigd wordt. Echtgenoten kunnen hun vermogens in ieder geval zonder gevolgen voor de schenk- en erfbelasting samenvoegen in de huwelijksgemeenschap tot een verdeling van 50% voor iedere echtgenoot. Schenkbelasting is verschuldigd indien het aandeel van de echtgenoot met het minste vermogen hoger wordt dan 50% of indien het aandeel van de echtgenoot met het meeste vermogen in het totale vermogen toeneemt. Het meerdere boven 50% respectievelijk de toename van het belang wordt dan aangemerkt als schenking. Het voorstel geldt ook voor ongehuwd samenwonenden met een notarieel samenlevingscontract. Laag tarief btw geneesmiddelenHet verlaagde tarief in de btw is van toepassing op geneesmiddelen. Door een arrest van de Hoge Raad is duidelijk geworden dat de wettekst te ruim is. Volgens het arrest vallen ook fluoride tandpasta en zonnebrandcrème onder het lage tarief. Dat is niet de bedoeling. Daarom wordt de definitie van geneesmiddel voor de btw aangepast. Het lage tarief geldt dan alleen nog voor producten, die na goedkeuring van de bevoegde autoriteiten als geneesmiddel in de handel mogen worden gebracht. Bepalend is of een handelsvergunning is afgegeven. ... lees meer

21-09-2017
Afschaffing inkeerregeling

Afschaffing inkeerregeling

Zoals al eerder was aangekondigd wil het kabinet de inkeerregeling afschaffen. De inkeerregeling houdt in dat mensen, die vermogen of inkomen hebben verzwegen, dat binnen twee jaar alsnog kunnen aangeven zonder dat de Belastingdienst een vergrijpboete oplegt. Die mogelijkheid om boetevrij in te keren wordt afgeschaft. Overigens wordt alleen een vergrijpboete opgelegd wanneer het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat er over eerdere belastingjaren te weinig belasting is geheven. Wie per ongeluk heeft verzuimd bij een inkomensbestanddeel in zijn aangifte op te nemen en dat uit zichzelf en tijdig alsnog doet, wordt in beginsel niet beboet. De bewijslast voor opzet en grove schuld ligt bij de inspecteur. De huidige inkeerregeling blijft bestaan voor aangiften die vóór 1 januari 2018 zijn gedaan of gedaan hadden moeten zijn en met betrekking tot inlichtingen, gegevens of aanwijzingen die vóór 1 januari 2018 zijn verstrekt of hadden moeten zijn verstrekt. ... lees meer

21-09-2017
Multiplier giftenaftrek

Multiplier giftenaftrek

Sinds 2012 worden giften aan culturele instellingen voor de bepaling van de giftenaftrek in de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting verhoogd door vermenigvuldiging met een bepaalde factor. Het doel van deze regeling is om giften aan culturele instellingen te stimuleren. De regeling was tijdelijk bedoeld en zou eindigen per 1 januari 2018. In januari 2017 is de regeling geëvalueerd. De conclusies die aan de evaluatie verbonden worden zijn voorbehouden aan het volgende kabinet. Dat moet besluiten of de regeling al dan niet wordt voortgezet. Om het nieuwe kabinet niet voor de voeten te lopen wordt voorgesteld om de regeling een jaar te verlengen. ... lees meer

21-09-2017
Definitie geneesmiddelen

Definitie geneesmiddelen

Het verlaagde tarief in de btw is van toepassing op geneesmiddelen. Door een arrest van de Hoge Raad is duidelijk geworden dat de wettekst te ruim is. Volgens het arrest vallen ook fluoride tandpasta en zonnebrandcrème onder het lage tarief. Dat is niet de bedoeling. Daarom wordt de definitie van geneesmiddel voor de btw aangepast. Het lage tarief geldt dan alleen nog voor producten, die na goedkeuring van de bevoegde autoriteiten als geneesmiddel in de handel mogen worden gebracht. Bepalend is of een handelsvergunning is afgegeven. In de Memorie van Toelichting wordt ingegaan op de vraag of geneesmiddelen met een handelsvergunning en producten zonder handelsvergunning soortgelijke producten zijn. Dat zou ertoe leiden dat zij vanwege het beginsel van fiscale neutraliteit voor de btw gelijk behandeld zouden moeten worden. Het kabinet denkt dat het hebben van een handelsvergunning en de bewezen werking van middelen met een handelsvergunning voldoende onderscheidend zijn om een verschil in toepassing van het btw-tarief te rechtvaardigen. ... lees meer

21-09-2017
Aansprakelijkheid pand- en hypotheekhouders

Aansprakelijkheid pand- en hypotheekhouders

In de Invorderingswet komt een bepaling die de aansprakelijkheid invoert voor pand- en hypotheekhouders en executanten. De aansprakelijkheid betreft de omzetbelasting die verschuldigd is bij de levering van een verpande of verhypothekeerde zaak of van een zaak waarop beslag is gelegd. Door de invoering van de aansprakelijkheid worden deze leveringen materieel hetzelfde behandeld als leveringen die onder de verleggingsregeling in de omzetbelasting vallen. De aansprakelijkheid moet voorkomen dat de Belastingdienst achterblijft met een onverhaalbare omzetbelastingschuld op de ondernemer wiens zaak wordt geleverd. Pand- of hypotheekhouders mogen zowel binnen als buiten faillissement de zaak namens de schuldenaar verkopen. Executanten kunnen een zaak door een gerechtsdeurwaarder laten verkopen en zich op de opbrengst verhalen. De opbrengst boeken zij af op de openstaande vordering. De opbrengst van een verkochte zaak omvat ook de omzetbelasting. Toepassing van de verleggingsregeling in de omzetbelasting biedt niet in alle gevallen een oplossing. Zo kan de verleggingsregeling niet worden toegepast bij leveringen aan niet-ondernemers of bij leveringen van roerende zaken op grond van een executoriale titel. De invoering van de nieuwe aansprakelijkheid voor pand- en hypotheekhouders en executanten moet dat probleem ondervangen. De aansprakelijkheid neemt de plicht om de omzetbelasting te betalen niet weg van de ondernemer wiens zaken worden geleverd. Pas wanneer hij niet betaalt mag de Belastingdienst de pand- of hypotheekhouder of executant aansprakelijk stellen voor het bedrag aan niet-betaalde omzetbelasting. ... lees meer

21-09-2017
Afschaffing landbouwregeling

Afschaffing landbouwregeling

De huidige landbouwregeling in de omzetbelasting houdt landbouwers, veehouders, tuinbouwers en bosbouwers buiten de heffing van btw. Zij hoeven geen btw-administratie bij te houden. Omdat de landbouwer geen btw is verschuldigd over zijn leveringen en diensten, kan hij de aan hem in rekening gebrachte btw niet terugvragen. Om cumulatie van omzetbelasting in de bedrijfskolom te voorkomen heeft de afnemer van een landbouwer recht op een forfaitaire aftrek van voorbelasting. Dit forfait bedraagt 5,4% van de verkoopprijs die de landbouwer in rekening heeft gebracht. Toepassing van de landbouwregeling is niet verplicht, want landbouwers hebben de keuze om te opteren voor de gebruikelijke wijze van btw-heffing. Bedrijven die regelmatig investeren maken in de praktijk meestal geen gebruik van de landbouwregeling omdat de aftrek van voorbelasting aantrekkelijker is.In de Miljoenennota van vorig jaar is de afschaffing van de landbouwregeling aangekondigd. Nu is het zo ver en ligt er een wetsvoorstel ter afschaffing van de regeling per 1 januari 2018. Dit heeft tot gevolg dat landbouwers vanaf 1 januari 2018 over hun prestaties btw moeten voldoen en btw over de aan hen verrichte prestaties kunnen terugvragen. OvergangsrechtVoor landbouwers die tot 1 januari 2018 gebruik maken van de landbouwregeling, is voorzien in overgangsrecht. Dat maakt mogelijk dat deze landbouwers alsnog in aanmerking komen voor de eerder niet genoten aftrek van voorbelasting op investeringsgoederen die vóór 1 januari 2018 in gebruik zijn genomen en op goederen en diensten, die op 1 januari 2018 nog niet in gebruik zijn genomen. Voor investeringsgoederen die voor 1 januari 2018 in gebruik zijn genomen geldt, in afwijking van de bestaande herzieningsregels, dat herziening van de aftrek van voorbelasting niet gespreid over de jaren maar in één keer plaatsvindt voor de resterende herzieningsperiode. Dat gebeurt in de aangifte over het eerste belastingtijdvak van 2018.De aftrek van voorbelasting op goederen en diensten die vóór 1 januari 2018 zijn aangeschaft, maar na 1 januari 2018 in gebruik worden genomen, vindt plaats in de aangifte over het eerste belastingtijdvak van 2018 overeenkomstig de gewijzigde bestemming van deze goederen en diensten. In het kader van de afschaffing van de landbouwregeling wordt het beleidsbesluit “Omzetbelasting Landbouw” met ingang van 1 januari 2018 ingetrokken. ... lees meer

21-09-2017
Maatregelen loonbelasting

Maatregelen loonbelasting

Niet-uitvoerende bestuurdersBestuurders van een beursgenoteerde vennootschap zijn fictief in dienstbetrekking werkzaam bij de vennootschap. De fictieve dienstbetrekking voor commissarissen is vervallen, aanvankelijk op basis van een besluit, en met ingang van 1 januari 2017 op basis van de wet. Nu wordt voorgesteld ook de fictieve dienstbetrekking voor niet-uitvoerende bestuurders van een beursgenoteerde vennootschap af te schaffen. Daardoor ontstaat een gelijke behandeling van commissarissen en niet-uitvoerende bestuurders. Een uitvoerende bestuurder blijft onder de loonbelasting vallen, ongeacht of hij bestuurder is van een beursgenoteerde of een niet beursgenoteerde vennootschap. Wie uitvoerend of niet-uitvoerend bestuurder is, blijkt uit het Handelsregister. Alleenstaande ouderenkorting in de loonheffingDe alleenstaande ouderenkorting kan bij de inhouding van loonheffing alleen worden toegepast indien de alleenstaande oudere op zijn AOW-uitkering de standaardloonheffingskorting toepast. Nu wordt voorgesteld dat de Sociale Verzekeringsbank de alleenstaande ouderenkorting mag toepassen op de Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen bij alleenstaande ouderen die geen AOW-uitkering ontvangen. Deze maatregel verkleint het aantal alleenstaande ouderen dat aangifte inkomstenbelasting moet doen om de korting te gelde te maken. Pseudo-eindheffing over excessieve vertrekvergoedingenOf een vertrekvergoeding bij einde dienstbetrekking excessief is wordt vastgesteld aan de hand van een rekenregel. Bepaalde onvoorwaardelijke aandelenoptierechten, die enkele jaren voor het jaar waarin de dienstbetrekking is beëindigd zijn verstrekt aan de vertrekkende werknemer, tellen niet mee in deze rekenregel. De Hoge Raad heeft gezegd dat dit ook geldt voor aandelenoptierechten die nog niet onvoorwaardelijk waren. De pseudo-eindheffing over excessieve vertrekvergoedingen kan door dat arrest worden beperkt of voorkomen door constructies met voorwaardelijke aandelenoptierechten. Om dat te voorkomen wordt de regeling aangepast. Beperking toepassing heffingskortingen buitenlandse belastingplichtigenHeffingskortingen bestaan uit een premiedeel en een belastingdeel. Sinds 2015 zijn buitenlandse belastingplichtigen te onderscheiden in kwalificerende en niet kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen. Kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen hebben in de inkomstenbelasting recht op dezelfde fiscale voordelen als binnenlandse belastingplichtigen, waaronder het belastingdeel van alle heffingskortingen. Niet-kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen uit landen binnen de EU of de EER hebben in de inkomstenbelasting enkel recht op het belastingdeel van aan arbeid gekoppelde heffingskortingen. Niet-kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen uit derde landen hebben in de inkomstenbelasting voor geen van de heffingskortingen recht op het belastingdeel. Het kabinet stelt voor om vanaf 2019 in de loonbelasting voor alle buitenlandse belastingplichtigen alleen nog maar het belastingdeel van de heffingskortingen toe te laten passen waarop niet kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen uit het betreffende land in de inkomstenbelasting recht hebben. Op grond van de voorgestelde maatregel wordt bij buitenlandse belastingplichtigen uit een land binnen de EU of de EER vanaf 2019 in de loonbelasting alleen van de arbeidskorting het belastingdeel toegepast. Bij buitenlandse belastingplichtigen uit derde landen wordt van geen enkele heffingskorting het belastingdeel toegepast. Bij de voorgestelde wijziging wordt geen onderscheid gemaakt tussen kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen en niet-kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen. ... lees meer

21-09-2017
Verlaging EIA met 0,5% per 2018

Verlaging EIA met 0,5% per 2018

De energie-investeringsaftrek (EIA) gaat per 1 januari 2018 met 0,5% omlaag. Dat is een gevolg van een bij de behandeling van het Belastingplan 2017 aangenomen amendement, waarvoor deze verlaging als dekking dient. De verlaging is destijds niet verwerkt in het amendement. Dat wordt nu hersteld. ... lees meer

14-09-2017
Algemeen overleg Belastingdienst

Algemeen overleg Belastingdienst

De staatssecretaris van Financiën heeft in een brief aan de Tweede Kamer gereageerd op een aantal onderwerpen dat in het Algemeen overleg over de Belastingdienst is besproken. Een van de besproken onderwerpen is de Berichtenbox en dan met name het controleren of berichten zijn geopend, de mogelijkheid om post alleen digitaal te ontvangen en de bewaartermijn van berichten in de Berichtenbox. Monitoring van berichten Van alle berichten in de Berichtenbox wordt bijgehouden of zij worden geopend. Op het niveau van de organisaties die zijn aangesloten bij MijnOverheid wordt niet gecontroleerd of berichten geopend worden. Alleen digitale postOp dit moment is het niet mogelijk alleen digitale berichten te ontvangen. De staatssecretaris heeft toegezegd te onderzoeken wat er nodig is om dit mogelijk te maken en hoe de verwerking van die keuze in de systemen van de Belastingdienst vorm kan worden gegeven. In de volgende halfjaarsrapportage zal de staatssecretaris ingaan op de voortgang. Bewaartermijn berichten De Belastingdienst gebruikt de Berichtenbox van MijnOverheid als digitale brievenbus voor het bekendmaken van formele berichten zoals beschikkingen en aanslagen. De bewaartermijn van deze berichten is onbeperkt. Zolang een belastingplichtige zijn Berichtenbox niet leegt, blijven berichten behouden. Op de eigen portalen van de Belastingdienst, zoals Mijnbelastingdienst en MijnToeslagen, vinden belanghebbenden actuele informatie over hun belasting- en toeslagzaken en de berichten die zij daarover van de Belastingdienst hebben ontvangen. Berichten blijven op deze portalen in elk geval beschikbaar zolang bezwaar, beroep, navordering of andere procedures mogelijk zijn, dus in ieder geval vijf jaar. De belastingplichtige die langer wil kunnen beschikken over kopieën van zijn aangiften en aanvragen kan deze downloaden en zelf archiveren. De Belastingdienst onderzoekt hoe aangiften na vijf jaar oproepbaar kunnen worden gemaakt. Pleegkinderen en partnerschapHet Belastingplan 2018 bevat een aanpassing van het partnerbegrip voor de toeslagen en inkomstenbelasting. Pleegkinderen voor wie een pleegzorgvergoeding is ontvangen worden daardoor uitgezonderd van het partnerschap. Deze tegemoetkoming wordt met terugwerkende kracht ingevoerd vanaf 2017. De aanvrager en het pleegkind moeten zelf een verzoek indienen bij de Belastingdienst om het pleegkind niet aan te merken als partner. ... lees meer

14-09-2017
Beleidsbesluit hybride geldverstrekkingen

Beleidsbesluit hybride geldverstrekkingen

De staatssecretaris van Financiën heeft een besluit met beleid voor de behandeling van hybride geldverstrekkingen in de vennootschaps- en dividendbelasting gepubliceerd. In beginsel wordt het verschil tussen eigen en vreemd vermogen bepaald door de civielrechtelijke vorm. Soms is de civielrechtelijke vorm van een geldverstrekking niet duidelijk omdat de verstrekking kenmerken van beide vormen bevat. Uitgangspunt is dat het bestaan van een terugbetalingsverplichting een wezenlijk kenmerk is van een lening. Een dergelijke verplichting heeft voorrang op de aanspraken van aandeelhouders. KapitaalGeld dat niet voor een bepaalde looptijd maar permanent ter beschikking wordt gesteld is geen lening wanneer de geldverstrekker bij faillissement of ontbinding van de vennootschap geen nominaal recht heeft op aflossing, maar meedeelt met de aandeelhouders in de liquidatie-uitkering. De geldverstrekker deelt dan op gelijke wijze als aandeelhouders in de verliezen van de vennootschap. Dat heeft tot gevolg dat de vergoeding op dergelijke geldverstrekkingen voor de vennootschap niet aftrekbaar is van de winst. De staatssecretaris heeft goedgekeurd dat een als kapitaal aangemerkte permanente geldverstrekking op verzoek onder de deelnemingsvrijstelling kan worden gebracht. Over de vergoeding die wordt betaald op als kapitaal aangemerkte permanente geldverstrekkingen hoeft geen dividendbelasting ingehouden te worden, omdat deze geldverstrekkingen niet vallen onder de in de wet aangewezen kapitaalsvormen. LeningEen geldverstrekking met vaste looptijd, die schuldaansprakelijk is bij faillissement of ontbinding, heeft volgens het besluit wel de terugbetalingsverplichting die kenmerkend is voor een lening. Het recht op aflossing na bepaalde tijd is daarvoor doorslaggevend. De daarnaast bestaande schuldaansprakelijkheid doet daar niet aan af. Wanneer de looptijd zodanig lang is dat de geldverstrekking als kapitaal wordt aangemerkt, zoals bij de deelnemerschapslening, kan dat anders zijn. Een deelnemerschapslening is een lening met een vaste looptijd van meer dan 50 jaar, die is achtergesteld bij alle crediteuren en waarvan de vergoeding winstafhankelijk is. Er is een wettelijke regeling voor de samenloop van de deelnemerschapslening en de deelnemingsvrijstelling en de dividendbelasting. Onder bepaalde voorwaarden geldt de deelnemingsvrijstelling voor de geldverstrekker en is over de opbrengst dividendbelasting verschuldigd. ... lees meer

14-09-2017
Teruggave overdrachtsbelasting

Teruggave overdrachtsbelasting

Bij de levering van onroerende zaken moet overdrachtsbelasting worden betaald. Op verzoek kan een teruggaaf van betaalde overdrachtsbelasting worden verleend, wanneer door de werking van een ontbindende voorwaarde de oude situatie zowel juridisch als feitelijk wordt hersteld. Een akte van levering bevatte een ontbindende voorwaarde. In de akte was verder opgenomen, dat de koper een bedrag per maand zou betalen aan de verkoper als voorschot op de koopsom. Dat vooruitbetaalde bedrag zou niet worden terugbetaald als de ontbindende voorwaarde zich zou voordoen. Als de ontbindende voorwaarde zich niet zou voordoen, zou het vooruitbetaalde bedrag worden verrekend met de verschuldigde koopsom. Door het intreden van de ontbindende voorwaarde is de eigendom van de onroerende zaak weer bij de verkoper komen te berusten. De inspecteur weigerde de teruggaaf van overdrachtsbelasting omdat niet het vereiste volledige herstel van de oude toestand was ingetreden. Hof Arnhem-Leeuwarden is van oordeel dat de inspecteur het verzoek om teruggaaf had moeten honoreren. Volgens het hof is de toestand van voor de levering zowel feitelijk als juridisch hersteld door de vervulling van de ontbindende voorwaarde. De betaling van een bedrag per maand voor het geval de ontbindende voorwaarde zou intreden maakte volgens het hof geen deel uit van de tegenprestatie voor de levering, omdat deze betaling alleen verschuldigd was als de ontbindende voorwaarde zich voordeed. ... lees meer

07-09-2017
Import gebruikte auto

Import gebruikte auto

Voor de registratie van een auto in Nederland maakt het uit of de auto nieuw of gebruikt is. Bij de registratie van een gebruikte auto bedraagt de verschuldigde bpm minder doordat rekening wordt gehouden met afschrijving. De Hoge Raad heeft in enkele arresten bepaald dat voor het antwoord op de vraag of een auto nieuw of gebruikt is niet bepalend is dat de auto, voordat deze naar Nederland kwam, in het buitenland op kenteken is gezet. Volgens de Hoge Raad is een auto nieuw als deze na de vervaardiging niet of nauwelijks is gebruikt. Hof Den Bosch is van oordeel dat een auto, waarmee ten tijde van de registratie in Nederland ruim 3.000 kilometer is gereden, in het algemeen niet meer als nieuw kan worden aangemerkt. Dat kan anders zijn bij een zogenaamde U-bocht constructie, waarbij belastingbesparing de doorslaggevende reden is geweest. De inspecteur voerde aan dat de belanghebbende in de procedure in Nederland een nieuwe auto had gekocht om die vervolgens in het buitenland te laten registreren en daar kilometers heeft laten maken om deze korte tijd later in Nederland als gebruikt te kunnen registreren. De bpm bedroeg volgens de aangifte € 15.067. De inspecteur berekende de verschuldigde bpm op een bedrag van € 24.185. Voor het verschil van € 9.118 heeft hij een naheffingsaanslag opgelegd. Volgens het hof heeft de inspecteur het oogmerk van belastingbesparing als doorslaggevende reden niet aannemelijk gemaakt. Het enkele feit dat tussen de aankoop en de registratie in Nederland niet meer dan drie weken zijn verstreken, is daarvoor onvoldoende. ... lees meer

07-09-2017
Eigenrisicodragerschap WGA

Eigenrisicodragerschap WGA

Werkgevers, die eigenrisicodrager willen zijn voor het WGA-risico, kunnen dat vanaf 1 januari 2017 alleen voor het totale risico, dus voor het WGA-risico van zowel vaste als flexibele krachten. Werkgevers, die voor 1 januari 2017 eigenrisicodrager waren voor het WGA-risico van hun vaste krachten en eigenrisicodrager wilden blijven, moesten een nieuwe garantie overleggen aan de Belastingdienst voor het totale WGA-risico. Deze garantie moest uiterlijk op 31 december 2016 bij de Belastingdienst binnen zijn. Verzekeraars hebben in een beperkt aantal gevallen geen nieuwe garantie aan de Belastingdienst afgegeven voor werkgevers die eigenrisicodrager wilden blijven, ondanks dat deze werkgevers op tijd hebben gevraagd om een nieuwe garantie. Deze werkgevers zijn door het niet op tijd afgeven van een garantie per 1 januari 2017 ongewild de publieke verzekering ingestroomd. Volgens de wet is het niet mogelijk om binnen drie jaar na beëindiging van het eigenrisicodragerschap weer eigenrisicodrager te worden. Voor de werkgevers van wie het eigenrisicodragerschap ongewild is beëindigd, komt er eenmalig de mogelijkheid om al eerder dan na drie jaar weer eigenrisicodrager voor de WGA te worden, namelijk per 1 juli 2018. Dit zal via een nota van wijziging op de Verzamelwet SZW 2018 geregeld worden. ... lees meer

07-09-2017
Hoog tarief voor alcoholische dranken bij de maaltijd

Hoog tarief voor alcoholische dranken bij de maaltijd

In navolging van de rechtbank is ook het hof van oordeel dat het hoge tarief voor de omzetbelasting van toepassing is op alcoholhoudende dranken, die een restaurant serveert bij maaltijden. De restauranthouder had toepassing van het lage tarief bepleit omdat het serveren van alcoholhoudende dranken als bijkomende prestatie op zou gaan in de levering van de maaltijd als hoofdprestatie. Op maaltijden, die ter plaatse worden genuttigd, is het lage tarief van toepassing. Het verstrekken van alcoholhoudende dranken is geen bijkomende prestatie bij het verstrekken van maaltijden, maar een afzonderlijke dienst. ... lees meer

04-09-2017
Afscheid bij Van Harberden: Willeke van den Broek

Per 1 september is Willeke van den Broek in dienst getreden in het familiebedrijf Van den Broek. Als lid van de 4e generatie wordt ze Office Manager. We hebben Willeke leren kennen als een betrokken en hardwerkende collega. Willeke is opgevolgd door Teunike Gerritsen ... lees meer

31-08-2017
Kleineondernemersregeling en buitenlandse ondernemers

Kleineondernemersregeling en buitenlandse ondernemers

De kleineondernemersregeling in de omzetbelasting geldt voor natuurlijke personen die een onderneming drijven. De kleineondernemersregeling is een vermindering van de door de ondernemer aan de Belastingdienst te betalen omzetbelasting. De regeling is van toepassing op de ondernemer die op jaarbasis minder dan € 1.883 aan omzetbelasting verschuldigd is. Bedraagt de verschuldigde omzetbelasting minder dan € 1.883 maar meer dan € 1.345, dan wordt het aan de Belastingdienst te betalen bedrag aan omzetbelasting verminderd met 2,5 maal het verschil tussen € 1.883 en het bedrag van de te betalen belasting. Bedraagt de verschuldigde omzetbelasting niet meer dan € 1.345, dan leidt de vermindering ertoe dat de ondernemer geen omzetbelasting aan de Belastingdienst hoeft te betalen. Voor de toepassing van de kleineondernemersregeling wordt aan de ondernemers de eis gesteld dat zij in Nederland wonen of in Nederland beschikken over een vaste inrichting. Een vaste inrichting is een plaats van waaruit het bedrijf mede wordt uitgeoefend. Een vaste inrichting moet een zekere mate van duurzaamheid hebben en moet geschikt zijn voor een zelfstandige verrichting van de diensten van de onderneming. Een in Duitsland wonend echtpaar was eigenaar van een voor de verhuur bestemde vakantiewoning in Nederland. Het echtpaar was ondernemer voor de omzetbelasting. De verhuur vond plaats door tussenkomst van een verhuurkantoor. De vraag was of het echtpaar over een vaste inrichting in Nederland beschikte. Hof Den Bosch oordeelde dat de activiteiten van de onderneming feitelijk werden verricht door het verhuurkantoor. Het echtpaar verrichtte zelf in Nederland geen activiteiten en de vakantiewoning kwalificeerde niet als vaste inrichting. Het verhuurkantoor vormde geen in Nederland gelegen verlengstuk van de onderneming van het echtpaar en was daarmee ook geen vaste inrichting van de onderneming. Het verhuurkantoor verrichtte zijn activiteiten zelfstandig en voor meerdere opdrachtgevers. Omdat het echtpaar niet beschikte over een vaste inrichting in Nederland hadden de echtgenoten geen recht op toepassing van de kleineondernemersregeling. ... lees meer

31-08-2017
Geen dienstbetrekking, dus geen recht op WW

Geen dienstbetrekking, dus geen recht op WW

Wie werkzaam is in een privaatrechtelijke dienstbetrekking, is werknemer in de zin van de WW. Voor een privaatrechtelijke dienstbetrekking moet aan drie vereisten zijn voldaan. Er moet een verplichting zijn om arbeid persoonlijk te verrichten, er moet een gezagsverhouding bestaan en er moet een verplichting zijn om loon te betalen. Bij de beoordeling van een arbeidsrelatie wordt niet alleen gekeken naar de rechten en verplichtingen die partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen stonden, maar ook naar de wijze waarop partijen uitvoering geven aan hun rechtsverhouding. De vraag in een procedure was of een voormalige algemeen directeur van een bv recht had op een WW-uitkering. De statutaire directeur van deze bv was een holding-bv. De moeder van de algemeen directeur was de enige aandeelhouder van de holding-bv. De algemeen directeur was de statutaire directeur van de holding-bv. Dat feit maakte hem nog niet de statutaire directeur van de werk-bv. In de procedure was niet in geschil dat de algemeen directeur verplicht was om voor de werk-bv arbeid te verrichten of dat hij daarvoor loon van de werk-bv ontving. De vraag was of de algemeen directeur in een gezagsverhouding stond ten opzichte van de werk-bv. Onder meer uit verklaringen van andere werknemers van de werk-bv werd duidelijk dat de algemeen directeur de feitelijke leiding had binnen de werk-bv en naar buiten toe het gezicht was van de werk-bv. Ondanks haar aandeelhouderschap had de moeder van de algemeen directeur geen enkele bestuurlijke rol in de holding of de werk-bv. De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat er geen gezagsverhouding heeft bestaan tussen de werk-bv en de algemeen directeur. Het UWV heeft terecht vastgesteld dat de algemeen directeur niet verplicht verzekerd was en daarom geen recht had op een WW-uitkering. ... lees meer

31-08-2017
Aansprakelijkheid bestuurder stichting

Aansprakelijkheid bestuurder stichting

Iedere bestuurder van een rechtspersoon is hoofdelijk aansprakelijk voor de loonheffing die de rechtspersoon verschuldigd is. De aansprakelijkheid geldt niet alleen voor bestuurders van een nv of een bv, maar ook voor bestuurders van een stichting of van een vereniging met rechtspersoonlijkheid. De rechtspersoon moet, zodra duidelijk is dat de loonbelasting niet betaald kan worden, daarvan mededeling doen aan de ontvanger. Als de melding van de betalingsonmacht tijdig is gedaan, is een bestuurder alleen aansprakelijk als het niet betalen van de belasting het gevolg is van kennelijk onbehoorlijk bestuur. Is door of namens de rechtspersoon geen melding van de betalingsonmacht gedaan of is de melding te laat gedaan, dan is iedere bestuurder aansprakelijk en wordt verondersteld dat de niet betaling te wijten is aan zijn kennelijk onbehoorlijk bestuur. Alleen de bestuurder die aannemelijk weet te maken dat het niet aan hem is te wijten dat de melding van de betalingsonmacht niet of te laat is gedaan, krijgt de mogelijkheid om de veronderstelling te weerleggen. De bestuurder van een stichting, die geen melding van betalingsonmacht had gedaan, slaagde er niet in aannemelijk te maken dat het niet melden niet aan hem te wijten was. Als bestuurder had hij zich op de hoogte moeten (laten) stellen van het reilen en zeilen van de stichting en van de financiële positie van de stichting. De bestuurder heeft geen gebruik gemaakt van zijn bevoegdheden om zich adequaat te laten informeren. Door zijn nalatigheid was hij niet in staat om de betalingsonmacht bij de ontvanger te (laten) melden. ... lees meer

31-08-2017
Teruggaaf omzetbelasting

Teruggaaf omzetbelasting

Een ondernemer heeft recht op teruggaaf van omzetbelasting op leveringen en diensten waarvoor hij de vergoeding niet heeft en niet zal ontvangen. Het recht op teruggaaf ontstaat op het tijdstip waarop vaststaat dat de vergoeding geheel of gedeeltelijk niet zal worden betaald. Om aan onzekerheid een eind te maken is per 1 januari 2017 in de wet geregeld dat het recht op teruggaaf geacht wordt te zijn ontstaan uiterlijk één jaar na het tijdstip waarop de vergoeding opeisbaar is geworden. Tot 1 januari 2017 gold dat het recht op teruggaaf ontstond op het tijdstip waarop redelijkerwijs kon worden aangenomen dat de schuldenaar de vergoeding niet zou voldoen. Wanneer dat was, werd binnen zekere marges overgelaten aan de beoordeling van de ondernemer. Wel gold dat de teruggaaf van omzetbelasting uiterlijk moest worden gevraagd bij de aangifte over het eerste tijdvak waarin betaling van de vergoeding niet meer in rechte kon worden gevorderd. De beoordelingsvrijheid van de ondernemer met betrekking tot de vraag of redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de voldoening door de schuldenaar achterwege zal blijven is niet onbeperkt. Hof Den Bosch oordeelde in een procedure dat een in 2014 gedaan verzoek om teruggaaf te laat was ingediend. Uit de vaststaande feiten volgde dat ruim voor 2014 vaststond dat de vorderingen van de ondernemer niet betaald zouden worden. Door toch pas in 2014 een verzoek om teruggaaf in te dienen heeft de ondernemer zijn beoordelingsvrijheid overschreden. Het verzoek om teruggaaf was niet-ontvankelijk. ... lees meer

31-08-2017
Transitievergoeding en loondispensatie

Transitievergoeding en loondispensatie

De vraag in een procedure bij de kantonrechter was of bij de berekening van de hoogte van de transitievergoeding en de gefixeerde schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging rekening moet worden gehouden met een ontvangen loondispensatie.De basis voor de berekening van de transitievergoeding is het loon. Het begrip loon moet in dit verband worden opgevat als de vergoeding die de werkgever aan de werknemer verschuldigd is voor de bedongen arbeid. In het Besluit loonbegrip vergoeding aanzegtermijn en transitievergoeding wordt het loon omschreven als het bruto uurloon vermenigvuldigd met de overeengekomen arbeidsduur per maand. Volgens de kantonrechter telt het bedrag aan loondispensatie dat een werkgever van het UWV heeft ontvangen en bij iedere loonbetaling heeft uitbetaald aan de werknemer niet mee als brutoloon van de werknemer. Bij de berekening van de hoogte van de transitievergoeding hoeft met deze doorbetaalde bedragen geen rekening gehouden te worden. Bepalend daarvoor vond de kantonrechter dat in de arbeidsovereenkomst duidelijk was vermeld dat het bruto salaris voor 40% loon betrof en voor het overige deel de van het UWV ontvangen loondispensatie. Nadat de periode van loondispensatie was geëindigd ontving de werknemer van de werkgever 40% loon en een Wajong-uitkering van het UWV. De loondispensatie was niet afhankelijk van de door de werknemer te verrichten arbeid, maar betrof een persoonsgebonden uitkering. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat de arbeidsprestatie van de werknemer niet meer dan 40% bedroeg van een reguliere arbeidsprestatie. Ook voor de berekening van de hoogte van de gefixeerde schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging hoeft geen rekening gehouden te worden met de loondispensatie. Deze schadevergoeding is gelijk aan het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou hebben voortgeduurd. ... lees meer

24-08-2017
Verzoek om teruggaaf buitenlandse btw

Verzoek om teruggaaf buitenlandse btw

Ondernemers, die in 2016 in een ander EU-land btw hebben betaald, kunnen deze btw terugvragen wanneer zij in dat land geen aangifte doen. Een verzoek om teruggaaf over 2016 moet vóór 1 oktober 2017 zijn ingediend. Dat kan via de website van de Belastingdienst. Verzoeken die later binnenkomen worden mogelijk niet meer in behandeling genomen. Houd er rekening mee dat voor een verzoek om teruggaaf inloggegevens nodig zijn. Wanneer het een eerste verzoek om teruggaaf van btw uit een ander EU-land betreft, moeten inloggegevens worden aangevraagd. Volgens de Belastingdienst kan het tot vier weken duren voordat de inloggegevens worden verstuurd. Voorwaarden verzoek teruggaafU kunt btw terugvragen uit een EU-land als u aan een aantal voorwaarden voldoet: Uw onderneming is in Nederland gevestigd. Uw onderneming doet in het EU-land waar de btw wordt teruggevraagd, geen aangifte voor de btw. Doet de onderneming in het buitenland wel aangifte, dan kan de btw daar als voorbelasting in aftrek worden gebracht. De btw heeft betrekking op goederen en diensten die voor met btw belaste bedrijfsactiviteiten worden gebruikt. Verzoek om teruggaaf niet mogelijkEen verzoek om teruggaaf van btw uit een ander EU-land is niet mogelijk in de volgende gevallen: U bent geen ondernemer voor de btw. Uw onderneming verricht uitsluitend vrijgestelde prestaties. U heeft een ontheffing van administratieve verplichtingen. U valt onder de landbouwregeling en voldoet niet aan de voorwaarden voor de teruggaafregeling van agrarische goederen. Behandeling verzoekDe Belastingdienst van het EU-land waar de btw wordt teruggevraagd reageert binnen vier maanden bij beschikking op het verzoek om teruggaaf. Een verzoek wordt afgekeurd of geheel of gedeeltelijk goedgekeurd. Als het verzoek wordt goedgekeurd, volgt de betaling uiterlijk binnen tien werkdagen na afloop van de termijn van vier maanden. Bijlagen bij verzoekAfhankelijk van het EU-land waar btw wordt teruggevraagd moeten mogelijk facturen of invoerdocumenten worden meegestuurd. Op de website van de Belastingdienst is te vinden welke vereisten gelden per EU-land. Omvat een verzoek om teruggaaf een creditfactuur, dan moeten er mintekens voor het factuurbedrag en het btw-bedrag worden geplaatst zonder spatie tussen het minteken en het bedrag. Een creditfactuur die betrekking heeft op een factuur die in een eerder verzoek om teruggaaf is meegenomen moet aan het eerstvolgende verzoek om teruggaaf worden toegevoegd. ... lees meer

Ontvang onze nieuwsbrief!

Wilt u ook up-to-date blijven? Laat uw gegevens achter en u ontvangt voortaan iedere maand onze nieuwsbrief!