10-01-2019
Besteding geleend geld aan eigen woning

Besteding geleend geld aan eigen woning

Een lening die is aangegaan voor de aanschaf, het onderhoud of de verbetering van een eigen woning wordt aangemerkt als een eigenwoningschuld. De betaalde rente over een eigenwoningschuld is aftrekbaar voor de inkomstenbelasting. Om een lening als eigenwoningschuld aan te kunnen merken moet de woningeigenaar aannemelijk maken dat hij het geleende geld heeft besteed voor de eigen woning. Dat kan met behulp van nota's en betaalbewijzen. Kan de woningeigenaar de besteding van het geleende geld niet aannemelijk maken, dan is de rente over de lening niet aftrekbaar. In een procedure voor Hof Arnhem-Leeuwarden was in geschil of leningen, die enkele jaren na de aanschaf van de woning waren aangegaan, als eigenwoningschuld konden worden aangemerkt. Geruime tijd voor het aangaan van de leningen waren onderhouds- en verbeteringswerkzaamheden aan de woning uitgevoerd. De woningeigenaar had geen bewijsstukken van de besteding van het geleende geld. Een van de leningen was niet aangegaan door de woningeigenaar zelf, maar door zijn ouders. Het hof vond niet aannemelijk dat de leningen als eigenwoningschuld waren aan te merken. Dat betekende dat de rente over deze leningen niet aftrekbaar was. ... lees meer

10-01-2019
Te late inkeer

Te late inkeer

Vrijwillige inkeer is een strafverminderende omstandigheid. Er is sprake van een vrijwillige inkeer wanneer een belastingplichtige voordat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de Belastingdienst met de onjuistheid of onvolledigheid van zijn aangifte bekend is of zal worden alsnog de juiste informatie verstrekt. De rechtbank Gelderland heeft het betoog van een belastingplichtige dat een beroep op de inkeerregeling mogelijk blijft zolang er een serieuze mogelijkheid bestaat dat de Belastingdienst niet op de hoogte raakt van de onregelmatigheid in de aangifte, afgewezen. De rechtbank kwam tot dit oordeel in een procedure van een cliënt van de Zwitserse UBS-bank. De Belastingdienst heeft op 23 juli 2015 de Zwitserse belastingautoriteiten om informatie gevraagd over Nederlandse rekeninghouders van de bank. UBS heeft haar Nederlandse cliënten al in 2014 gevraagd om bewijzen van een juiste fiscale aangifte over te leggen. De bank heeft haar Nederlandse cliënten op de hoogte gesteld van het informatieverzoek. Nadat de Zwitserse Belastingdienst een officiële aankondiging over het informatieverzoek heeft gepubliceerd, hebben Nederlandse media op 27 september 2015 over het verzoek bericht. Volgens de rechtbank laten deze feiten geen andere conclusie toe dan dat de cliënt van de bank objectief gezien kon weten of vermoeden dat de Belastingdienst op de hoogte zou raken van de Zwitserse bankrekening. Pas daarna is het formele beroep op de inkeerregeling gedaan. Vervolgens heeft het nog ruim vier maanden geduurd voordat alle gegevens met betrekking tot de bankrekening aan de Belastingdienst zijn verstrekt. ... lees meer

10-01-2019
Ontbrekende verliesherzieningsbeschikking

Ontbrekende verliesherzieningsbeschikking

Een negatief inkomen in box 1 van de inkomstenbelasting kan worden verrekend met positieve inkomens van eerdere of latere jaren. Een negatief inkomen wordt door de Belastingdienst in een verliesbeschikking vastgesteld. De verrekening van een verlies wordt ook bij beschikking vastgesteld. Wanneer een aanvankelijk vastgesteld verlies later wordt gewijzigd, bijvoorbeeld door het opleggen van een navorderingsaanslag, heeft dat gevolgen voor de verrekening van het eerder vastgestelde verlies. De Belastingdienst stelde het inkomen in box 1 van een belastingplichtige over 2008 aanvankelijk vast op een negatief bedrag. Dit verlies werd bij beschikking verrekenend met het positieve inkomen van 2005. Vervolgens legde de Belastingdienst een navorderingsaanslag op over 2008, waardoor het inkomen op een positief bedrag uitkwam. Op het aanslagbiljet stond dat de verliesverrekening door de navordering over 2008 verviel. De Belastingdienst corrigeerde de verliesverrekening door het opleggen van een navorderingsaanslag over 2005. De daarvoor vereiste verliesherzieningsbeschikking over 2008 ontbrak echter. Dat was voor de rechtbank aanleiding om de navorderingsaanslag over 2005 te vernietigen. ... lees meer

10-01-2019
Winst bij verkoop grond belast

Winst bij verkoop grond belast

Box 1 van de inkomstenbelasting omvat naast de winst uit onderneming en het loon uit dienstbetrekking het resultaat uit een of meer werkzaamheden. Daartoe wordt gerekend het rendabel maken van vermogen op een wijze die normaal, actief vermogensbeheer te buiten gaat. Voorbeelden daarvan zijn het uitponden van onroerende zaken, het zelf verrichten van groot onderhoud of andere aanpassingen aan een zaak en het benutten van voorkennis of bijzondere vormen van kennis. Volgens enkele arresten van de Hoge Raad leidt het uitponden van onroerende zaken op zich niet tot belastbare inkomsten. Er moeten aanvullende werkzaamheden worden verricht, die zijn gericht op het behalen van een redelijkerwijs te verwachten voordeel, dat hoger ligt dan het bij normaal actief vermogensbeheer te verwachten rendement. Het indienen van een verzoek tot wijziging van de op een perceel grond rustende bestemming is een voorbeeld van een aanvullende werkzaamheid waardoor de omvang van normale werkzaamheden binnen particulier vermogensbeheer wordt overschreden. Dit deed zich voor bij iemand die twee percelen grond kocht en deze na wijziging van de bestemming met winst doorverkocht. Samen met een projectontwikkelaar had hij de gemeente benaderd over de mogelijkheid tot woningbouw op zijn percelen. Daarbij werd een schetsplan ingediend. Om het bestemmingsplan gewijzigd te krijgen voerde de grondeigenaar diverse malen overleg met de gemeente. De rechtbank ging niet mee in het betoog van de koper dat hij de percelen had verkocht omdat de locatie bij nader inzien niet geschikt was voor zijn onderneming. De rechtbank vond aannemelijk dat de grondeigenaar actief betrokken was geweest bij de pogingen om een bestemmingswijziging te bewerkstelligen. Gezien het feit dat de koopprijs was overeengekomen onder de voorwaarde dat de bestemmingswijziging zou plaatsvinden, had de grondeigenaar daar een financieel belang bij. Zonder bestemmingswijziging zouden de percelen beduidend minder waard zijn dan de overeengekomen prijs. De bestemmingswijziging was verdisconteerd in de overeengekomen koopprijs. ... lees meer

04-01-2019
Wijzigingen loonbelasting

Wijzigingen loonbelasting

In de loonbelasting zijn per 1 januari 2019 enkele zaken gewijzigd. Privégebruik autoWerknemers met een auto van de zaak, die zij ook privé mogen gebruiken, worden geconfronteerd met een bijtelling bij hun salaris. De bijtelling is een percentage van de cataloguswaarde van de auto inclusief omzetbelasting. Bepalend voor de hoogte van het percentage van de bijtelling zijn de CO2-uitstoot en de datum van eerste toelating op de weg van de auto. Voor in 2019 nieuw toegelaten auto’s zonder CO2-uitstoot geldt een verlaagde bijtelling van 4% over de eerste € 50.000. Voor zover de catalogusprijs hoger is dan € 50.000 geldt de reguliere bijtelling van 22%. In alle andere gevallen bedraagt de bijtelling 22%. Tot en met 2016 golden nog verschillende verlaagde percentages. Deze verlaagde percentages en uitstootgrenzen gelden gedurende maximaal 60 maanden. Auto’s van voor 2017, waarvoor een verlaagd bijtellingspercentage geldt, vallen na de periode van 60 maanden onder de destijds geldende standaardbijtelling van 25% en niet onder het huidige algemene percentage van 22. Voor auto’s zonder CO2-uitstoot van voor 2017 geldt na het verstrijken van de 60-maandstermijn een verlaagde bijtelling van 7% over de eerste € 50.000 van de catalogusprijs en van 25% over het meerdere. 30%-regelingVoor uit het buitenland afkomstige werknemers met een bijzondere deskundigheid geldt onder bepaalde voorwaarden een belastingvrije vergoeding van 30% van de totale bruto beloning. Om aan te tonen dat een werknemer beschikt over een specifieke deskundigheid die op de Nederlandse arbeidsmarkt niet of schaars aanwezig is, geldt een salarisnorm. Voor 2019 is het normbedrag vastgesteld op € 37.743. Voor werknemers die jonger zijn dan 30 jaar en beschikken over een afgeronde masteropleiding geldt een verlaagde salarisnorm van € 28.690.De 30%-regeling kent sinds 1 januari 2019 een maximale looptijd van vijf jaar. De verkorting van de looptijd geldt met ingang van 2021 ook voor bestaande gevallen. Van 2012 tot en met 2018 was de maximale looptijd acht jaar. Tot en met 2011 was de looptijd maximaal tien jaar. VrijwilligersregelingAan vrijwilligers kan in 2019 een vrijgestelde vergoeding worden betaald van maximaal € 170 per maand en € 1.700 per jaar. Kraamverlof en partnerverlofEen werknemer heeft na de bevalling van zijn partner recht op vijf werkdagen doorbetaald kraamverlof. De werknemer kan het verlof meteen opnemen of in de eerste vier weken na de bevalling. ... lees meer

04-01-2019
Tarieven en heffingskortingen 2019

Tarieven en heffingskortingen 2019

De tarieven in box 1 van de inkomstenbelasting en voor de loonbelasting zijn in 2019 als volgt. Inkomen op jaarbasis tarief tot AOW-leeftijd tarief AOW-gerechtigde € 0 t/m € 20.384 36,65% 18,75% € 20.385 t/m € 34.300 38,10% 20,20% € 34.301 t/m € 68.507 38,10% 38,10% € 68.508 en hoger 51,75% 51,75% Voor mensen, die geboren zijn voor 1 januari 1946, geldt een hogere grens van de tweede schijf van € 34.817.De tarieven in de eerste twee schijven bevatten een premiecomponent. Tot de AOW-leeftijd bestaat deze uit 17,9% AOW, 0,10% Anw en 9,65% Wlz. Bij het bereiken van de AOW-leeftijd vervalt de AOW-premie. In 2019 bedraagt de AOW-leeftijd 66 jaar en vier maanden. Heffingskortingen Heffingskorting tot AOW-leeftijd AOW-gerechtigde Algemene heffingskorting, maximaal € 2.477 € 1.268 Arbeidskorting, maximaal € 3.399 € 1.740 Inkomensafhankelijke combinatiekorting € 2.835 € 1.448 Jonggehandicaptenkorting € 735 € 0 Ouderenkorting, maximaal € 0 € 1.596 Alleenstaande ouderenkorting € 0 € 429 Levensloopkorting € 215 De algemene heffingskorting wordt afgebouwd tot nihil bij een inkomen uit werk en woning boven € 20.384. De afbouw bedraagt 5,147% van het inkomen boven € 20.384. Voor mensen, die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt, daalt de algemene heffingskorting met 2,633%. Vanaf een inkomen van € 68.507 is de algemene heffingskorting nihil. De arbeidskorting wordt afgebouwd tot nihil vanaf een arbeidsinkomen van € 34.060. De afbouw bedraagt 6% van het arbeidsinkomen boven € 34.060. Voor AOW-gerechtigden bedraagt de afbouw 3,069%. De arbeidskorting bedraagt nihil bij een inkomen vanaf € 90.710. De inkomensafhankelijke combinatiekorting kent in 2019 geen basisbedrag meer. De korting loopt op bij een hoger arbeidsinkomen dan € 4.993 met 11,45% van het meerdere inkomen tot een maximum van € 2.835. De ouderenkorting bedraagt € 1.596 tot een inkomen van € 36.783. Boven dat inkomen daalt de ouderenkorting met 15% van het meerdere tot nihil bij een inkomen van € 47.423. Hoewel de levensloopregeling is afgeschaft, bestaat de levensloopkorting nog wel. Deze geldt bij opname uit het levenslooptegoed. Het bedrag van € 215 geldt voor ieder jaar waarin is deelgenomen aan de levensloopregeling. ... lees meer

04-01-2019
Aftrekposten ondernemers 2019

Aftrekposten ondernemers 2019

OudedagsreserveDe toevoeging aan de oudedagsreserve voor een ondernemer bedraagt in 2019 9,44% van de winst, maar maximaal € 8.999. De toevoeging wordt verminderd met ten laste van de winst gekomen pensioenpremies. OndernemersaftrekEen ondernemer voldoet aan het urencriterium als hij op jaarbasis ten minste 1.225 uur en de helft van zijn arbeidstijd aan zijn onderneming besteedt. Door te voldoen aan het urencriterium heeft de ondernemer recht op ondernemersaftrek. De ondernemersaftrek omvat: de zelfstandigenaftrek; de aftrek voor S&O-werk; de meewerkaftrek; de startersaftrek arbeidsongeschikten; de stakingsaftrek. Alleen de bedragen van de aftrek S&O-werk zijn gewijzigd. Deze aftrek bedraagt in 2019 € 12.775. Wie in een van de vijf voorafgaande kalenderjaren geen ondernemer was en in deze periode niet meer dan tweemaal de S&O-aftrek heeft toegepast, heeft recht op een verhoogde aftrek S&O-werk. De verhoging bedraagt € 6.391. Gemengde kostenGemengde kosten zijn kosten met een deels zakelijk, deels privé karakter. Voor gemengde kosten geldt een beperking van de mate waarin zij in aftrek komen op de winst. De volgende kosten zijn voor 80% aftrekbaar: kosten van voedsel, drank en genotmiddelen; kosten van representatie, inclusief recepties, feestelijke bijeenkomsten en vermaak; kosten van congressen, seminars, symposia, excursies, studiereizen en dergelijke. De ondernemer kan er voor kiezen 20% van de werkelijke gemengde kosten niet in aftrek te brengen. Als alternatief kan de ondernemer de kosten volledig in aftrek brengen en de winst verhogen met een vast bedrag van € 4.600. Mkb-winstvrijstellingDe mkb-winstvrijstelling voor ondernemers is niet gewijzigd in 2019 en bedraagt 14% van de winst. ... lees meer

04-01-2019
Investeringsaftrek 2019

Investeringsaftrek 2019

De regeling van de investeringsaftrek is bedoeld om investeringen door ondernemers in bedrijfsmiddelen te bevorderen. Er zijn drie vormen van investeringsaftrek: kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA); energie-investeringsaftrek (EIA) en milieu-investeringsaftrek (MIA). KIAVoor investeringen in bedrijfsmiddelen kan KIA worden genoten indien het totale investeringsbedrag in 2019 ligt tussen € 2.300 en € 318.449. Er geldt een minimumbedrag per bedrijfsmiddel van € 450. Vanaf een investeringsbedrag van € 2.300 bedraagt de investeringsaftrek 28% van het investeringsbedrag. De maximale KIA bedraagt € 16.051. Dit bedrag wordt bereikt bij een investeringsbedrag tussen € 57.321 en € 106.150. Bij een hoger investeringsbedrag dan € 106.150 daalt de KIA met 7,56% van het meerdere, totdat deze nihil bedraagt bij een investeringsbedrag van € 318.449. EIAHet tarief van de EIA voor investeringen in energiebesparende bedrijfsmiddelen bedraagt in 2019 45% van het investeringsbedrag. De lijst met bedrijfsmiddelen die in aanmerking komen voor EIA is aangepast. Het maximale investeringsbedrag waarover aftrek wordt verleend bedraagt € 122 miljoen. Voor het recht op EIA moet het investeringsbedrag per bedrijfsmiddel ten minste € 2.500 bedragen. Een overzicht van de voor EIA kwalificerende bedrijfsmiddelen is te vinden op de website van de Rijksdienst voor ondernemend Nederland. MIADe tarieven van de MIA voor investeringen in bedrijfsmiddelen die zijn aangewezen als milieu-investeringen zijn niet gewijzigd. De lijst met bedrijfsmiddelen die in aanmerking komen voor MIA is wel aangepast. De MIA bedraagt voor investeringen: in categorie I 36,0%; in categorie II 27,0%; in categorie III 13,5%. Voor het recht op MIA moet het investeringsbedrag per bedrijfsmiddel ten minste € 2.500 bedragen. Er geldt een maximumbedrag van € 25 miljoen waarover MIA wordt verleend. VamilIn aanvulling op de MIA geldt voor milieu-investeringen de Vamilregeling. Deze regeling staat vervroegde afschrijving toe op milieu-investeringen tot 75% van de aanschafwaarde. De resterende 25% moet regulier worden afgeschreven. Een overzicht van de voor MIA/Vamil kwalificerende bedrijfsmiddelen is te vinden op de website van de Rijksdienst voor ondernemend Nederland. ... lees meer

04-01-2019
Wijzigingen inkomstenbelasting 2019 voor particulieren

Wijzigingen inkomstenbelasting 2019 voor particulieren

Eigen woningHet eigenwoningforfait voor woningen met een WOZ-waarde tussen € 75.000 en € 1.080.000 bedraagt in 2019 0,65% van de waarde. Voor het deel van de WOZ-waarde boven € 1.080.000 geldt een verhoogd eigenwoningforfait van 2,35%. Aftrek van betaalde hypotheekrente in de vierde tariefschijf gaat tegen 49% in plaats van tegen het tabeltarief van 51,75%. Het percentage waartegen aftrek in de vierde tariefschijf wordt verleend daalt ieder jaar met 0,5%. De rente in een uitkering uit een kapitaalverzekering eigen woning (KEW) is onbelast als de uitkering in 2019 niet meer bedraagt dan € 166.000. De vrijstelling voor de KEW geldt alleen voor op 1 januari 2013 bestaande verzekeringen die voldoen aan alle voorwaarden. De maximale vrijstelling voor kamerverhuur bedraagt in 2019 € 5.367. Premies lijfrenteverzekeringenBetaalde premies voor lijfrenteverzekeringen zijn onder voorwaarden aftrekbaar. Voor iemand die op 1 januari de AOW-leeftijd nog niet heeft bereikt bedraagt de aftrekbare premie, dat is de jaarruimte, in 2019 13,3% van de premiegrondslag. De jaarruimte is maximaal € 12.678. De jaarruimte wordt verminderd met de opbouw van pensioenaanspraken en dotaties aan de oudedagsreserve. Wie in de voorgaande zeven jaar de jaarruimte niet of niet geheel heeft benut, kan gebruik maken van een aanvullende aftrek. Deze reserveringsruimte bedraagt 17% van de premiegrondslag in het jaar van aftrek. Er geldt een maximum van € 7.254. Voor wie aan het begin van het kalenderjaar maximaal tien jaar jonger is dan de AOW-leeftijd wordt dit maximum verhoogd tot € 14.322. De premiegrondslag is het totaal van de winst uit onderneming, het resultaat uit werkzaamheden en het inkomen uit arbeid in het vorige jaar, met een maximum van € 107.593 en verminderd met de franchise ter grootte van € 12.275. Voor tijdelijke oudedagslijfrenten geldt als voorwaarde voor aftrekbaarheid van de premie dat het bedrag van de jaarlijkse uitkering niet hoger mag zijn dan € 21.741. De uitkeringen mogen niet eerder ingaan dan in het jaar waarin men de AOW-leeftijd bereikt. Box 3In box 3 wordt belasting geheven tegen een tarief van 30% over de grondslag voor sparen en beleggen. Dat is het vermogen in box 3 verminderd met de vrijstelling. Deel grondslag sparen en beleggen Spaardeel 0,13% Beleggingsdeel 5,60% Forfaitair rendement Tot en met € 71.650 67% 33% 1,94% Van € 71.650 tot en met € 989.736 21% 79% 4,45% Vanaf € 989.736 0% 100% 5,60%in box 3 van € 30.360 per persoon. Schulden komen tot een bedrag van € 3.100 per persoon niet in mindering op de grondslag voor sparen en beleggen. ... lees meer

04-01-2019
Bedragen kindregelingen 2019

Bedragen kindregelingen 2019

KinderbijslagMet ingang van 1 januari 2019 gelden de volgende bedragen per kind per kwartaal. Leeftijd kind Bedrag 0 t/m 5 jaar € 219,97 6 t/m 11 jaar € 267,10 12 t/m 17 jaar € 314,24 KinderopvangDe maximum uurprijzen voor dagopvang, buitenschoolse opvang en gastouderopvang voor 2019 zijn als volgt: dagopvang € 8,02; buitenschoolse opvang € 6,89; gastouderopvang € 6,15. Kindgebonden budgetVoor het kindgebonden budget gelden de volgende bedragen op jaarbasis. Aantal kinderen Inkomen tot € 20.941 1 € 1.166 2 € 2.155 3 € 2.447 4 € 2.739Voor ieder volgend kind wordt het kindgebonden budget verhoogd met € 292. Verder geldt een verhoging van het kindgebonden budget voor 12- tot 15-jarigen van € 239 per jaar. De verhoging voor 16- en 17-jarigen is € 427 per jaar. Voor een alleenstaande ouder wordt het kindgebonden budget verhoogd met € 3.139. Het recht op kindgebonden budget vervalt als het vermogen in box 3 op 1 januari groter is dan € 114.776 voor een alleenstaande en € 145.136 voor partners. Bij een inkomen hoger dan € 20.941 daalt het kindgebonden budget met 6,75% van het meerdere inkomen. ... lees meer

04-01-2019
Zwarte lijst laagbelastende landen

Zwarte lijst laagbelastende landen

Nederland heeft een lijst van laagbelastende landen samengesteld, die wordt gebruikt bij nieuwe maatregelen tegen belastingontwijking. De lijst bevat 21 landen en is gepubliceerd in de Staatscourant. Naast de vijf landen van de zwarte lijst van de Europese Unie heeft Nederland landen opgenomen zonder winstbelasting of met een winstbelasting met een tarief van minder dan 9%. De lijst bevat de volgende landen: Amerikaans Samoa, de Amerikaanse Maagdeneilanden, Anguilla, de Bahama’s, Bahrein, Belize, Bermuda, de Britse Maagdeneilanden, Guam, Guernsey, Isle of Man, Jersey, de Kaaimaneilanden, Koeweit, Qatar, Samoa, Saudi-Arabië, Trinidad en Tobago, de Turks- en Caicoseilanden, Vanuatu en de Verenigde Arabische Emiraten. De lijst wordt gebruikt bij de aanvullende controlled foreign company (CFC)-maatregel, die per 1 januari 2019 is ingegaan. Deze maatregel moet voorkomen dat bedrijven belasting ontwijken door mobiele activa te verschuiven naar een laagbelastend land. De lijst wordt daarnaast gebruikt bij de nog in te voeren conditionele bronbelasting op rente en royalty’s. Bedrijven die zijn gevestigd in een van de landen op de Nederlandse lijst zullen met ingang van 2021 een belasting van 20,5% betalen over de rente en royalty’s die zij uit Nederland ontvangen. De Belastingdienst geeft geen nieuwe rulings af over transacties met bedrijven die gevestigd zijn in een van de landen op de lijst. ... lees meer

04-01-2019
Nieuw beleidsbesluit vouchers

Nieuw beleidsbesluit vouchers

In verband met de gewijzigde regelgeving rond vouchers in de omzetbelasting heeft de staatssecretaris nieuwe beleidsregels voor vouchers gepubliceerd in een besluit. Het nieuwe besluit vervangt eerdere besluiten die betrekking hebben op de artikelen 20 en 21 van het uitvoeringsbesluit omzetbelasting en op telefoonkaarten en cadeaubonnen. Onderscheid wordt gemaakt tussen vouchers, waardebonnen en zegels als instrumenten die ondernemers kunnen gebruiken om de verkoop van goederen en diensten te stimuleren of om de betaling voor goederen en diensten te vergemakkelijken. Een voucher wordt omschreven als een instrument ten aanzien waarvan de verplichting bestaat om het als tegenprestatie voor een levering of dienst te aanvaarden. De te verrichten levering of dienst of de identiteit van de verrichter ervan staan vermeld op de voucher of in de bijbehorende documentatie. Dat geldt ook voor de voorwaarden voor het gebruik van de voucher. Een waardebon wordt omschreven als een bij goederen of diensten eventueel tegen bijbetaling verstrekt instrument dat met bijbetaling ingewisseld kan worden tegen goederen of diensten. Een zegel is een bij goederen of diensten gratis verstrekt instrument dat ingewisseld kan worden tegen geld. Een koopzegel is een bij goederen of diensten tegen betaling verstrekt instrument dat ingewisseld kan worden tegen geld. ... lees meer

20-12-2018
Nieuwe btw-identificatienummers voor eenmanszaken

Nieuwe btw-identificatienummers voor eenmanszaken

Het huidige btw-identificatienummer van eenmanszaken omvat het burgerservicenummer (BSN) van de ondernemer. Dat gaat veranderen. Alle eenmanszaken in Nederland krijgen namelijk voor 1 januari 2020 een nieuw btw-identificatienummer. Door de uitgifte van nieuwe btw-identificatienummers voldoet de Belastingdienst aan de eisen van de Autoriteit Persoonsgegevens. Het risico van identiteitsfraude vermindert hierdoor en de privacy van ondernemers wordt beter gewaarborgd. In de interne systemen van de Belastingdienst blijft overigens het bestaande nummer in gebruik. Het nieuwe btw-identificatienummer is bedoeld voor extern gebruik en wordt bij contacten met de systemen van de Belastingdienst automatisch vertaald naar het oude nummer om de interne verwerking door de Belastingdienst ongestoord te laten verlopen. ... lees meer

20-12-2018
Belastingplan 2019 aangenomen

Belastingplan 2019 aangenomen

De Eerste Kamer heeft het volledige pakket Belastingplan 2019 aangenomen. Het Belastingplan 2019 omvat naast het eigenlijke Belastingplan de volgende wetsvoorstellen: Wet Overige fiscale maatregelen 2019, Wet Bedrijfsleven 2019, Fiscale Vergroeningsmaatregelen 2019, Wet aanpassing kansspelbelasting voor sportweddenschappen, Wet implementatie artikel 1 richtlijn elektronische handel, Wet modernisering kleineondernemersregeling, Wet implementatie eerste EU-richtlijn antibelastingontwijking en Wet fiscale maatregel rijksmonumenten. Bij de stemming is een aantal moties aangenomen. Het gaat om een verzoek om de maximale belastingvrije vrijwilligersvergoeding jaarlijks te indexeren en om het verlenen van zekerheid vooraf bij de subsidieregeling voor monumentenpanden dat werkzaamheden voor subsidie in aanmerking komen wanneer de investeringen hoger zijn dan € 70.000 in één jaar. Een motie om elektrische auto’s van vijf jaar en ouder in aanmerking te laten komen voor de lagere bijtelling voor privégebruik die voor niet-elektrische auto’s van 15 jaar en ouder geldt, is aangehouden. Invoering tweeschijvenstelselEr wordt toegewerkt naar een tweeschijvenstelsel in de loon- en inkomstenbelasting. De tarieven in de huidige eerste drie schijven zijn vrijwel gelijk: het tarief in de eerste schijf bedraagt in 2019 36,65%; het tarief in de tweede en derde schijf bedraagt in 2019 38,10%. Het tarief in de vierde schijf (toptarief) bedraagt 51,75%. HeffingskortingenDe algemene heffingskorting gaat omhoog. Daardoor stijgt het besteedbaar inkomen van mensen met een inkomen tot € 68.507 per jaar. De heffingskorting bedraagt in 2019 € 2.477 voor inkomens tot € 20.384. Ook de arbeidskorting stijgt in 2019 en bedraagt dan maximaal € 3.399. De daling van de arbeidskorting verloopt in 2019 sneller dan in 2018. De ouderenkorting bedraagt in 2019 maximaal € 1.596. Vanaf een inkomen van € 36.000 bouwt de ouderenkorting geleidelijk af. In 2018 was de overgang van de hoge naar de lage ouderenkorting abrupt wanneer het inkomen boven de inkomensgrens uitkwam.De inkomensafhankelijke combinatiekorting wordt in 2019 anders berekend. Het basisbedrag van € 1.000 verdwijnt. Het opbouwpercentage gaat omhoog naar 11,45%. De maximale korting van € 2.835 in 2019 wordt bij een lager inkomen dan in 2018 bereikt. AftrekpostenVoor mensen met een inkomen boven € 68.507 wordt het tarief van een aantal aftrekposten verlaagd. Dat geldt onder meer voor de hypotheekrenteaftrek. In 2019 bedraagt het tarief voor hypotheekrenteaftrek voor hoge inkomens 49%. De aftrek wegens geen of een geringe eigenwoningschuld wordt met ingang van 1 januari 2019 beperkt. De aftrek wordt jaarlijks met 3,33% verlaagd over een periode van 30 jaar. VrijwilligersDe belastingvrije vergoeding voor vrijwilligers gaat omhoog naar maximaal € 170 per maand en € 1.700 per jaar. De voor de beoordeling van vrijwilligerswerk gehanteerde uurvergoeding gaat naar € 5. Laag tarief btwHet lage tarief van de btw gaat omhoog van 6 naar 9%. Dit tarief is van toepassing op eerste levensbehoeften als de dagelijkse boodschappen en op arbeidsintensieve diensten. MilieubelastingenDe belasting op aardgas gaat omhoog en de belasting op elektriciteit gaat omlaag. ... lees meer

20-12-2018
Evaluatie middelingsregeling

Evaluatie middelingsregeling

Het ministerie van Financiën heeft een evaluatie van de middelingsregeling in de inkomstenbelasting uit laten voeren. Het kabinet zal de uitkomsten van de evaluatie betrekken bij het aangekondigde onderzoek naar mogelijkheden voor verbetering van het belastingstelsel in het voorjaar van 2019. De insteek van dit onderzoek is om vanuit een breder perspectief te kijken naar mogelijkheden om het belastingstelsel eenvoudiger, doeltreffender en doelmatiger te maken. De middelingsregeling is een faciliteit waarmee het progressienadeel van sterk wisselende inkomens kan worden gecompenseerd. Dat gebeurt door de geheven inkomstenbelasting in box 1 over drie aaneengesloten jaren te herrekenen op basis van het gemiddelde inkomen van die jaren. Bij de invoering van de regeling is niet expliciet vastgelegd of deze bedoeld is voor bepaalde groepen mensen of voor bepaalde situaties. Daardoor is niet duidelijk of in bepaalde gevallen compensatie via de middelingsregeling al dan niet gewenst is. Onderzocht is in welke mate de middelingsregeling doeltreffend en doelmatig is. Jaarlijks maken circa 50.000 belastingplichtigen gebruik van de middelingsregeling. Daarmee is een bedrag tussen € 70 miljoen en € 90 miljoen gemoeid. De gemiddelde middelingsteruggave ligt tussen € 1.550 en € 1.700. 30% van de gebruikers valt binnen de categorie starters of structureel meer verdieners en 28% valt binnen de categorie stoppers of structureel minder verdieners. De benutting van de middelingsregeling is laag aangezien 85% van de belastingplichtigen die recht hebben op een middelingsteruggave geen gebruik van de regeling maakt. De middelingsregeling is de afgelopen jaren ongewijzigd gebleven ondanks het inkomensafhankelijk maken van de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. Deze heffingskortingen kunnen effect hebben op de mate waarin belastingplichtigen progressienadeel ondervinden. Heffingskortingen worden echter niet meegenomen in de middelingsregeling. Daarnaast zal op grond van het Belastingplan 2019 vanaf 2021 een tweeschijvenstelsel gelden. Hierdoor zullen alleen mensen met een inkomen dat incidenteel in het toptarief valt en sommige AOW-gerechtigden gebruik kunnen maken van de middelingsregeling. Het aantal potentiële gebruikers zal daardoor met ongeveer 60% dalen. Door de lage benutting, de relatief hoge uitvoeringskosten en het niet meenemen van de inkomensafhankelijkheid van heffingskortingen zijn de doeltreffendheid en doelmatigheid van de middelingsregeling beperkt. De regeling bereikt uiteindelijk slechts 15% van de belastingplichtigen die ervoor in aanmerking komen. Samen met de verwachte ontwikkelingen als gevolg van invoering van het tweeschijvenstelsel leidt dit ertoe dat er serieuze kanttekeningen te plaatsen zijn bij de (toekomstige) effectiviteit van de middelingsregeling. De onderzoekers zien twee opties voor de middelingsregeling. De eerste optie is het betrekken van de afbouw van de heffingskortingen bij de middelingsregeling. De tweede optie is afschaffing van de middelingsregeling. ... lees meer

13-12-2018
Werkgever voldoet niet aan herplaatsingsvereiste

Werkgever voldoet niet aan herplaatsingsvereiste

Een arbeidsovereenkomst kan worden ontbonden als er een redelijke grond voor is, op voorwaarde dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn in een andere passende functie niet mogelijk is. Er bestaat een redelijke grond als om bedrijfseconomische redenen arbeidsplaatsen moeten vervallen. De redelijke termijn voor herplaatsing is gelijk aan de opzegtermijn die de werkgever voor de werknemer in acht moet nemen. Er is sprake van een passende functie wanneer deze aansluit bij de opleiding, ervaring en capaciteiten van de werknemer. Voor de beoordeling of een passende functie beschikbaar is, wordt gekeken naar bestaande vacatures en vacatures die binnen de redelijke termijn zullen ontstaan. In het kader van het herplaatsingsvereiste wordt van een werkgever verwacht dat hij actief onderzoekt of herplaatsing in een passende functie binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, mogelijk is. Het herplaatsingsvereiste strekt zich in voorkomende gevallen uit over het gehele concern waartoe het bedrijf van de werkgever behoort. De werkgever moet kunnen aantonen dat hij zich voldoende heeft ingespannen om de werknemer te herplaatsen en daarmee diens ontslag te voorkomen. Hof Den Bosch oordeelde in een procedure dat de werkgever onvoldoende actief was geweest om een werknemer te herplaatsen. De werkgever maakte deel uit van een wereldwijd concern, maar had zich beperkt tot vacatures in Nederland. Het UWV had de werkgever erop gewezen dat hij een overzicht van vacatures van alle ondernemingen van het concern over had moeten leggen en moeten nagaan of de werknemer bereid was om naar het buitenland te gaan. Omdat de werkgever niet aan het herplaatsingsvereiste had voldaan wees het hof het verzoek van de werkgever om een datum te bepalen, waarop de arbeidsovereenkomst eindigt, af. ... lees meer

13-12-2018
Voortgang vervanging Wet DBA

Voortgang vervanging Wet DBA

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft de Tweede Kamer geïnformeerd over de voortgang van de wetgeving ter vervanging van de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (DBA). In het regeerakkoord zijn maatregelen aangekondigd om schijnzelfstandigheid en concurrentie op arbeidsvoorwaarden tegen te gaan en om zekerheid te geven aan zelfstandigen en hun opdrachtgevers dat geen sprake is van een dienstbetrekking. De maatregelen omvatten de volgende zaken: 1. OpdrachtgeversverklaringVia een te ontwikkelen webmodule kunnen opdrachtgevers een opdrachtgeversverklaring verkrijgen als er geen sprake is van een dienstbetrekking. De webmodule is naar verwachting eind 2019 gereed. De minister zal de Kamer voor de zomer van 2019 nader informeren over de voortgang. 2. Verduidelijking gezagVerduidelijkt wordt wanneer er een gezagsverhouding is tussen opdrachtgever en -nemer. Daarmee kunnen zij zelf beoordelen of sprake is van een dienstbetrekking. Het gezagscriterium wordt verduidelijkt per 1 januari 2019. Dat gebeurt door het opnemen van een uitgebreide toelichting als bijlage bij het Handboek Loonheffingen. 3. Arbeidsovereenkomst bij laag tarief (ALT)Het mag niet meer mogelijk zijn om langdurig zelfstandigen in te huren tegen een laag tarief voor het uitvoeren van reguliere bedrijfsactiviteiten. De kans is groot dat deze maatregel in strijd is met Europees recht. Daarom wordt ook naar alternatieven gezocht. Naar verwachting kan deze maatregel niet eerder dan per 1 januari 2021 in werking treden. 4. Opt-outDe opt-out biedt de mogelijkheid om af te zien van inhouding van loonheffingen en geeft opdrachtnemers en opdrachtgevers extra zekerheid. De ALT en opt-out worden momenteel uitgewerkt en zullen samen in wetgeving worden vormgegeven. De handhaving van de Wet DBA door de Belastingdienst is opgeschort tot in ieder geval 1 januari 2020, met uitzondering van kwaadwillenden. In verband met het invoeren van extra bescherming van zelfstandigen aan de onderkant van de arbeidsmarkt wordt het nut en de rol van fictieve dienstbetrekkingen bezien. Het doel van fictieve dienstbetrekkingen is het beschermen van kwetsbare groepen op de arbeidsmarkt. Het kabinet gaat daarover in gesprek met de sociale partners. ... lees meer

13-12-2018
Belastingdeel heffingskortingen

Belastingdeel heffingskortingen

De heffingskortingen voor de loon- en inkomstenbelasting bestaan uit een belasting- en een premiedeel. Iedereen, die onder de loonbelasting valt, heeft recht op het belastingdeel van de heffingskortingen die samen de loonheffingskorting vormen. Iedereen, die in Nederland verzekerd is voor de volksverzekeringen, heeft recht op het premiedeel van de heffingskortingen. Met ingang van 1 januari 2019 ontvangen buitenlandse belastingplichtigen niet langer via de loonbelasting het belastingdeel van de heffingskortingen. Deze maatregel moet voorkomen dat buitenlandse belastingplichtigen heffingskortingen via de inkomstenbelasting terug moeten betalen wanneer zij daar geen recht op hebben. Buitenlandse belastingplichtigen, die recht hebben op dezelfde heffingskortingen als binnenlandse belastingplichtigen, kunnen de heffingskortingen via hun aangifte inkomstenbelasting incasseren. Via een voorlopige aanslag inkomstenbelasting kunnen zij de heffingskortingen al in de loop van het kalenderjaar ontvangen. Dat geldt overigens alleen voor buitenlandse belastingplichtigen van wie is vastgesteld dat zij in aanmerking komen voor de heffingskortingen. Voor nieuwe gevallen geldt dat, wanneer is vastgesteld dat iemand in aanmerking komt voor de heffingskorting, deze vervolgens via de voorlopige aanslag in volgende jaren kan worden uitbetaald. De aanvraag daarvoor hoeft niet elk jaar opnieuw te worden gedaan. Voor het belastingdeel van de arbeidskorting geldt een uitzondering voor werknemers die inwoner zijn van een andere lidstaat van de EU, van een EER-land, Zwitserland of de BES-eilanden (Bonaire, Sint-Eustatius en Saba). Zij hebben recht op het belastingdeel van de arbeidskorting. Vanaf 1 januari 2019 moet per werknemer worden bepaald of de inhoudingsplichtige rekening moet houden met het belastingdeel van de heffingskortingen. Bepalend daarvoor is van welk land een werknemer inwoner is. Afhankelijk van het woonland van de werknemer kan worden vastgesteld welke loonbelastingtabel van toepassing is. Met ingang van 1 januari 2019 komen van alle loonbelastingtabellen drie versies, namelijk een voor inwoners van Nederland, een voor inwoners van andere EU-lidstaten, van een EER-land, Zwitserland of de BES-eilanden en een voor inwoners van derde landen. Inwoner van Nederland of niet?Waar iemand woont wordt bepaald aan de hand van de feiten en omstandigheden. Denk aan de door de werknemer opgegeven woonplaats, de reiskostenvergoeding en gegevens voor beoordeling van de verzekeringsplicht. Een werknemer, die hier zijn permanente woon- of verblijfplaats heeft, is inwoner van Nederland. Een werknemer, die zowel in Nederland als in het buitenland woont of verblijft, is alleen inwoner van Nederland als zijn sociale en economische leven zich hier afspeelt. Woont zijn gezin in het buitenland, gaan zijn kinderen daar naar school en houdt hij daar bankrekeningen aan, dan is hij waarschijnlijk geen inwoner van Nederland. De werknemer heeft in dat geval geen recht op het belastingdeel van de heffingskortingen. WoonplaatsverklaringBestaat er twijfel omtrent het woonland van de werknemer, dan kan de werknemer daar een einde aan maken met een woonplaatsverklaring. De werknemer kan de woonplaatsverklaring aanvragen bij een belastingkantoor in het land waarvan hij inwoner is. Een werknemer, die in Nederland woont, kan een woonplaatsverklaring aanvragen bij Belastingdienst/kantoor Arnhem. ... lees meer

13-12-2018
Verkoopkosten deelneming

Verkoopkosten deelneming

De deelnemingsvrijstelling in de vennootschapsbelasting moet voorkomen dat winsten van een dochtermaatschappij ook bij de moedermaatschappij worden belast. De wet bepaalt dat voordelen uit hoofde van een deelneming en de kosten van aan- en verkoop van die deelneming niet tot de winst behoren. Een kostenpost valt alleen onder de deelnemingsvrijstelling als er een verband bestaat tussen de kostenpost en de aan- of verkoop van een deelneming. Omdat er in de tekst van de wet of in de wetshistorie geen aanwijzingen zijn te vinden waaruit blijkt welk verband vereist is, gaat de Hoge Raad uit van een rechtstreeks oorzakelijk verband. Kosten hangen samen met de aan- of verkoop van een deelneming als deze kosten zonder de aan- of verkoop niet zouden zijn gemaakt. Volgens de Hoge Raad kan een dergelijk verband alleen bestaan als de aan- of verkoop van de deelneming is doorgegaan. Wanneer de verkoop van een deelneming aan een beoogde koper afketst, maar die deelneming vervolgens aan een andere partij wordt vervreemd, moet worden beoordeeld in hoeverre de verkoopkosten van de eerste fase ook zouden zijn gemaakt indien die fase niet had plaatsgevonden. Voor zover dat het geval is vallen de kosten onder het aftrekverbod van de deelnemingsvrijstelling. Goed koopmansgebruik verplicht de moedermaatschappij om de kosten van een voorgenomen aan- of verkoop van een deelneming als een transitorische actiefpost op de balans op te nemen totdat vaststaat of de aan- of verkoop doorgang vindt. Op dat moment wordt de actiefpost afgeboekt en moet worden bepaald in hoeverre de afboeking onder de deelnemingsvrijstelling valt. ... lees meer

13-12-2018
Plan invoeren vliegbelasting

Plan invoeren vliegbelasting

Het kabinet wil per 1 januari 2021 een belasting op vliegtickets invoeren. Bij voorkeur zou er een Europese belasting op luchtvaart moeten komen. Daarop vooruitlopend heeft de staatssecretaris van Financiën een voorstel voor een nationale vliegbelasting uitgewerkt, dat voor advies naar de Raad van State is gestuurd. Het voorstel gaat uit van een vast tarief per passagier en sluit daardoor aan bij de belastingen op luchtvaart van andere Europese landen. Het wetsvoorstel wordt naar verwachting in het voorjaar van 2019 naar de Tweede Kamer gestuurd. Naast dit plan wordt onderzocht of een Europese heffing op kerosine haalbaar is. ... lees meer

07-12-2018
Navordering wegens kwade trouw

Navordering wegens kwade trouw

Navordering van belasting is mogelijk wanneer de Belastingdienst beschikt over een nieuw feit of ter zake van een feit ten aanzien waarvan de belastingplichtige te kwader trouw is. Een belastingplichtige is te kwader trouw wanneer hij de inspecteur opzettelijk de juiste gegevens of inlichtingen heeft onthouden of opzettelijk onjuiste gegevens of inlichtingen heeft verstrekt. Dat doet zich voor als de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist dat de aanslag te laag zou worden vastgesteld wanneer deze aangifte zou worden gevolgd. Indien de belastingplichtige een eerder ingediende aangifte wijzigt of aanvult voordat de inspecteur de definitieve aanslag heeft vastgesteld, moet mede op basis van de gewijzigde of aangevulde aangifte worden beoordeeld of de belastingplichtige te kwader trouw is. Volgens de Hoge Raad is dat niet anders als de inspecteur de gewijzigde aangifte als een verzoek tot herziening van een voorlopige aanslag heeft behandeld. De Hoge Raad kwam tot deze uitspraak in een zaak van iemand die een tweede aangifte had ingediend nadat hij van zijn werkgever en zijn belastingadviseur had gehoord dat hij de opbrengst van een winstdelende lening moest aangeven in box 1 als voordeel uit lucratief belang. Door dit voordeel niet op te nemen in de tweede aangifte heeft de belanghebbende bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij aan de inspecteur niet de juiste gegevens heeft verstrekt. Volgens de Hoge Raad heeft Hof Den Haag eerder in de procedure de belanghebbende terecht als zijnde te kwader trouw aangemerkt, zodat de inspecteur het recht had om na te vorderen. ... lees meer

05-12-2018
Verkrijging aandelen onroerendgoed-bv

Verkrijging aandelen onroerendgoed-bv

Bij de verkrijging van in Nederland gelegen onroerende zaken moet overdrachtsbelasting worden betaald. Aandelen in een rechtspersoon, waarvan de bezittingen grotendeels bestaan uit onroerende zaken, worden aangemerkt als onroerende zaak. Dat geldt alleen als de activiteiten van de rechtspersoon bestaan uit het verkrijgen, vervreemden of exploiteren van onroerende zaken. De maatstaf van heffing bij de verkrijging van aandelen in een dergelijke rechtspersoon is niet de waarde van de aandelen, maar de waarde van de onroerende zaken die door die aandelen wordt vertegenwoordigd. De achtergrond van deze bijzondere regeling is voorkomen dat de heffing van overdrachtsbelasting wordt ontgaan door de inbreng van een onroerende zaak in een rechtspersoon, waarvan de aandelen worden overgedragen. Er geldt een vrijstelling van overdrachtsbelasting voor de verkrijging door een kind van een ondernemer van goederen die behoren tot de onderneming als het kind de bedrijfsvoering voortzet. Deze vrijstelling moet fiscale belemmeringen voor de overdracht van een onderneming van ouders aan hun kinderen wegnemen. Hof Arnhem-Leeuwarden is van oordeel dat de verkrijging van de aandelen in een onroerendgoed-bv door de zoon van de dga is vrijgesteld van overdrachtsbelasting. De bv dreef een materiële onderneming. Wanneer de vastgoedportefeuille van de bv als eenmanszaak zou zijn gedreven, was de overdracht van de onderneming vrijgesteld van overdrachtsbelasting. Volgens het hof is met de wetsfictie, die aandelen aanmerkt als een onroerende zaak, niet bedoeld om belasting te heffen in een geval waarin verkrijging van de onroerende zaak zelf zou zijn vrijgesteld. Hof Amsterdam kwam in een vergelijkbare procedure tot hetzelfde oordeel. De Hoge Raad heeft de beroepen in cassatie van de staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraken van beide hoven ongegrond verklaard. ... lees meer

29-11-2018
Vernieuwing rulingpraktijk

Vernieuwing rulingpraktijk

De staatssecretaris van Financiën heeft in een brief aan de Tweede Kamer de vernieuwde rulingpraktijk uiteengezet. De vernieuwing omvat de volgende maatregelen. De Belastingdienst publiceert van elke afgegeven internationale ruling een geanonimiseerde samenvatting. De Belastingdienst publiceert in een jaarverslag alle rulings met een internationaal karakter. Alle rulings met een internationaal karakter worden periodiek onderzocht door onafhankelijke experts. In het jaarverslag zal worden ingegaan op belangrijke vragen die dat jaar in de uitvoering zijn beantwoord zodat deze breed bekend worden gemaakt. De afgifte van rulings met een internationaal karakter wordt binnen de Belastingdienst centraal gecoördineerd. Er komt een apart College Internationale Fiscale Zekerheid dat de vereiste tweede handtekening zet onder af te geven rulings. Er komt een strengere norm waaraan belastingplichtigen moeten voldoen om een ruling met internationaal karakter te krijgen. De huidige substance-eisen worden vervangen door het vereiste van reële bedrijfseconomische operationele activiteiten in Nederland. De Belastingdienst gaat meer letten op het doel van de structuur waarvoor een ruling wordt gevraagd. Er wordt geen ruling afgegeven als het doorslaggevende motief belastingbesparing is. Rulings met een internationaal karakter worden afgegeven voor maximaal vijf jaar. Alleen in uitzonderlijke gevallen kan de looptijd worden verlengd tot maximaal tien jaar. Er komt een vaste vormgeving voor alle rulings met een internationaal karakter. De Belastingdienst geeft in de toekomst geen rulings af over transacties met entiteiten in landen die op de EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden staan of die kwalificeren als laagbelastend land. De staatssecretaris wil deze wijzigingen per 1 juli 2019 doorvoeren en in laten gaan. ... lees meer

29-11-2018
Premiepercentage Zvw 2019

Premiepercentage Zvw 2019

De zorgverzekeringswet (Zvw) kent een hoge en een lage inkomensafhankelijke bijdrage. De hoge premie voor de zorgverzekeringswet bedraagt in 2019 6,95%. In 2018 bedraagt deze premie 6,9%. De hoge premie wordt geheven van werkgevers over het loon van werknemers. De lage premie stijgt van 5,65% in 2018 naar 5,7% in 2019. De lage premie geldt voor onder meer zelfstandige ondernemers, dga’s en AOW’ers. De premie wordt geheven over het bijdrageloon c.q. bijdrage-inkomen. Dat kent in 2019 een maximum van € 55.927. Dit bedrag is gelijk aan het maximumpremieloon voor de werknemersverzekeringen. ... lees meer

29-11-2018
Klok van uurwerkhersteller is reclame-uiting

Klok van uurwerkhersteller is reclame-uiting

De Gemeentewet staat toe dat gemeenten reclamebelasting heffen. Dat is een belasting ter zake van openbare aankondigingen die zichtbaar zijn vanaf de openbare weg. Een openbare aankondiging is een tot het publiek gerichte mededeling, die erop is gericht de belangstelling van het publiek te trekken voor hetgeen wordt aangekondigd. Het begrip openbare aankondiging omvat elke tot het publiek gerichte mededeling van commerciële of ideële aard waarmee de aandacht wordt getrokken voor een dienst, een product of een boodschap. Een klok, die is bevestigd aan de gevel van de werkplaats van een uurwerkhersteller, is een dergelijke tot het publiek gerichte mededeling. De klok moet de aandacht vestigen op de dienstverlening van de uurwerkhersteller. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de gemeente terecht reclamebelasting geheven. De vorm van de klok paste bij de bouwstijl van de werkplaats en was in dezelfde kleur geschilderd als de kozijnen en de deur van de werkplaats. De rechtbank vond met name de duidelijk kenbare visuele samenhang tussen de klok en de werkplaats van belang. ... lees meer

29-11-2018
Schade werknemer gevolg van arbeidsongeval

Schade werknemer gevolg van arbeidsongeval

De werkgever is in beginsel aansprakelijk voor schade die de werknemer tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden oploopt. Dat geldt ook voor de schade die het gevolg is van een ongeval. De werknemer die vergoeding van de door hem geleden schade vordert, zal moeten stellen en zo nodig bewijzen dat hij schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden. De werknemer hoeft echter niet aan te tonen wat de toedracht of de oorzaak is geweest van het ongeval. Wel moet hij de omvang van de geleden schade stellen en bewijzen. De werkgever is niet aansprakelijk voor de schade van de werknemer als hij kan aantonen dat hij zijn zorgverplichting is nagekomen. Hof Den Haag oordeelde in een voorkomend geval dat voldoende aannemelijk was geworden dat een werknemer tijdens zijn werk een ongeval was overkomen waardoor hij schade had geleden. Niemand had het ongeval horen of zien gebeuren. De werknemer had geen zichtbaar letsel en is na een bezoek aan het ziekenhuis de volgende dag weer komen werken. De leidinggevende van de werknemer bevestigde dat de werknemer hem had gemeld dat hij tijdens sloopwerkzaamheden zijn pols had bezeerd omdat er iets op was gevallen. De leidinggevende bevestigde eveneens dat de werknemer naar de spoedeisende hulp van het ziekenhuis was gegaan. Dat bleek ook uit een rapportage van het ziekenhuis.De werkgever had volgens het hof niet aan zijn zorgplicht voldaan door geen specifieke werkinstructie te geven voor de te verrichten sloopwerkzaamheden. Het hof wees erop dat een werkgever rekening moet houden met het ervaringsfeit van mogelijke onoplettendheid van een werknemer bij de uitoefening van zijn werkzaamheden. Aan het voorschrift van het Arbobesluit dat plaatsen waar door de aard van het werk gevaar is voor vallende voorwerpen gemarkeerd moeten worden was niet voldaan. Ook aan het voorschrift dat het gevaar om te worden geraakt door voorwerpen moet worden voorkomen was niet voldaan. ... lees meer

29-11-2018
Ontslag op staande voet

Ontslag op staande voet

Ontslag op staande voet is een ingrijpende maatregel met verstrekkende gevolgen voor de werknemer. Daarom vereist de wet dat er een dringende reden is waarom de arbeidsovereenkomst niet langer kan voortduren. Zelfs een slapend dienstverband kan door ontslag op staande voet worden beëindigd. Een slapend dienstverband doet zich voor wanneer een werknemer na twee jaar arbeidsongeschiktheid een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt. De dienstbetrekking wordt niet automatisch verbroken na twee jaar arbeidsongeschiktheid. Een werkneemster van een supermarkt was penningmeester van de personeelsvereniging. Die rol vervulde zij ook nog tijdens haar arbeidsongeschiktheid. Als penningmeester had de werkneemster toegang tot de bankrekening van de personeelsvereniging en de beschikking over de pinpas van de bankrekening. Nadat een nieuw bestuur was benoemd bleek dat er vrijwel geen geld op de rekening van de personeelsvereniging stond door een groot aantal niet verantwoorde opnamen en betalingen. De werkneemster werd wegens verduistering op staande voet ontslagen omdat zij geen sluitende verklaring kon geven voor deze betalingen. Tijdens een strafrechtelijk onderzoek werd verduistering aangetoond. De kantonrechter liet het ontslag in stand omdat de door de werkgever als dringende reden aangevoerde verduistering vaststond. In hoger beroep heeft Hof Den Bosch de beschikking van de kantonrechter bekrachtigd. Het verweer van de werkneemster dat verduistering in haar rol van penningmeester bij de personeelsvereniging haar rol van werkneemster niet raakt, gaat volgens het hof niet op. Alleen personeelsleden van de werkgever kunnen lid worden van de personeelsvereniging. De vereniging wordt gefinancierd uit het loon van het personeel. Het lidmaatschap van de vereniging eindigt van rechtswege bij einde van het dienstverband. De werkneemster heeft de taak van penningmeester alleen kunnen vervullen door haar dienstverband bij de supermarkt. Door de verduistering is het vertrouwen om het geld van het personeel te beheren beschaamd en daarmee ook het vertrouwen van de werkgever in de werkneemster. ... lees meer

29-11-2018
Niet voldaan aan administratieve verplichtingen

Niet voldaan aan administratieve verplichtingen

Ondernemers zijn administratieplichtig. Dat houdt in dat zij een zodanige administratie van hun vermogenstoestand en van hun bedrijf moeten bijhouden dat daaruit op ieder moment hun rechten en verplichtingen en de voor de heffing van belasting van belang zijnde gegevens kunnen worden afgeleid. De administratie moet zeven jaar worden bewaard. Tot de administratie behoren ook de onderliggende stukken. De administratieve gegevens kunnen op een andere dan de originele gegevensdrager worden opgeslagen, mits de volledige gegevens beschikbaar blijven gedurende de bewaarperiode en zij binnen redelijke tijd leesbaar kunnen worden gemaakt. De aard, omvang en complexiteit van een bedrijf zijn medebepalend voor de eisen die aan een administratie worden gesteld. De inspecteur kan bij voor bezwaar vatbare beschikking vaststellen dat een ondernemer niet aan zijn administratieve verplichtingen heeft voldaan. Tijdens een boekenonderzoek bij een horecaondernemer constateerde de Belastingdienst dat de administratie gebreken vertoonde. De Belastingdienst stelde de tekortkomingen vast in een informatiebeschikking. De rechtbank was van oordeel dat de beschikking terecht is gegeven. De ondernemer had niet aan zijn administratieve verplichtingen voldaan. Hoewel een groot deel van zijn omzet contant werd ontvangen was de kasadministratie niet controleerbaar. De detailgegevens van de kassa, pinafslagen, kladbriefjes en dergelijke had de ondernemer niet bewaard. Dergelijke primaire bescheiden vormen een wezenlijk deel van de administratie van een onderneming. Door deze niet te bewaren kon niet gecontroleerd worden of de gegevens juist en volledig waren overgenomen in het kasboek. De vereiste aansluiting tussen omzet in geld en goederen kon niet worden gemaakt. De Belastingdienst kon de juistheid en volledigheid van de omzet niet controleren. ... lees meer

28-11-2018
Vrachtwagenheffing

Vrachtwagenheffing

Het kabinet heeft ingestemd met de uitgangspunten voor een in te voeren vrachtwagenheffing. De heffing gaat gelden voor binnen- en buitenlands vrachtverkeer dat gebruik van de snelweg maakt. De opbrengst van de vrachtwagenheffing zal in overleg met de vervoerssector worden gebruikt voor verlaging van de motorrijtuigenbelasting op vrachtauto’s en voor innovatie en verduurzaming van het vrachtvervoer. Landbouw- en bosbouwtrekkers, mobiele kranen en motorrijtuigen met beperkte snelheid en bussen worden uitgezonderd van de heffing. In overleg met regionale wegbeheerders zal per provincie bekeken worden of voor regionale en lokale wegen ook een heffing zal gelden. De heffing gaat niet gelden voor wegen waarop nu al tol wordt geheven of waarop tol is voorzien. De hoogte van het tarief moet nog worden vastgesteld. De feitelijke invoering van de heffing zal niet eerder dan in 2023 plaatsvinden. ... lees meer

22-11-2018
Tabelcorrectiefactor en arbeidskorting 2019

Tabelcorrectiefactor en arbeidskorting 2019

De staatssecretaris van Financiën heeft in een brief aan de Tweede Kamer de hoogte van de tabelcorrectiefactor en de arbeidskorting voor 2019 meegedeeld. TabelcorrectiefactorDe tabelcorrectiefactor, dat is de indexatiefactor voor diverse bedragen in de belastingwet- en regelgeving, bedraagt voor 2019 1,012. AbeidskortingDe arbeidskorting wordt jaarlijks aangepast aan de hand van de tabelcorrectiefactor en aan de ontwikkeling van het wettelijk minimumloon per 1 januari van het lopende jaar ten opzichte van 1 januari van het volgende jaar. Dat heeft tot gevolg dat de arbeidskorting er in 2019 als volgt uitziet. Tot een inkomen van € 9.694 per jaar bedraagt de arbeidskorting 1,754% van het arbeidsinkomen, met een maximum van € 170. Bij een arbeidsinkomen vanaf € 9.694 per jaar bedraagt de arbeidskorting € 170 plus 28,712% van het arbeidsinkomen boven € 9.694. De arbeidskorting kent een maximum van € 3.399. Dit maximum wordt bereikt bij een arbeidsinkomen van € 20.940. Boven een inkomen van € 34.060 per jaar wordt de berekende arbeidskorting verminderd met 6,0% van het meerdere inkomen. De arbeidskorting bedraagt nihil bij een arbeidsinkomen vanaf € 90.710. ... lees meer

22-11-2018
Premiepercentages en maximumpremieloon 2019

Premiepercentages en maximumpremieloon 2019

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft de premiepercentages en het maximumpremieloon voor 2019 vastgesteld. De premieheffing voor de AOW bedraagt 17,9%; de premie voor de Anw 0,1%. Deze percentages veranderen niet ten opzichte van 2018. Het maximumpremieloon bedraagt in 2019 € 55.927. De premie voor het Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf) is vastgesteld op 3,6%. De premie voor het Uitvoeringsfonds voor de overheid (Ufo) bedraagt 0,78%. De basispremie voor het Arbeidsongeschiktheidsfonds (Aof) is vastgesteld op 6,46%, terwijl de opslag op de basispremie Aof voor de kinderopvangtoeslag 0,5% bedraagt. In tegenstelling tot voorgaande jaren heeft de minister de premieloongrenzen voor tijdvakken korter dan het premiejaar en voor werknemers met recht op vakantiebonnen, vakantietoeslagbonnen of daarmee overeenkomende aanspraken niet vastgesteld. Deze bedragen worden door herleiding bepaald en zullen door de Belastingdienst worden bekendgemaakt. Ook wordt in deze regeling geen percentage vastgesteld voor de vervangende sectorpremie. Met ingang van het premiejaar 2019 wordt door het UWV een gemiddeld premiepercentage vastgesteld voor de premie die ten gunste komt van de sectorfondsen. Dit gemiddelde premiepercentage komt in de plaats van de vervangende sectorpremie en wordt als vervangende premie geheven over uitkeringen uit sociale verzekeringen. ... lees meer

22-11-2018
Hoogte eigenwoningforfait 2019 bekend

Hoogte eigenwoningforfait 2019 bekend

De staatssecretaris van Financiën heeft in een brief aan de Tweede Kamer de hoogte van het eigenwoningforfait voor 2019 meegedeeld. Het eigenwoningforfait zal in 2019 0,65% van de eigenwoningwaarde bedragen. De eigenwoningwaarde is de WOZ-waarde van het voorgaande jaar. In 2018 is het eigenwoningforfait 0,70%. De aanpassing is een gevolg van de stijging van het indexcijfer van de woninghuren en de stijging van de woningwaarden. Het eigenwoningforfait wordt na indexering naar beneden afgerond op een veelvoud van 0,05%. ... lees meer

22-11-2018
Wetsvoorstel Arbeidsmarkt in balans

Wetsvoorstel Arbeidsmarkt in balans

Bij de Tweede Kamer is het wetsvoorstel Arbeidsmarkt in balans ingediend. De doelstelling van het wetsvoorstel is verbetering van de balans tussen vaste en flexibele arbeidsovereenkomsten. Het kabinet wil dat bereiken door aanpassing van het ontslagrecht, van de ketenbepaling, van de transitievergoeding en van de premieheffing. Het is de bedoeling dat de wijzigingen op 1 januari 2020 in werking treden. De wet zal vijf jaar na de inwerkingtreding worden geëvalueerd. KetenbepalingDoel van de ketenbepaling is werknemers na verloop van tijd zekerheid te bieden in de vorm van een vast contract. De ketenbepaling regelt wanneer elkaar opvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd van rechtswege overgaan in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Op dit moment is dat het geval bij meer dan drie contracten of als opvolgende contracten een periode van meer dan twee jaar beslaan. De maximumtermijn wordt verlengd van twee naar drie jaar. OntslagrechtSinds de wijziging van het ontslagrecht in 2015 is wettelijk bepaald wat redelijke gronden voor ontslag zijn en welke ontslagroute bij welke ontslaggrond gevolgd moet worden. Nu wordt daar een cumulatiegrond van ontslagredenen aan toegevoegd voor gevallen waarin meerdere ontslaggronden ieder voor zich onvoldoende zijn om een ontslag te rechtvaardigen. De cumulatiegrond geldt niet voor verzoeken om ontbinding van de arbeidsovereenkomst die voor de inwerkingtreding van deze wet zijn gedaan. ProeftijdDe maximaal toegestane proeftijd voor contracten voor onbepaalde tijd wordt verlengd van twee naar vijf maanden. Voor arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd van twee jaar of langer wordt de maximale proeftijd verlengd tot drie maanden. Deze verlengde proeftijden gelden alleen bij de eerste arbeidsovereenkomst tussen partijen. Bij een opvolgende arbeidsovereenkomst kan alleen een proeftijd worden overeengekomen als er andere vaardigheden of verantwoordelijkheden van de werknemer verlangd worden dan in de voorgaande arbeidsovereenkomst. De huidige regeling van de proeftijd blijft van toepassing op arbeidsovereenkomsten die voor de inwerkingtreding van deze wet tot stand zijn gekomen. OproepovereenkomstenDe werkgever moet straks de werknemer minstens vier dagen van tevoren oproepen voor werk. Doet hij dat later, dan hoeft de werknemer geen gehoor te geven aan de oproep. Trekt de werkgever de oproep binnen vier dagen voor aanvang van de werkzaamheden in of verandert hij de tijdstippen van de oproep, dan heeft de werknemer recht op loon over de periode waarvoor hij opgeroepen is. Bij cao kan een kortere termijn worden afgesproken, mits deze niet korter is dan 24 uur. De werkgever moet werknemers met een oproepcontract na een jaar een aanbod doen voor een vaste arbeidsomvang op basis van de gemiddelde arbeidsduur in de voorgaande twaalf maanden. De vaste arbeidsomvang hoeft niet gebaseerd te zijn op een aantal uren per week, maar mag een aantal uren per maand of per jaar omvatten. TransitievergoedingVoorgesteld wordt dat een werknemer vanaf het begin van zijn arbeidsovereenkomst bij ontslag recht op een transitievergoeding heeft. De huidige hogere opbouw van de transitievergoeding na tien jaar komt te vervallen. De transitievergoeding wordt berekend aan de hand van de feitelijke duur van de arbeidsovereenkomst. Per jaar dat de arbeidsovereenkomst heeft geduurd bedraagt de transitievergoeding een derde bruto maandsalaris. Voor de overige delen van het dienstverband wordt vergoeding naar rato berekend.Er komt een compensatieregeling voor transitievergoedingen bij ontslag om bedrijfseconomische redenen, na langdurige ziekte of vanwege bedrijfsbeëindiging als gevolg van ziekte of pensionering van een kleine werkgever. De criteria voor de tijdelijke overbruggingsregeling transitievergoeding worden verruimd. Op grond van de overbruggingsregeling telt diensttijd voor de maand mei 2013 niet mee bij de berekening van de transitievergoeding. Deze regeling loopt tot 1 januari 2020. PayrollingPayrollwerknemers krijgen recht op dezelfde arbeidsvoorwaarden die zouden gelden wanneer zij rechtstreeks in dienst zouden zijn bij de opdrachtgever. Dat geldt ook voor de secundaire arbeidsvoorwaarden, met uitzondering van pensioen. In plaats daarvan krijgen payrollwerknemers het recht op een adequate pensioenregeling. De verplichting voor de werkgever om een adequate pensioenregeling te treffen geldt niet als de opdrachtgever geen pensioenregeling heeft. WW-premiedifferentiatieHet kabinet wil het aangaan van vaste arbeidscontracten stimuleren door een lagere WW-premie en door een hogere premie te verbinden aan tijdelijke contracten. Het huidige systeem met sectorfondsen en per sectorfonds verschillende premies vervalt. De lage premie is van toepassing zolang niet meer dan 30% meeruren worden verloond boven de overeengekomen vaste arbeidsomvang. Bij overschrijding is met terugwerkende kracht de hoge premie van toepassing, tenzij sprake is van een voltijdscontract. De lage premie geldt ook voor contracten in de beroepsbegeleidende leerweg. Het is de bedoeling dat de aard van het contract op de loonstrook wordt vermeld. ... lees meer

16-11-2018
Tweede Kamer neemt Belastingplan 2019 aan

Tweede Kamer neemt Belastingplan 2019 aan

De Tweede Kamer heeft de wetsvoorstellen, die gezamenlijk het Belastingplan 2019 vormen, aangenomen. Het gaat om de wetsvoorstellen Belastingplan 2019, Overige Fiscale Maatregelen 2019, Fiscale Vergroeningsmaatregelen 2019, Bedrijfsleven 2019, Implementatie EU-richtlijn ATAD1, Modernisering Kleineondernemersregeling in de omzetbelasting, Implementatie artikel 1 Richtlijn Elektronische Handel in de omzetbelasting en de aanpassing van de kansspelbelasting voor sportweddenschappen. Via amendementen zijn enkele wijzigingen aangebracht in de oorspronkelijke wetsvoorstellen Belastingplan 2019, Fiscale Vergroeningsmaatregelen 2019 en Implementatie EU-richtlijn ATAD1. Zo is een wijziging aangebracht in de Gemeentewet die gemeenten de mogelijkheid geeft om voor sportaccommodaties, dorpshuizen en andere sociaal belang behartigende instellingen het tarief voor woningen te hanteren in de onroerendezaakbelasting in plaats van het tarief voor niet-woningen. Het tarief voor woningen is meestal lager dan het tarief voor niet-woningen. In de afvalstoffenbelasting is een wijziging aangebracht in de vorm van een vrijstelling voor de afgifte van afzonderlijk aangeboden asbest en asbesthoudende producten afkomstig van asbestdaken. Tegelijk wordt het tarief van de afvalstoffenbelasting verhoogd met 73 cent van € 31,39 naar € 32,12 per 1.000 kilogram afvalstoffen. Voor de controlled foreign company-maatregel ter beperking van de deelnemingsvrijstelling in de vennootschapsbelasting is sprake van een gecontroleerd lichaam als dat lichaam is gevestigd in een laagbelastende staat. Van een laagbelastende staat is onder andere sprake bij een winstbelasting van minimaal 9%. Dat tarief is bij amendement gewijzigd; het wetsvoorstel ging uit van een tarief van 7%. ... lees meer

15-11-2018
Btw-heffing kortingsbonnen

Btw-heffing kortingsbonnen

Per 1 januari 2019 verandert de wet- en regelgeving voor de heffing van omzetbelasting ten aanzien van vouchers. Dat is het gevolg van een aanpassing van de Europese btw-richtlijn 2006. In verband hiermee wordt het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 (UBOB 1968) aangepast. In het UBOB 1968 is een regeling opgenomen voor de btw-behandeling van zegels en waardebonnen. Het gaat om gevallen waarin de ondernemer bij de levering van goederen aan zijn afnemers gratis waardebonnen verstrekt, die bij hem of bij een andere ondernemer kunnen worden ingewisseld tegen goederen, al dan niet met bijbetaling. Waardebonnen die kunnen worden ingewisseld tegen goederen of diensten zonder bijbetaling vallen onder de per 1 januari 2019 geldende wettelijke regeling voor vouchers. Waardebonnen die kunnen worden ingewisseld tegen goederen of diensten met bijbetaling zijn kortingsbonnen. Voor kortingsbonnen wordt een regeling opgenomen in het UBOB 1968. De nieuwe regeling gaat ook gelden voor waardebonnen die niet gratis worden verstrekt. Er zijn waardebonnen die naar keuze kunnen worden gebruikt als voucher voor bepaalde goederen of diensten of als kortingsbon voor andere goederen of diensten. Deze waardebonnen vallen onder de toepassing van het UBOB 1968 voor zover zij worden gebruikt als kortingsbon. De regels voor kortingsbonnen in het UBOB 1968 sluiten aan op de in de Wet OB 1968 opgenomen heffingsregels voor vouchers. De nieuwe regeling voor kortingsbonnen is als volgt. De ondernemer, die bij de levering van goederen of diensten kortingsbonnen verstrekt, wordt btw verschuldigd over de vergoeding, ook als een deel van de vergoeding betrekking heeft op de kortingsbonnen. De verstrekking van de kortingsbonnen heeft pas gevolg voor de btw-heffing bij de inwisseling ervan. Over de bijbetaling bij de inwisseling van de kortingsbonnen moet btw worden berekend vermeerderd met het bedrag dat voor de bonnen is betaald. ... lees meer

15-11-2018
Vrijstelling assurantiebelasting voor brede weersverzekering

Vrijstelling assurantiebelasting voor brede weersverzekering

Het kabinet wil de brede weersverzekering voor landbouwers aantrekkelijker maken door deze vrij te stellen van assurantiebelasting. Dat heeft de staatssecretaris van Financiën gezegd in reactie op een motie van de Tweede Kamer waarin om die vrijstelling is gevraagd. De staatssecretaris tekent daarbij aan dat niet zeker is of een vrijstelling van assurantiebelasting EU-rechtelijk houdbaar is, omdat er al een tegemoetkoming voor de premie van de brede weersverzekering bestaat. De Europese Commissie zal worden verzocht om goedkeuring te verlenen aan de invoering van de vrijstelling in de assurantiebelasting voor de brede weersverzekering. Het is de bedoeling dat een voorstel tot invoering van de vrijstelling wordt opgenomen in het Belastingplan 2020. ... lees meer

15-11-2018
Optimaliseer uw giftenaftrek

Optimaliseer uw giftenaftrek

De giften, die u doet aan het algemeen nut beogende instellingen en aan steunstichtingen SBBI, zijn aftrekbaar voor de inkomstenbelasting. Het totaal van de giften moet de aftrekdrempel van 1% van het verzamelinkomen van u en uw fiscale partner samen overschrijden. De drempel bedraagt minimaal € 60. De totale aftrek bedraagt maximaal 10% van het gezamenlijke verzamelinkomen. Omdat de aftrekdrempel beperkend werkt kan het raadzaam zijn uw geplande giften voor twee jaar te bundelen en in één jaar te doen. Als u van plan bent gedurende een reeks van jaren grotere giften te doen aan dezelfde instelling, is het voordeliger om dit te doen in de vorm van een periodieke uitkering. De aftrekdrempel geldt namelijk niet voor periodieke giften met een looptijd van ten minste vijf jaar. Wel moet er een schenkingsakte zijn opgemaakt. Giften aan culturele instellingenDoet u aftrekbare giften aan culturele instellingen, dan geldt een vermenigvuldigingsfactor. Daardoor valt de aftrekpost groter uit. De aftrekpost is gelijk aan de gift, vermenigvuldigd met 1,25. ... lees meer

15-11-2018
Denk aan de gebruikelijkloonregeling

Denk aan de gebruikelijkloonregeling

De dga en zijn partner zijn wettelijk verplicht om voor hun werkzaamheden voor de bv ten minste een gebruikelijk loon te ontvangen. Dat houdt in dat zij het hoogste van de volgende bedragen aan salaris moeten ontvangen: 75% van het salaris uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking; het hoogste salaris van de overige werknemers van de bv; € 45.000. De bv mag aannemelijk maken dat het salaris lager moet zijn. Er mag rekening worden gehouden met een afwijking ten opzichte van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking van 25%, zolang het loon daardoor niet lager wordt dan € 45.000. De regeling geldt voor iedere bv waarin u of uw partner een aanmerkelijk belang heeft en waarvoor u werkzaamheden verricht. De regeling hoeft echter niet te worden toegepast als de werkzaamheden zo beperkt zijn dat een gebruikelijke beloning niet hoger zou zijn dan € 5.000 bruto per jaar. ... lees meer

15-11-2018
Leen geld uit aan uw kinderen voor hun eigen woning

Leen geld uit aan uw kinderen voor hun eigen woning

Wanneer u (een deel van) de benodigde financiering voor de eigen woning aan uw kinderen verzorgt, kan dat voor beide partijen gunstig zijn. U ontvangt een hogere rente dan op een spaarrekening haalbaar is en uw kinderen betalen wellicht minder rente dan zij aan de bank zouden moeten betalen. De rente voor een lening voor de eigen woning is aftrekbaar als de lening in maximaal 30 jaar volledig wordt afgelost. Dat geldt ook voor leningen van andere geldverstrekkers dan banken, zoals een lening van de ouders. Een te hoge of te lage rente kan als een schenking voor de schenkbelasting worden aangemerkt. De lening kan gecombineerd worden met een (jaarlijkse) schenking aan de kinderen, bijvoorbeeld door gebruik te maken van de jaarlijkse vrijstelling van € 5.363. De kinderen kunnen de schenking gebruiken om de rente of de aflossing te betalen. ... lees meer

15-11-2018
Vergeet niet om WBSO aan te vragen

Vergeet niet om WBSO aan te vragen

Voor speur- & ontwikkelingswerk (S&O) dat wordt uitgevoerd door uw personeel heeft u recht op een afdrachtvermindering van de loonheffingen. De WBSO bedraagt in 2019 32% van het loon tot een loonbedrag van € 350.000 en 14% over het meerdere loon. Gaat u in 2019 S&O verrichten, vraag dan tijdig een S&O-verklaring aan bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Uw aanvraag moet één kalendermaand voor de start van de werkzaamheden zijn ingediend. Per kalenderjaar mogen drie aanvragen worden ingediend. ... lees meer

15-11-2018
Controleer uw hypotheek(rente)

Controleer uw hypotheek(rente)

Gezien de lage rente, die u krijgt op uw spaartegoed, kan het aantrekkelijk zijn om (extra) af te lossen op uw hypotheekschulden. Hoewel de hypotheekrente nog steeds heel laag is, ligt deze toch hoger dan de spaarrente. Boetevrije aflossing is vaak mogelijk tot 10 of zelfs 20% van de oorspronkelijke hoofdsom. Aflossing met spaargeld verlaagt bovendien het vermogen in box 3, waardoor u mogelijk minder belasting betaalt. Heeft u de rente in het verleden voor langere tijd vastgezet op een hoger niveau dan de huidige rente? Informeer bij uw bank naar de mogelijkheid van rentemiddeling of vraag eens wat het u kost aan boeterente om het contract open te breken en de rente op een lager niveau vast te zetten. Omdat er altijd een deel extra mag worden afgelost, kan dit voordelig zijn. De boeterente die u bij vervroegde aflossing moet betalen is aftrekbaar. Oriënteer u eens bij andere geldverstrekkers dan uw huisbankier. Ondanks de kosten van een nieuwe hypotheek kan het voordeliger zijn om over te stappen. Denk eens aan uw eigen bv als geldverstrekker voor uw hypotheek. Betaal hypotheekrente vooruitVerwacht u in 2019 een veel lager inkomen in box 1 dan in 2018? Dan kan het aantrekkelijk zijn om de hypotheekrente van het eerste halfjaar van 2019 vooruit te betalen en in 2018 tegen een hoger belastingtarief in aftrek te brengen. ... lees meer

15-11-2018
Beperk de belastingheffing in box 3

Beperk de belastingheffing in box 3

Het vermogen van een natuurlijke persoon, dat niet in box 1 of in box 2 valt, valt in box 3. In box 1 valt het ondernemingsvermogen en de eigen woning, in box 2 vallen aandelen die een aanmerkelijk belang vormen. Schulden komen in mindering op het vermogen in box 3. Dat geldt echter niet voor belastingschulden. Alleen erfbelastingschulden kunnen als schuld in box 3 worden opgevoerd. U kunt de belastingheffing in box 3 beperken door uw belastingschulden voor de jaarwisseling te betalen. Als u verwacht dat u belasting moet (bij)betalen, is het raadzaam om de Belastingdienst te vragen om een voorlopige aanslag of om een aangifte in te dienen en de aanslag voor de peildatum te betalen. Heeft u het verzoek uiterlijk acht weken voor het einde van het jaar gedaan, maar heeft de Belastingdienst nog niet of te laat gereageerd op het verzoek, dan mag u het nog niet betaalde bedrag wel als schuld in box 3 aanmerken. Maak gebruik van de vrijstellingenEr bestaan diverse vrijstellingen in box 3, bijvoorbeeld voor voorwerpen van kunst en wetenschap en voor groene beleggingen. Het kan aantrekkelijk zijn om belast vermogen (tijdelijk) om te zetten in vrijgesteld vermogen. Belegt u groen, dan bespaart u niet alleen belasting in box 3, maar profiteert u ook van een extra heffingskorting in box 1 van 0,7% van de waarde van de vrijgestelde beleggingen. Voor groene beleggingen geldt een vrijstelling van maximaal € 57.845 (€ 115.690 voor fiscale partners). ... lees meer

15-11-2018
Vermogensoverheveling naar de (klein)kinderen

Vermogensoverheveling naar de (klein)kinderen

Na uw overlijden gaat uw vermogen naar uw erfgenamen. Uw erfgenamen moeten over hun aandeel in de nalatenschap erfbelasting betalen. Heeft u geen testament, dan geldt het wettelijk erfrecht. Dat komt er in veel gevallen op neer dat de echtgenoot en de kinderen voor gelijke delen erven, waarbij het vruchtgebruik van de kindsdelen naar de echtgenoot gaat. De kinderen krijgen een vordering op de echtgenoot. Voor de echtgenoot geldt een hoge vrijstelling. De vrijstelling voor de kinderen is echter beperkt. Testament?De wettelijke regeling kan goed uitpakken, maar een goed testament kan helpen om bij overlijden belasting te besparen. Soms wordt gekozen voor het verschuiven van erfbelasting in plaats van besparen van erfbelasting. Een mogelijke reden hiervoor is dat het geld vastzit, bijvoorbeeld in een huis of in beleggingen. Het kan fiscaal gunstig zijn om ook de kleinkinderen te laten erven, bijvoorbeeld door voor hun legaten op te nemen in het testament. Een kleinkind kan van zijn grootouders een bedrag van € 20.371 belastingvrij erven. Wanneer u een testament heeft, is het goed om te laten controleren of uw testament nog actueel is en passend bij uw huidige situatie en bij uw wensen. Heeft u geen testament, overweeg dan om een testament op te laten stellen. Gebruik de schenkingsvrijstellingenDoor tijdens uw leven (een deel van) uw vermogen over te dragen aan uw kinderen kan de heffing van erfbelasting worden beperkt. Door schenkingen te spreiden in de tijd kunt u optimaal gebruik maken van de bestaande vrijstellingen. Schenkingen aan uw kinderen zijn vrij van schenkbelasting tot € 5.363 per kind. Voor kinderen tussen 18 en 40 jaar geldt eenmalig een verhoogde vrijstelling van € 25.731. De verhoogde vrijstelling kan verder worden verhoogd tot € 53.602 als de schenking betrekking heeft op een dure studie van het kind. Heeft uw kind voor 1 januari 2010 gebruik gemaakt van de verhoogde vrijstelling, dan is een aanvullende schenking voor studie of woning vrijgesteld tot maximaal € 27.871. Schenkingen aan kleinkinderen of aan anderen zijn vrijgesteld tot een bedrag van € 2.147. Vrijstelling schenking eigen woningDoet u een schenking die verband houdt met de financiering van een eigen woning van de verkrijger, dan geldt een zeer ruime vrijstelling van € 100.800. Voor het benutten van deze vrijstelling hoeft er geen familierelatie tussen schenker en verkrijger te zijn. De verkrijger moet tussen 18 en 40 jaar oud zijn. Het bedrag van € 100.800 wordt verminderd met eerder toegepaste verhoogde vrijstellingen, voor zover het gaat om schenkingen van ouders aan kinderen voor de eigen woning of de studie. In bepaalde situaties is het mogelijk om een eerdere vrijgestelde schenking voor de eigen woning aan kinderen belastingvrij aan te vullen. ... lees meer

15-11-2018
Wat doet u met de pensioenvoorziening in de bv?

Wat doet u met de pensioenvoorziening in de bv?

De mogelijkheid om binnen de eigen bv een pensioenvoorziening op te bouwen is in 2017 afgeschaft. Tot en met 2019 heeft u de mogelijkheid om de bestaande pensioenvoorziening in eigen beheer fiscaal vriendelijk af te kopen. Dat gebeurt door eerst de pensioenaanspraak op de balans van de bv belastingvrij te verlagen van de commerciële naar de fiscale waarde. Vervolgens moet loonbelasting worden berekend over de fiscale waarde minus een korting. Deze korting bedraagt 25% in 2018 en 19,5% in 2019. Overweegt u afkoop van de voorziening, dan verdient het de voorkeur om dat nog in 2018 te doen vanwege de hogere korting. De korting wordt berekend over de fiscale balanswaarde van de pensioenverplichting op 31 december 2015. Ook als de pensioenaanspraak is omgezet in een oudedagsverplichting heeft u tot en met 2019 de mogelijkheid om deze af te kopen. De kortingsregeling geldt ook bij afkoop van een oudedagsverplichting. Bij afkoop van de pensioenvoorziening in eigen beheer of van de oudedagsverplichting hoeft geen revisierente betaald te worden. ... lees meer

15-11-2018
Optimaliseer de investeringsaftrek

Optimaliseer de investeringsaftrek

De kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) is een aftrekpost, die is bedoeld om de investeringen in bedrijfsmiddelen te stimuleren. De KIA bedraagt voor investeringen boven € 2.300 tot een bedrag van € 56.642 28% van het investeringsbedrag. Het maximum van de KIA is € 15.863. Het bedrag van de KIA blijft tot een investeringsbedrag van € 104.891 gelijk, om daarna af te nemen. Vanaf een investeringstotaal van € 314.673 ontvangt u geen KIA meer. Het optimum van de KIA ligt bij een investeringsbedrag van € 56.642. Voor 2019 zal dat door indexering iets hoger uitvallen. Door uw investeringen slim te plannen kunt u de KIA optimaliseren. De KIA geldt niet voor alle bedrijfsmiddelen, er zijn uitzonderingen. Plan de verkoop van bedrijfsmiddelenBij de verkoop van bedrijfsmiddelen, waarvoor u eerder KIA hebt gehad, moet u een deel van het genoten voordeel terugbetalen als de verkoop plaatsvindt binnen vijf jaar na het begin van het kalenderjaar van aanschaf. Stel de verkoop zo mogelijk uit tot na het vijfde jaar om een desinvesteringsbijtelling bij de winst te voorkomen. Extra investeringsaftrekIn aanvulling op de KIA heeft u mogelijk recht op energie-investeringsaftrek (EIA) of op milieu-investeringsaftrek (MIA). U heeft recht op EIA voor investeringen in energiebesparende bedrijfsmiddelen. De EIA bedraagt 55% van het investeringsbedrag. Het maximale investeringsbedrag waarover aftrek wordt verleend bedraagt € 120 miljoen. U heeft recht op MIA voor investeringen in bedrijfsmiddelen die zijn opgenomen in de MIA/Vamillijst. Deze lijst wordt ieder jaar gewijzigd. Wilt u zeker zijn dat u met uw investering in aanmerking komt voor MIA dan moet u nog dit jaar investeren. Aanvraag tijdig indienenU moet aanvragen voor EIA, MIA en Vamil binnen drie maanden na het aangaan van investeringsverplichtingen hebben ingediend bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. ... lees meer

15-11-2018
Benut de werkkostenregeling

Benut de werkkostenregeling

Uitgangspunt van de werkkostenregeling is dat alle vergoedingen en verstrekkingen aan werknemers loon vormen, ook als het gaat om kosten die 100% zakelijk zijn. Er is een vrije ruimte waarbinnen vergoedingen en verstrekkingen belastingvrij gegeven kunnen worden. De vrije ruimte bedraagt 1,2% van de fiscale loonsom. Is het totale bedrag aan vergoedingen en verstrekkingen aan uw werknemer hoger dan de vrije ruimte, dan moet u over het meerdere een zogenaamde eindheffing van 80% betalen. Het verdient daarom aanbeveling om de vrije ruimte goed in de gaten te houden. Controleer of u de vrije ruimte volledig benut in 2018. Wijs eventueel extra vergoedingen aan die ten laste van de vrije ruimte komen. Houd daarbij wel rekening met vergoedingen en verstrekkingen die u nog voor de jaarwisseling gaat doen. Belastingvrije bonussen?Bonussen en andere eindejaarsuitkeringen zijn doorgaans bruto. Ga eens na of u deze uitkeringen geheel of gedeeltelijk belastingvrij kunt doen, bijvoorbeeld in de vorm van een vergoeding voor reiskosten. Mogelijk hebt u nog een deel van de vrije ruimte over om bonussen belastingvrij uit te betalen. Niet alle vergoedingen gaan ten laste van de vrije ruimteVoor bepaalde vergoedingen en verstrekkingen gelden aparte vrijstellingen. Deze vrijstellingen komen niet ten laste van de vrije ruimte. Wanneer de vergoeding hoger is dan de daarvoor geldende norm, dan is het deel boven de norm belastbaar loon van de werknemer. Er zijn ook verstrekkingen die op nihil worden gewaardeerd. Daarvoor hoeft dus geen bedrag bij het loon geteld te worden. ... lees meer

15-11-2018
Btw-aangifte vierde kwartaal

Btw-aangifte vierde kwartaal

Bij de btw-aangifte over het vierde kwartaal moet u rekening houden met een aantal zaken. Denk aan de afdracht over privégebruikBij de aangifte over het laatste kwartaal moet u btw afdragen over privégebruik van zaken die tot de onderneming behoren. Voor het privégebruik van de auto kunt u gebruikmaken van een forfaitaire regeling. U draagt bij de aangifte over het laatste tijdvak van het jaar 2,7% van de catalogusprijs van de auto af. In plaats van de forfaitaire regeling kunt u btw betalen over het werkelijke privégebruik. Dit kan voordeliger zijn, maar u moet de omvang c.q. de kosten van het privégebruik wel kunnen bewijzen. Voor een auto die inclusief het jaar van ingebruikname vijf jaar in de onderneming is gebruikt, geldt een lager forfait van 1,5%. Heeft u bij de aankoop van de auto geen btw in aftrek gebracht, dan mag u voor de berekening van het privégebruik altijd uitgaan van het lagere forfait. Denk aan de herziening aftrek voorbelastingDe btw op bedrijfsmiddelen komt in aftrek naar gelang van de mate waarin u de bedrijfsmiddelen voor btw-belaste prestaties gebruikt. Heeft u de btw op bedrijfsmiddelen in het verleden geheel of gedeeltelijk in aftrek gebracht, dan moet de aftrek worden herzien als de mate van gebruik voor belaste prestaties verandert. Voor onroerende zaken is de herzieningstermijn negen jaar, volgend op het jaar waarin u de zaak bent gaan gebruiken. Voor roerende zaken, waarop wordt afgeschreven, bedraagt de herzieningstermijn vier jaar volgend op het jaar van ingebruikname. Bent u een bedrijfsmiddel in 2018 meer gaan gebruiken voor vrijgestelde prestaties, dan moet u de herzienings-btw verwerken in de laatste aangifte van dit jaar. Heeft u door het veranderde gebruik in het verleden te weinig btw in aftrek gebracht, dan heeft u recht op teruggaaf van herzienings-btw. Ook deze teruggaaf verwerkt u in de laatste aangifte van het jaar. ... lees meer

15-11-2018
Verhoging lage btw-tarief

Verhoging lage btw-tarief

Het lage tarief van de btw is onder meer van toepassing op eerste levensbehoeften en op een aantal arbeidsintensieve diensten. Onderdeel van Belastingplan 2019 is een verhoging van het lage btw-tarief van 6 naar 9% met ingang van 1 januari 2019. Er komt geen overgangsmaatregel. Dat betekent dat het moment waarop de btw verschuldigd is, bepaalt hoe hoog het lage btw-tarief is. VooruitbetalingenOp in 2018 ontvangen vooruitbetalingen is het tarief van 6% van toepassing, ongeacht wanneer de factuur wordt verzonden of wanneer de prestatie wordt verricht. Wil sprake zijn van een vooruitbetaling, dan moeten alle relevante elementen van de prestatie bekend zijn op het moment van de betaling. Reguliere betalingenVoor reguliere betalingen voor prestaties maken we onderscheid tussen drie situaties. Bij toepassing van het kasstelsel is btw verschuldigd op het moment waarop de betaling wordt ontvangen. Is dat in 2018, dan geldt het tarief van 6%. Is dat in 2019, dan is het tarief 9%. Heeft de ondernemer een factureringsplicht, dan is de btw verschuldigd op het moment van uitreiken van de factuur. Een factureringsplicht geldt voor prestaties aan andere ondernemers en aan rechtspersonen die geen ondernemer zijn. Ook geldt een factureringsplicht voor afstandsverkopen en intracommunautaire leveringen. Als de prestatie nog niet is verricht, is er nog geen factureringsplicht. Heeft de ondernemer geen factureringsplicht en past hij niet het kasstelsel toe, dan is de btw verschuldigd op het moment waarop de prestatie wordt verricht. Is dat in 2018, dan geldt het tarief van 6%; is dat in 2019, dan geldt het tarief van 9%. Het moment waarop de factuur wordt uitgereikt is niet van belang in dit geval. ... lees meer

15-11-2018
De bijtelling voor de auto van de zaak

De bijtelling voor de auto van de zaak

Voor het privégebruik van een auto van de zaak moet een bijtelling bij het loon van de werknemer worden gedaan. De standaardbijtelling bedraagt sinds 2017 22% van de catalogusprijs van de auto. Voor auto’s die voor 2017 zijn aangeschaft of geleaset gelden andere percentages. Lagere bijtellingen gelden gedurende 60 maanden. Daarna geldt de standaardbijtelling. Voor auto’s van voor 2017 bedraagt de standaardbijtelling niet 22 maar 25%. Bijtelling elektrische autoDe bijtelling voor een elektrische auto bedraagt 4% van de catalogusprijs. Met ingang van 2019 is de verlaagde bijtelling beperkt tot de eerste € 50.000 van de catalogusprijs en geldt voor het meerdere de reguliere bijtelling van 22%. Dit geldt voor auto’s die op of na 1 januari 2019 op kenteken zijn gezet. Overweegt u de aanschaf van een duurdere elektrische auto, investeer dan nog in 2018 om gedurende 60 maanden over de gehele catalogusprijs het voordeel van de lage bijtelling te hebben. Omdat de verlaagde bijtelling voor een periode van 60 maanden vanaf de datum waarop de auto op kenteken is gezet geldt, kunt u overwegen om een jonge gebruikte elektrische auto aan te schaffen. Dat kan ook nog in 2019. U profiteert dan niet van de verlaagde bijtelling over de volle 60 maanden, maar over de resterende maanden. Controleer de rittenadministratieEr hoeft geen bijtelling plaats te vinden als uw werknemer kan bewijzen dat hij op jaarbasis niet meer dan 500 km privé rijdt met de auto. Dat bewijs kan hij leveren met een sluitende rittenadministratie. U moet deze rittenadministratie controleren en bij de loonadministratie bewaren. Klopt de administratie niet, dan moet u bijtellen bij het loon van de werknemer. Ook bij gebruik van een “verklaring geen privégebruik” moet uw werknemer kunnen bewijzen dat hij op jaarbasis niet meer dan 500 km privé met de auto rijdt. ... lees meer

15-11-2018
Is de lening aan de bv (nog) zakelijk?

Is de lening aan de bv (nog) zakelijk?

Een lening die een dga verstrekt aan zijn bv valt door de werking van de terbeschikkingstellingsregeling in box 1 van de inkomstenbelasting. De rente die de bv betaalt is aftrekbaar van de winst en bij de dga progressief belast. Wanneer de bv niet meer aan haar rente- en aflossingsverplichtingen kan voldoen, is de vordering minder waard. De dga kan deze waardevermindering ten laste van zijn inkomen brengen, tenzij de lening onzakelijk is. Dat is het geval als de dga een debiteurenrisico loopt dat een onafhankelijke derde niet zou hebben geaccepteerd. De waardevermindering van een onzakelijke lening is een netto vermogensverlies. Voor u overgaat tot het verstrekken van een lening aan uw bv is het raadzaam na te gaan of een bank bereid zou zijn om een financiering te verstrekken op vergelijkbare condities om het risico op onzakelijkheid van de lening te verkleinen. Factoren die de zakelijkheid van een lening beïnvloeden zijn de hoogte van de lening in verhouding tot het eigen vermogen, de looptijd, de aflossingsverplichtingen, het rentepercentage, een achterstelling bij andere schulden en de verstrekte zekerheden. Overigens geldt ook bij borgstelling voor schulden van de bv dat u zakelijk dient te handelen. Om discussie over de zakelijkheid te beperken is het raadzaam om een leningovereenkomst op te stellen en een zakelijke rente en zakelijke aflossingsvoorwaarden te hanteren. Vergeet niet om zekerheden te vragen en pas zo nodig een bestaande leningovereenkomst aan. De vastgelegde afspraken moeten uiteraard worden nagekomen. Als de bv niet voldoet aan de aflossings- of renteverplichtingen komt de lening in een ander daglicht te staan. ... lees meer

Ontvang onze nieuwsbrief!

Wilt u ook up-to-date blijven? Laat uw gegevens achter en u ontvangt voortaan iedere maand onze nieuwsbrief!